Yamaha DTX MULTI 12 Owner's Manual Dtxm12 Nl Om B0

User Manual: Yamaha DTX-MULTI 12 Owner's Manual

Open the PDF directly: View PDF PDF.
Page Count: 116 [warning: Documents this large are best viewed by clicking the View PDF Link!]

ELECTRONIC PERCUSSION PAD
Gebruikershandleiding
Gebruikershandleiding
Yamaha Electronic Drums web site:
http://dtxdrums.yamaha.com
Yamaha Manual Library
http://www.yamaha.co.jp/manual/
U.R.G., Digital Musical Instruments Division
© 2009-2010 Yamaha Corporation
WR85360 009POAP*.*-01B0
Printed in Vietnam NL
2Gebruikershandleiding
Gebruikershandleiding 3
Informatie over ophalen en weggooien van oude apparatuur
Dit teken op de producten, verpakkingen en/of bijgaande documenten betekent dat gebruikte elektrische en elektronische producten niet mogen
worden gemengd met algemeen huishoudelijk afval.
Breng alstublieft voor de juiste behandeling, herwinning en hergebruik van oude producten deze naar daarvoor bestemde verzamelpunten, in
overeenstemming met uw nationale wetgeving en de instructies 2002/96/EC.
Door deze producten juist te rangschikken, helpt u het redden van waardevolle rijkdommen en voorkomt u mogelijke negatieve effecten op de
menselijke gezondheid en de omgeving, welke zich zou kunnen voordoen door ongepaste afvalverwerking.
Voor meer informatie over het inzamelen en hergebruik van oude producten kunt u contact opnemen met uw plaatselijke gemeente, uw
afvalverwerkingsbedrijf of het verkooppunt waar u de artikelen heeft gekocht.
[Voor zakelijke gebruikers in de Europese Unie]
Mocht u elektrische en elektronisch apparatuur willen weggooien, neem dan alstublieft contact op met uw dealer of leverancier voor meer
informatie.
[Informatie over verwijdering in ander landen buiten de Europese Unie]
Dit symbool is alleen geldig in de Europese Unie. Mocht u artikelen weg willen gooien, neem dan alstublieft contact op met uw plaatselijke
overheidsinstantie of dealer en vraag naar de juiste manier van verwijderen.
OBSERVERA!
Apparaten kopplas inte ur växelströmskällan (nätet) så länge som den ar ansluten till vägguttaget,
även om själva apparaten har stängts av.
ADVARSEL: Netspændingen til dette apparat er IKKE afbrudt, sålænge netledningen sidder i en
stikkontakt, som er tændt — også selvom der er slukket på apparatets afbryder.
VAROITUS: Laitteen toisiopiiriin kytketty käyttökytkin ei irroita koko laitetta verkosta.
(standby)
4Gebruikershandleiding
VOORZICHTIG
LEES DIT ZORGVULDIG DOOR VOORDAT U VERDERGAAT
* Bewaar deze gebruikershandleiding op een veilige plaats voor eventuele toekomstige raadpleging.
WAARSCHUWING
Volg altijd de algemene voorzorgsmaatregelen op die hieronder worden opgesomd om te voorkomen dat u gewond
raakt of zelfs sterft als gevolg van elektrische schokken, kortsluiting, schade, brand of andere gevaren. De maatregelen
houden in, maar zijn niet beperkt tot:
Gebruik alleen het voltage dat als juist wordt aangegeven voor het instrument.
Het vereiste voltage wordt genoemd op het naamplaatje van het instrument.
Gebruik uitsluitend de aangegeven adapter (pagina 110). Gebruik van een
andere adapter kan oververhitting en defecten veroorzaken.
Controleer de elektrische stekker regelmatig en verwijder al het vuil of stof dat
zich erop verzameld heeft.
Plaats de netadapter niet in de buurt van warmtebronnen zoals kachels
of radiatoren. Verbuig of beschadig het snoer niet, plaats er geen zware
voorwerpen op en leg het niet op een plaats waar mensen erover kunnen
struikelen of er voorwerpen over kunnen rollen.
Open het instrument niet, haal de interne onderdelen niet uit elkaar en
modificeer ze op geen enkele manier. Het instrument bevat geen door de
gebruiker te repareren onderdelen. Als het instrument stuk lijkt te zijn, stop
dan met het gebruik ervan en laat het nakijken door Yamaha-servicepersoneel.
Stel het instrument niet bloot aan regen, gebruik het niet in de buurt van water
of onder natte of vochtige omstandigheden en plaats geen voorwerpen op het
instrument die vloeistoffen bevatten die in de openingen kunnen vallen. Als er
een vloeistof, zoals water, in het instrument terechtkomt, zet dan onmiddellijk
het instrument uit en trek de stekker uit het stopcontact. Laat vervolgens uw
instrument nakijken door gekwalificeerd Yamaha-servicepersoneel.
Haal nooit een stekker uit en steek nooit een stekker in het stopcontact als
u natte handen heeft.
Plaats geen brandende voorwerpen, zoals kaarsen, op het instrument.
Een brandend voorwerp kan omvallen en brand veroorzaken.
Als het snoer van de adapter beschadigd is of stuk gaat, als er plotseling
geluidsverlies is in het instrument, of als er plotseling een geur of rook uit het
instrument komt, moet u het instrument onmiddellijk uitzetten, de stekker uit het
stopcontact halen en het instrument na laten kijken door gekwalificeerd
Yamaha-servicepersoneel.
LET OP
Volg altijd de algemene voorzorgsmaatregelen op die hieronder worden opgesomd om te voorkomen dat u of iemand
anders gewond raakt of dat het instrument of andere eigendommen beschadigd raken. De maatregelen houden in, maar
zijn niet beperkt tot:
Als u de stekker uit het instrument of uit het stopcontact haalt, moet u altijd aan
de stekker trekken, nooit aan het snoer.
Haal de adapter uit het stopcontact gedurende een elektrische storm
(b.v. onweer), of als u het instrument gedurende lagere tijd niet gebruikt.
Sluit het instrument niet aan op een stopcontact via een verdeelstekker. Dit kan
resulteren in een verminderde geluidskwaliteit en hierdoor kan het stopcontact
oververhitten.
Stel het instrument niet bloot aan overdreven hoeveelheden stof of trillingen, of
extreme kou of hitte (zoals in direct zonlicht, bij een verwarming of overdag in
een auto) om de kans op vervorming van het paneel of beschadiging van de
interne componenten te voorkomen.
Gebruik het instrument niet in de nabijheid van een tv, radio, stereo-apparatuur,
mobiele telefoon of andere elektrische apparaten. Anders kan het instrument,
de tv of radio bijgeluiden opwekken.
Plaats het instrument niet in een onstabiele positie, waardoor het per ongeluk
om kan vallen.
Haal voordat u het instrument verplaatst alle kabels en de adapter los.
Zorg er bij het opstellen van het product voor dat het gebruikte stopcontact
makkelijk toegankelijk is. Schakel de POWER-schakelaar bij storingen of een
slechte werking onmiddellijk uit en trek de stekker uit het stopcontact. Zelfs als
de stroom is uitgeschakeld, loopt er nog een minimale hoeveelheid stroom naar
het product. Als u het product gedurende langere tijd niet gebruikt, moet u de
stekker uit het stopcontact trekken.
Gebruik alleen de standaarden/rekken die worden aangegeven voor het
instrument. Als u het instrument vastmaakt aan de standaard of het rek,
gebruik dan uitsluitend de bijgeleverde schroeven. Anders kan dit leiden tot
beschadiging van de interne componenten of het vallen van het instrument.
Plaats geen voorwerpen voor de ventilatieopeningen van het instrument,
aangezien dit adequate ventilatie van de interne componenten zou kunnen
verhinderen, en mogelijk kan resulteren in het oververhit raken van het
instrument.
•Voordat u het instrument aansluit op andere elektronische componenten, moet
u alle betreffende apparatuur uitzetten. Voordat u alle betreffende apparatuur
aan- of uitzet, moet u alle volumes op het minimum zetten. Voer de volumes van
alle componenten, na het aanzetten, geleidelijk op tot het gewenste
luisterniveau, terwijl u het instrument bespeelt.
Spanningsvoorziening/Netadapter
Niet openen
Waarschuwing tegen water
Waarschuwing tegen brand
Als u onregelmatigheden opmerkt
Spanningsvoorziening/Netadapter
Locatie
Aansluitingen
(3)-13 1/2
Gebruikershandleiding 5
Gebruik bij het schoonmaken een zachte droge doek. Gebruik geen
verfverdunners, oplosmiddelen, schoonmaakmiddelen of met chemicaliën
geïmpregneerde schoonmaakdoekjes.
Steek nooit papieren, metalen of andere voorwerpen in de openingen van het
paneel of het toetsenbord en laat dergelijke voorwerpen er niet invallen. Als dit
gebeurt, zet dan onmiddellijk het instrument uit en haal de stekker uit het
stopcontact. Laat vervolgens uw instrument nakijken door gekwalificeerd
Yamaha-servicepersoneel.
Plaats geen vinylen, plastic of rubberen voorwerpen op het instrument, aangezien
dit verkleuring van het paneel of het toetsenbord tot gevolg kan hebben.
Leun niet op het instrument, plaats geen zware voorwerpen op het instrument en
vermijd het uitoefenen van overmatig veel kracht op de knoppen, schakelaars en
aansluitingen.
Gebruik het instrument/apparaat of de hoofdtelefoon niet te lang op een
oncomfortabel geluidsniveau aangezien dit permanent gehoorverlies kan
veroorzaken. Consulteer een KNO-arts als u geruis in uw oren of gehoorverlies
constateert.
Uw data opslaan en back-ups maken
Opgeslagen data kunnen verloren gaan ten gevolge van een storing of foutieve
handelingen. Sla belangrijke data op een extern USB-opslagapparaat op.
Een back-up maken van het USB-opslagapparaat
Om dataverlies door beschadiging van de media te voorkomen, adviseren wij
u belangrijke data op te slaan op twee USB-opslagapparaten.
Zet het instrument altijd uit als u het niet gebruikt.
Zelfs als de STANDBY/ON-schakelaar in de standby positie staat, loopt er nog een minimale hoeveelheid stroom door het instrument. Als u het instrument voor een lange tijd
niet gebruikt, zorg er dan voor dat u de netadapter uit het stopcontact haalt.
Bijzondere kennisgevingen
•Yamaha Corporation heeft het auteursrecht van deze gebruikershandleiding en alle inhoud hierin.
De afbeeldingen en LCD-schermen zoals deze in deze handleiding te zien zijn, zijn uitsluitend bedoeld voor instructiedoeleinden en kunnen dus enigszins afwijken van de
werkelijkheid.
Dit product bevat en gaat vergezeld van computerprogramma's en inhoud waarvan Yamaha alle auteursrechten heeft of waarvan het over de licenties beschikt om gebruik te mogen
maken van de auteursrechten van derden. Onder dergelijk materiaal waarop auteursrechten berusten, vallen, zonder enige beperkingen, alle computersoftware, stijlbestanden,
MIDI-bestanden, WAVE-gegevens, bladmuziek en geluidsopnamen. Elk ongeautoriseerd gebruik van dergelijke programma's en inhoud, buiten het persoonlijke gebruik van de
koper, is volgens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet toegestaan. Elke schending van auteursrechten heeft strafrechtelijke gevolgen. MAAK, DISTRIBUEER OF GEBRUIK
GEEN ILLEGALE KOPIEËN.
Dit apparaat kan muziekgegevens van verschillende typen en indelingen gebruiken door deze van tevoren naar de juiste muziekgegevensindeling voor gebruik met het instrument te
optimaliseren. Hierdoor wordt op dit apparaat muziek mogelijk niet exact zo afgespeeld als de componist het oorspronkelijk heeft bedoeld.
Het kopiëren van commercieel verkrijgbare muziekgegevens, inclusief maar niet beperkt tot MIDI-gegevens en/of audiogegevens, is strikt verboden, uitgezonderd voor persoonlijk
gebruik.
De namen van bedrijven en producten die in deze handleiding worden genoemd, zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van hun respectieve eigenaars.
Onderhoud
Zorgvuldig behandelen
Data opslaan
Yamaha kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor schade die wordt veroorzaakt door oneigenlijk gebruik van of modificaties aan het instrument,
of data die verloren zijn gegaan of gewist.
De meest recente firmwareversie
Yamaha kan van tijd tot tijd de firmware van het product updaten zonder voorafgaande kennisgeving. Wij adviseren u daarom regelmatig onze website (hieronder) te
controleren op de meest recente versie, zodat u de firmware van de DTX-MULTI 12 up-to-date kunt houden.
http://dtxdrums.yamaha.com
De inhoud van deze gebruikershandleiding is gebaseerd op de meest recente firmwareversie bij het afdrukkan van de handleiding. Informatie met betrekking tot
eventuele functies die zijn toegevoegd aan latere versies, zullen beschikbaar zijn op bovengenoemde website.
Optionele pads
In deze gebruikershandleiding wordt naar de optionele externe pads die kunnen worden aangesloten op de DTX-MULTI 12 verwezen met de modelnaam. Deze
modelnamen waren de meest recente namen ten tijde van het afdrukken van deze handleiding. Informatie met betrekking tot eventuele modellen die later zijn uitgebracht,
is beschikbaar zijn op volgende website.
http://dtxdrums.yamaha.com
(3)-13 2/2
6Gebruikershandleiding
Welkom
Dank u voor de aanschaf van de Yamaha elektronische percussiepad DTX-MULTI 12.
Lees deze gebruikershandleiding zorgvuldig door om optimaal gebruik te maken van dit nieuwe instrument.
Bewaar dit document bovendien op een veilige plaats wanneer u dit hebt doorgenomen, zodat u het later zo nodig
kunt raadplegen.
Aanvullende verpakkingsinhoud
Netadapter
Gebruikershandleiding (dit document)
Boekje met Data List
DVD-ROM (met de software)
Eigenschappen van de DTX-MULTI 12
12 ingebouwde pads en veelzijdige
ingangsaansluitingen
De DTX-MULTI 12 beschikt over 12 ingebouwde pads die
handig zijn ingedeeld met het oog op gebruiksgemak in een
groot aantal speltoepassingen. Op het achterpaneel vindt
u bovendien aansluitingen voor vijf extra Yamaha elektronische
drumpads en drumtriggers. Via de combinatie van afzonderlijk
verkochte pads en drumtriggers en een centrale DTX-MULTI
12-eenheid kunt u een eigen, compacte elektronische drumkit
samenstellen en zelfs akoestische drums integreren.
En bovendien kunt u dankzij de voetschakelaaraansluiting en
de aansluiting voor de hi-hatregelaar schakelaars en regelaars
gebruiken voor het selecteren van drumkits, het simuleren van
hi-hatspeeltechnieken en het verbeteren van uw spel op een
groot aantal manieren.
Kwalitatief hoogwaardig geluid
Naast een grote verscheidenheid aan voices van de
geavanceerde DTXTREME III-drumtriggermodule, beschikt de
DTX-MULTI 12 over vele geheel opnieuw gesamplede
percussiegeluiden en veelzijdige, kant-en-klare effectgeluiden
voor een totaal van 1.277 voices. Bovendien omvat deze grote
verscheidenheid aan geluiden tevens pauken, marimba,
vibrafoon en vele andere chromatische percussie-
instrumenten. Tezamen met de fantastisch klinkende reverb- en
choruseffecten die u kunt toepassen op complete drumkits,
beschikt de DTX-MULTI 12 tevens over een Variation-effectblok
dat u kunt gebruiken om afzonderlijke voices op vele
interessante manieren te verbeteren.
Groot aanbod aan patronen
De DTX-MULTI 12 wordt geleverd met 128 kant-en-klare
melodische en ritmische frasen (waaronder 3 demo’s), die
patronen worden genoemd. U kunt patronen gemakkelijk starten
en stoppen door de pads aan te raken waaraan deze zijn
toegewezen, waardoor u de expressiviteit van uw spel enorm
kunt verbeteren. Daarnaast kunt u ook uw eigen spel opnemen
als patroon en toewijzen aan pads, zodat u gemakkelijk originele
grooves kunt toevoegen aan uw drumkits.
Krachtige uitbreidingsmogelijkheden via USB
Met behulp van de USB TO HOST-poort en een (afzonderlijk
verkochte) USB-kabel kunt u de DTX-MULTI 12 gemakkelijk op
een computer aansluiten. Hiermee beschikt u over veel grotere
doelmatigheid en snelheid bij het opnemen van uw spel en het
uitvoeren van veel van de muziekproductieprocessen op
computers met DAW-software (Digital Audio Workstation),
zoals Cubase AI, dat wordt geleverd bij de DTX-MULTI 12.
Via een USB TO DEVICE-poort kunt u USB-
geheugenapparaten aansluiten voor flexibele data-uitwisseling.
Hierdoor kunt u uw instellingen voor de DTX-MULTI 12 als
standaardcomputerbestand opslaan op dergelijke apparaten.
Bovendien kunt u ook WAV- of AIFF-bestanden importeren van
een USB-geheugenapparaat en deze toewijzen aan
afzonderlijke pads, waarmee u een unieke en geheel eigen
smaak kunt toevoegen aan uw spel.
Veelzijdige triggering voor uitgebreide muzikale
mogelijkheden
Dankzij de Stack-functie kan elke pad maximaal vier geluiden
produceren en met de Alternate-functie kunnen elke keer dat
een pad wordt geraakt, andere geluiden worden weergegeven.
Daarnaast kunt u het instrument instellen op het automatisch
selecteren van verschillende geluiden op basis van hoe hard of
zacht u de betreffende pad raakt, of in reactie op een
voetschakelaarhandeling.
U kunt de DTX-MULTI 12 ook instellen op het dempen van
geluiden als u met de hand op een pad drukt of om een ander
geluid te laten klinken als u met de hand op een pad drukt
terwijl u deze raakt. En u hoeft niet alleen maar met drumsticks
te werken! U kunt de DTX-MULTI 12 heel gemakkelijk instellen
op ondersteuning van een groot aantal handspeelstijlen.
Gebruikershandleiding 7
Inhoudsopgave
Aanvullende verpakkingsinhoud ...................................6
Eigenschappen van de DTX-MULTI 12 ........................6
Namen en functies van componenten .................. 8
Configuratie........................................................... 10
Gebruiken met akoestische drums..............................10
Spanningsvoorziening.................................................10
Luidsprekers en/of een hoofdtelefoon aansluiten .......10
Aansluiten op andere audioapparatuur .......................10
De DTX-MULTI 12 aanzetten......................................11
Een USB-geheugenapparaat aansluiten.....................11
Andere MIDI-apparaten aansluiten .............................12
Aansluiten op een computer .......................................13
Muziek maken met een computer ...............................13
Cubase configureren voor afstandsbediening.............15
Beknopte handleiding
Geluiden produceren met de pads............................... 16
Luisteren naar patronen................................................ 20
Eigen patronen maken .................................................. 21
Data opslaan op een USB-geheugenapparaat ............ 23
Audiobestanden importeren......................................... 25
Referentie
Intern ontwerp ....................................................... 27
Functionele blokken ....................................................27
Pads en triggersignalen ..............................................28
Geluiden die door de pad worden geproduceerd........31
Kitsamenstelling ..........................................................32
Effecten .......................................................................36
Intern geheugen ..........................................................42
Basisbediening ..................................................... 44
KIT-instellingengebied (KIT) ................................ 46
Indeling van het KIT-instellingengebied ......................46
KIT1 Select Kit ............................................................47
KIT2 Kitvolume, -tempo en -naam ..............................47
KIT3 Effect Send-niveaus ...........................................48
KIT4 Variation-effectinstellingen .................................48
KIT5 Choruseffectinstelling .........................................49
KIT6 Reverbeffectinstelling .........................................50
KIT7 Overige drumkitinstellingen ................................51
KIT8 Kitbeheer ............................................................53
VOICE-instellingengebied (VCE)......................... 55
Indeling van het VOICE-instellingengebied.................55
VCE1 Voice selecteren ...............................................56
VCE2 Voices afstemmen, Volume en pannen ............57
VCE3 Voicetimbre.......................................................58
VCE4 Effect Send-niveaus..........................................59
VCE5 Andere voice-gerelateerde instellingen ............60
MIDI-instellingengebied (MIDI) ............................ 61
Indeling van het MIDI-instellingengebied ....................61
MIDI1 Berichttype selecteren ......................................62
MIDI2 MIDI-bestemmingsschakelaars ........................66
MIDI3 Overige MIDI-instellingen .................................67
WAVE-instellingengebied (WAVE)...................... 69
Indeling van het WAVE-instellingengebied .................69
WAVE1 Waves selecteren en afspelen.......................70
WAVE2 Afspeelmodus, trimpunten en naam ..............70
WAVE3 Andere wave-gerelateerde taken...................71
WAVE4 Status wavegeheugen ...................................73
PATTERN-instellingengebied (PTN) ................... 74
Indeling van het PATTERN-instellingengebied ...........74
PTN1 Patroon selecteren ............................................75
PTN2 Lussen, tempo en patroonnamen .....................75
PTN3 MIDI-instellingen voor patronen ........................76
PTN4 Patroonkwantificering en beheer.......................78
PTN5 Patroongeheugenstatus ....................................81
UTILITY-instellingengebied (UTIL) ...................... 82
UTIL1 Indeling van het UTILITY-instellingengebied....82
UTIL2 Systeeminstellingen..........................................83
UTIL3 Clicktrack-instellingen.......................................84
UTIL4 Masterequalizer ................................................86
UTIL5 Padhulpprogramma's........................................88
UTIL6 Hi-hatinstelling ..................................................89
UTIL7 MIDI-instelling van instrument ..........................90
UTIL8 Bestandsbeheer ...............................................92
UTIL9 Instrument resetten...........................................98
TRIGGER-instellingengebied (TRG).................... 99
Indeling van het TRIGGER-instellingengebied............99
TRG1 Triggerinstellingen selecteren.........................100
TRG2 Padinstelling ...................................................100
TRG3 Namen van triggerinstellingen ........................104
TRG4 Copy Trigger-parameters................................104
Problemen oplossen .......................................... 105
Schermberichten ................................................ 108
Specificaties........................................................ 110
Index .................................................................... 111
8Gebruikershandleiding
Namen en functies van componenten
Voorpaneel
qDraaiknop VOLUME
Met deze draaiknop wordt het totaalvolume geregeld (het volume
bij de OUTPUT-aansluitingen). Draai de knop rechtsom om het
volume te verhogen of linksom om dit te verlagen.
wDisplay
Dit LCD-schern toont de informatie en gegevens die u nodig hebt
om het instrument te bedienen.
ePadindicator
In deze reeks LED’s ziet u de pads die zijn geraakt en die
momenteel een geluid produceren. De weergegeven nummers
1 tot en met 12 komen overeen met de 12 hoofd- en randpads op
het instrument zelf. Daarnaast wordt de lamp [13-17]
ingeschakeld als reactie op het bespelen van de (afzonderlijk
verkochte) uitbreidingspads, die zijn aangesloten op de PAD-
aansluitingen op het achterpaneel, of op signalen van een
voetschakelaar of een hi-hatregelaar (afzonderlijk verkocht), die is
aangesloten op de FOOT SW- of HI-HAT CONTROL-aansluiting,
tevens op het achterpaneel.
•Verwijder voor het gebruik het transparante plastic dat op het
indicatorpaneel is aangebracht ter bescherming tijdens het transport.
rKnop [MIDI]
Met deze knop opent u het MIDI-instellingengebied
(zie pagina 61). Daarnaast kunt u de Cubase Remote-functie in-
en uitschakelen door de knop [SHIFT] ingedrukt te houden en op
de knop [MIDI] te drukken. Als deze functie is ingeschakeld, kunt
u de knoppen op het voorpaneel van de DTX-MULTI 12 gebruiken
om de Cubase-handelingen (zie pagina 15) te besturen.
tKnop [VOICE]
Met deze knop opent u het Voice-instellingengebied (zie pagina 55).
yKnop [KIT]
Met deze knop opent u het Kit-instellingengebied (zie pagina 46).
Daarnaast kunt u de effecten die worden toegepast op de huidige
drumkit in- en uitschakelen door de knop [SHIFT] ingedrukt te
houden en op de knop [KIT] (zie pagina 83) te drukken.
uKnop [PTN]
Met de knop Pattern opent u het Pattern-instellingengebied
(zie pagina 74). Daarnaast kunt u de modus Record activeren
door de knop [SHIFT] ingedrukt te houden en op de knop [PTN]
(zie pagina 21) te drukken.
iKnop [WAVE]
Met deze knop opent u het Wave-instellingengebied
(zie pagina 69). U kunt tevens de pagina Import openen door de
knop [SHIFT] ingedrukt te houden en op de knop [WAVE]
(zie pagina 25) te drukken.
oKnop [UTILITY]
Met deze knop opent u het Utility-instellingengebied
(zie pagina 82). Daarnaast kunt u het Trigger-instellingengebied
openen door de knop [SHIFT] ingedrukt te houden en op de knop
[UTILITY] (zie pagina 99) te drukken.
!0 Knop [SHIFT]
Houd deze knop ingedrukt en druk op een andere knop om het
instellingengebied te openen of de functie te activeren die
erboven of eronder wordt aangeduid.
!1 [EE
EE]-knop
Met de knop Click-track kunt u de ingebouwde clicktrack (of de
metronoom) starten en stoppen. Daarnaast kunt u de functie Tap
Tempo activeren door de knop [SHIFT] ingedrukt te houden en op
de knop [ ] te drukken.
!2 Knop [EXIT]
De pagina’s met parameterinstellingen in elk instellingengebied
zijn in een hiërarchische structuur ingedeeld. Druk op deze knop
om de huidige pagina te verlaten en een stap terug te gaan
richting het hoogste niveau van het instellingengebied. Daarnaast
kunt u onmiddellijk al het geluid uitschakelen door de knop
[SHIFT] ingedrukt te houden en op de knop [EXIT] te drukken.
!3 Knop [ENTER]
Met deze knop worden processen uitgevoerd en waarden
bevestigd. Daarnaast kunt u de functie voor paneelvergrendeling
activeren voor het vergrendelen en ontgrendelen van het
voorpaneel door de knop [SHIFT] ingedrukt te houden en op de
knop [ENTER] te drukken. Hiermee kunt u het voorpaneel
uitschakelen tijdens uw spel, zodat u kunt voorkomen dat
u ongewild wijzigingen aanbrengt in instellingen. Zelfs als de
paneelvergrendeling is geactiveerd, kunt u de knop [KIT] en
[VOICE] gebruiken om de overeenkomende instellingengebieden
te openen; u kunt de huidige kit echter alleen wijzigen met de
knoppen [-/DEC] en [+/INC], of de voice die is toegewezen aan de
pads die worden bespeeld visueel bevestigen. Als u de voices wilt
controleren terwijl paneelvergrendeling is geactiveerd, drukt u op
de knop [VOICE].
!4 Knop [STORE]
Deze knop wordt gebruikt voor het opslaan van instellingen en
andere data in het interne geheugen van de DTX-MULTI 12. Deze
knop licht eveneens op als parameters zijn gewijzigd, maar nog
niet zijn opgeslagen.
!5 [B] [D] [C]-knoppen
Deze selectieknoppen worden gebruikt voor het navigeren
tussen de pagina’s met parameterinstellingen en de
parameters in de verschillende instellingengebieden.
•U kunt de modus Input Lock activeren en deactiveren door
de knop [SHIFT] ingedrukt te houden en op de knop [D]
(zie pagina 103) te drukken.
Als een pagina met parameterinstellingen wordt weergegeven,
kunt u naar de eerste pagina met parameterinstellingen van de
vorige of volgende parametersectie in het huidige
instellingengebied gaan door de knop [SHIFT] ingedrukt te
houden en op de knop [B] of [C] te drukken.
≤≤≤≤≤YAMAHA
<<DTX-MULTI≤12>>
e !5
o !0 !4 !6 !7iuy
r !1 !2 !3tqw
OPMERKING
E
Namen en functies van componenten
Gebruikershandleiding 9
!6 Knop [-/DEC]
Met deze knop wordt parameterwaarde die de cursor aanduidt
verhoogd of verlaagd. Daarnaast kunt u de geselecteerde waarde
verlagen met 10 eenheden door de knop [SHIFT] ingedrukt te
houden en op de knop [-/DEC] te drukken of door de knop [/DEC]
ingedrukt te houden en op de knop [+/INC] te drukken.
!7 Knop [+/INC]
Met deze knop wordt de parameterwaarde die de cursor aanduidt
verhoogd. Daarnaast kunt u de geselecteerde waarde verhogen
met 10 eenheden door de knop [SHIFT] ingedrukt te houden en
op de knop [+/INC] te drukken of door de knop [+/INC] ingedrukt
te houden en op de knop [-/DEC] te drukken.
Zijpaneel
Achterpaneel
@0 Standby/On-schakelaar
Gebruik deze schakelaar om de DTX-MULTI 12 aan ( ) en uit
() te zetten.
@1 Kabelclip
Om te voorkomen dat de kabel per ongeluk wordt losgetrokken,
is het aan te raden de kabel om de kabelclip te wikkelen tijdens
het gebruik.
@2 DC IN-aansluiting
Sluit het netsnoer van de netadapter (meegeleverd) aan op deze
aansluiting.
@3 MIDI IN/OUT-aansluitingen
De MIDI IN-aansluiting wordt gebruikt voor het ontvangen van
besturings- of speldata van een ander MIDI-apparaat, zoals een
externe sequencer, via een MIDI-kabel. Als een ander MIDI-
apparaat op deze manier is aangesloten, kunt u hiermee de
interne toongenerator bespelen en een groot aantal parameters
regelen. De MIDI OUT-aansluiting wordt gebruikt voor het
verzenden van speldata van dit instrument naar andere
apparaten in de vorm van MIDI-berichten.
@4 FOOT SW-aansluiting
De voetschakelaar-aansluiting wordt gebruikt voor het aansluiten
van een optionele voetschakelaar (FC4, FC5, FC7 enz.)
of hi-hatregelaar (HH65 enz.) op de DTX-MULTI 12.
@5 HI-HAT CONTROL-aansluiting
De Hi-hat Control-aansluiting wordt gebruikt voor het aansluiten
van een optionele hi-hatregelaar (HH65 enz.).
@6 PAD-aansluitingen (!3 t/m !7)
Deze triggeringangen op het achterpaneel worden gebruikt voor
het aansluiten van optionele pads. De PAD !3-aansluiting is
compatibel met de mono- en stereotypen (in twee en drie zones);
de PAD !4/!5- en de PAD !6/!7-aansluitingen bieden
ondersteuning voor standaardpads met een mono-uitgang
(zie pagina 30).
@7 AUX IN-aansluiting
Via deze standaard stereohoofdtelefoonaansluiting kunnen
externe audiosignalen worden ingevoerd. Hierdoor kunt u een
MP3- of een cd-speler aansluiten, zodat u met uw favoriete
muziek kunt meespelen.
@8 GAIN-knop
Gebruik deze knop om het versterkingsniveau aan te passen
voor audio-invoer via de AUX IN-aansluiting. Deze aanpassing
is mogelijk noodzakelijk omdat externe audioapparaten
signalen uitvoeren met een groot aantal variërende volumes.
Wanneer u de knop met de klok mee draait, wordt de
versterking verhoogd; draait u de knop tegen de klok in,
dan wordt de versterking verlaagd.
@9 OUTPUT L/MONO- en R-aansluitingen
Gebruik deze aansluitingen voor de uitvoer van het lijn-
niveausignaal van stereomixes. U kunt bijvoorbeeld de linker-
en rechteringang van een externe versterker of mixer
aansluiten op de aansluitingen met mono audiokabels. Voor
mono-uitvoer gebruikt u alleen de aansluiting L/MONO.
#0 PHONES-aansluiting
Gebruik deze standaard audioaansluiting voor een
stereohoofdtelefoon.
#1 VOLUME-knop
Gebruik deze knop om het niveau aan te passen van de audio-
uitvoer van de PHONES-aansluiting. Wanneer u de knop met
de klok mee draait, wordt het volume verhoogd; draait u de
knop tegen de klok in, dan wordt het volume verlaagd.
!8 !9
!8 USB TO DEVICE-poort
Deze poort wordt gebruikt om een USB-geheugenapparaat (zoals een flashstation of een
externe harde schijf) aan te sluiten, hetzij rechtstreeks, hetzij via een USB-kabel. Als u via
deze poort een geheugenapparaat aansluit, kunt u data die zijn gemaakt op de
DTX-MULTI 12 opslaan op het USB-geheugenapparaat en instellingen, geluidsbestanden
en dergelijke importeren.
!9 USB TO HOST-poort
Met deze poort wordt de DTX-MULTI 12 aangesloten op een computer met een
USB-kabel. Als een computer via deze poort op het instrument wordt aangesloten,
kunt u MIDI-data uitwisselen tussen instrument en computer.
@3 @9@6@4@0 @5 @7 @8 #0 #1@1 @2
FF
FF
10 Gebruikershandleiding
Configuratie
Gebruiken met akoestische drums
Als u de DTX-MULTI 12 wilt gebruiken in combinatie met een
akoestische drumset, kunt u een MAT1-bevestigingsmodule
(afzonderlijk verkocht) bevestigen aan de onderkant van de
eenheid, zodat deze aan een tomsteun of standaard kan worden
gehangen. Raadpleeg de gebruikershandleiding die wordt
geleverd bij de MAT1 voor meer informatie over de montage.
Spanningsvoorziening
1Zorg ervoor dat de (Standby/On)-schakelaar
op het achterpaneel is uitgeschakeld.
2Sluit het netsnoer van de netadapter
(meegeleverd) aan op de DC IN-aansluiting op het
achterpaneel. Om te voorkomen dat de kabel per
ongeluk wordt losgetrokken, is het aan te raden
de kabel om de kabelclip te wikkelen.
3Sluit het netsnoer aan op een stopcontact.
Luidsprekers en/of een hoofdtelefoon
aansluiten
De DTX-MULTI 12 beschikt niet over ingebouwde luidsprekers.
Als u geluid van het instrument wilt horen, moet u een
hoofdtelefoon of een externe versterker en luidsprekers
aansluiten. (Zie het aansluitingsoverzicht hieronder.)
OUTPUT L/MONO- en R-aansluitingen
(standaard mono-audioaansluitingen)
Gebruik deze aansluitingen om het instrument aan te sluiten op
een externe versterker en luidsprekers, zodat u uzelf kunt horen
spelen. Als de versterker slechts een ingang heeft, moet u deze
aansluiten via de OUTPUT L/MONO-aansluiting.
PHONES-aansluiting (standaard stereo-
audioaansluiting)
Gebruik deze audioaansluiting voor een stereohoofdtelefoon.
Gebruik de VOLUME-knop op het achterpaneel om het volume
van de hoofdtelefoon aan te passen.
Aansluiten op andere audioapparatuur
U kunt de audio-invoer van een MP3-speler of cd-speler die is
aangesloten op de AUX IN-aansluiting, mixen met het geluid van
de DTX-MULTI 12 en uitvoeren via de OUTPUT (L/MONO en
R)- en PHONES-aansluiting. Hierdoor kunt u heel gemakkelijk
een MP3- of een cd-speler aansluiten, zodat u met uw favoriete
muziek kunt meespelen. Indien nodig kunt u de bovendien het
ingangsvolume aanpassen met de GAIN-knop.
Zorg dat het netsnoer niet wordt geknikt in een scherpe hoek
terwijl u het om de klem wikkelt. Als u het snoer te veel buigt,
kan het worden beschadigd en er kan brand ontstaan.
Gebruik uitsluitend de meegeleverde netstroomadapter. Als
u een andere adapter gebruikt, kan het instrument worden
beschadigd, kan het oververhit raken of kan er brand ontstaan.
Controleer of de spanningsvoorziening juist is voor de
geleverde netadapter.
De DTX-MULTI 12 blijft geladen en verbruikt een kleine
hoeveelheid stroom, zelfs wanneer de (Standby/On)-
schakelaar zich in de positie Uit bevindt. Als u het instrument
gedurende een lange tijd niet gebruikt, zorg er dan voor dat
u de stekker van de netadapter uit het stopcontact haalt.
FF
FF
LET OP
WAARSCHUWING
F
Als u een aansluiting tot stand brengt, moet u erop letten dat de
kabelpluggen die u gebruikt overeenkomen met het type
aansluiting op de DTX-MULTI 12.
•Vermijd het langdurig gebruik op een hoog volume van de
hoofdtelefoon om gehoorschade te voorkomen.
LET OP
LET OP
DTX-MULTI 12
Hoofdtelefoon
MS100DRJ of MS50DRJ Electronic
Drum Kit-monitorsysteem enz.
PHONES-
aansluiting
OUTPUT L/MONO- en R-aansluitingen
AUX IN
Draagbare muziekspeler enz.
Configuratie
Gebruikershandleiding 11
De DTX-MULTI 12 aanzetten
1Nadat u luidsprekers, een audiospeler en enige
andere vereiste apparatuur hebt aangesloten, zet
u het volume van de DTX-MULTI 12 en alle andere
apparatuur als voorzorgsmaatregel geheel uit.
2Druk op de (Standby/On)-schakelaar op het
achterpaneel van de DTX-MULTI 12 om het
instrument in te schakelen.
Het openingsscherm wordt weergegeven, en daarna de pagina
Select Kit (van het KIT-instellingengebied).
Een mixer of andere MIDI-apparaten
aansluiten
Controleer of het volume van alle apparaten volledig is uitgezet.
Zet vervolgens één voor één alle apparaten aan in de volgende
volgorde: q MIDI-regelaars (masterapparaten), w MIDI-
ontvangers (slave-apparaten), e audioapparatuur (mixers,
versterkers, luidsprekers, enz.).
Als u het apparaat uitzet, moet u eerst het volume van alle apparaten
volledig uitzetten, en vervolgens de apparaten één voor één uitzetten in
omgekeerde volgorde (vergeleken met bovenstaande beschrijving; dus
eerst de audioapparatuur).
Een USB-geheugenapparaat
aansluiten
U kunt een USB-geheugenapparaat aansluiten op de USB TO
DEVICE-poort op het zijpaneel van de DTX-MULTI 12.
Voorzorgsmaatregelen tijdens het
gebruik van de USB TO DEVICE-poort
Ga voorzichtig te werk als u een USB-geheugenapparaat aansluit
op de USB TO DEVICE-poort en neem de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht.
Zie de gebruikershandleiding bij het USB-apparaat voor meer informatie
over het gebruik ervan.
Ondersteunde USB-apparaten
U kunt flashstations, externe harde schijven en andere met USB
compatibele apparaten voor massaopslag aansluiten voor gebruik
in combinatie met dit instrument.
De DTX-MULTI 12 biedt mogelijk niet voor elk in de handel
verkrijgbare USB-geheugenapparaat ondersteuning, en Yamaha
biedt geen garantie voor de werking van alle apparatuur die u kunt
kopen. Voordat u een USB-apparaat voor gebruik met dit
instrument aanschaft, kunt u daarom het beste uw Yamaha-dealer
of een geautoriseerde Yamaha-distributeur (zie het overzicht
achter in de gebruikershandleiding) raadplegen of de volgende
internetpagina bezoeken:
http://dtxdrums.yamaha.com
Andere USB-apparaten zoals een computertoetsenbord of muis, kunnen
niet worden gebruikt.
Een USB-geheugenapparaat aansluiten
Voordat u een USB-geheugenapparaat aansluit, moet
u controleren of de aansluiting ervan juist is voor de USB TO
DEVICE-poort van het instrument en dat beide dezelfde
richting hebben.
Deze poort biedt ondersteuning voor de USB 1.1-standaard, maar
u kunt ook USB 2.0-geheugenapparaten aansluiten en gebruiken.
Houd er rekening mee dat data in dit geval worden overgedragen
met USB 1.1-snelheid.
Een USB-geheugenapparaat gebruiken
Als u een USB-geheugenapparaat hebt aangesloten, kunt u data
die u hebt gemaakt opslaan en instellingen en audiodata
importeren.
Hoewel cd-r- en cd-rw-stations met USB kunnen worden gebruikt om data
op het instrument te laden, kunnen deze niet worden gebruikt om data
direct op te slaan. U kunt echter wel data verzenden naar een computer
met een cd-r- of cd-rw-station om data hierop via de computer op te slaan.
USB-geheugenapparaten formatteren
Bepaalde typen USB-geheugen moeten worden geformatteerd
voordat u deze in combinatie met dit instrument kunt gebruiken.
Zie pagina 97 voor meer informatie hierover.
FF
FF
≥≥≥≥≥YAMAHA
<<DTX-MULTI≥12>>
OPMERKING
DTX-MULTI 12
Aansluiting voor
USB-geheugen-
apparaat (harde
schijf enz.)
of
USB-geheugen-
apparaat
Als u een USB-geheugenapparaat formatteert, worden alle hierop
aanwezige data voorgoed gewist. Zorg er vóór het formatteren van
een dergelijk apparaat voor dat u een back-up hebt gemaakt van
de data op het apparaat, of dat u deze naar een andere locatie
hebt gekopieerd.
OPMERKING
OPMERKING
OPMERKING
LET OP
Configuratie
12 Gebruikershandleiding
Schrijfbeveiliging
Bepaalde typen USB-geheugenapparaten zijn mogelijk tegen
schrijven beveiligd om te voorkomen dat data ongewild worden
verwijderd. Als uw USB-geheugenapparaat belangrijke data
bevat, raden wij u aan om schrijfbeveiliging te gebruiken om te
voorkomen dat u de data per ongeluk wist. En als u data op dit
soort apparaat wilt opslaan, zorgt u ervoor dat u de
schrijfbeveiligingsfunctie uitschakelt.
Andere MIDI-apparaten aansluiten
Via (afzonderlijk verkrijgbare) standaard MIDI-kabels kunt
u andere MIDI-apparaten aansluiten via de MIDI IN- en MIDI
OUT-aansluitingen. Als u een MIDI-apparaat op deze wijze
aansluit, kunt u de DTX-MULTI 12 gebruiken voor het besturen
van synthesizers en andere geluidsmodules. Bovendien kunt u de
interne toongenerator van het instrument bespelen met behulp van
de andere aangesloten MIDI-apparaten. Deze en de vele andere
MIDI-functies zorgen voor veel grotere spel- en
opnamemogelijkheden.
Naast de twee ingebouwde MIDI-aansluitingen kunt u de USB TO HOST-
poort gebruiken voor het uitwisselen van MIDI-data. U kunt kiezen of u de
MIDI-aansluitingen of de USB TO HOST-poort wilt gebruiken voor dit
doeleinde op de pagina MIDI In/Out van de sectie MIDI van het UTILITY-
instellingengebied (zie pagina 91).
Een geluidsmodule of synthesizer
besturen
Gebruik een MIDI-kabel om de MIDI OUT-aansluiting van de
DTX-MULTI 12 aan te sluiten op de MIDI IN-aansluiting van het
apparaat dat u wilt besturen of bespelen.
De DTX-MULTI 12 besturen vanaf een
ander MIDI-apparaat
Gebruik een MIDI-kabel om de MIDI IN-aansluiting van de
DTX-MULTI 12 aan te sluiten op de MIDI OUT-aansluiting van
het besturende apparaat.
Synchronisatie met andere MIDI-apparaten
(master- en slave-apparaten)
Het afspelen van patronen op de DTX-MULTI 12 kan worden
gesynchroniseerd met het afspelen op een extern MIDI-apparaat.
Dit apparaat en andere MIDI-apparaten maken gebruik van een
interne clock om het tempo van het afspelen te besturen en als
twee van dergelijke apparaten worden gesynchroniseerd, moet
worden opgegeven welke clock door beide wordt gebruikt. Het
apparaat dat is ingesteld op het gebruik van de eigen interne clock
fungeert als referentie voor alle aangesloten apparaten en wordt
het 'master'-instrument genoemd. De aangesloten apparaten die
zijn ingesteld op het gebruik van een externe clock worden 'slaves'
genoemd. Als u apparaten bijvoorbeeld zoals hierboven hebt
aangesloten en u speldata wilt opnemen die afkomstig is van het
externe apparaat als patroon op de DTX-MULTI 12, is het
noodzakelijk om een extern MIDI-apparaat in te stellen als
master; bovendien moet de DTX-MULTI 12 worden ingesteld op
het gebruik van een externe clock voor synchronisatie. Druk
hiervoor eerst op de knop [UTILITY] om het UTILITY-
instellingengebied te openen, navigeer naar de MIDI-sectie
(UTIL6) met de knoppen [B]/[C], en druk op de knop
[ENTER]. Ga vervolgens naar de pagina MIDI Sync (UTIL6-6)
met behulp van de knoppen [B]/[C], en stel de parameter MIDI
Sync in op 'ext' of 'auto'.
De parameter MIDI Sync is standaard ingesteld op 'auto'.
Als u een type USB-geheugenapparaat met een eigen
voedingsbron gebruikt, moet u voorkomen dat u dit herhaaldelijk
in- en uitschakelt. Voorkom bovendien dat u de USB-kabels
herhaaldelijk aansluit en loskoppelt. Als u deze
voorzorgsmaatregel niet in acht neemt, kan de DTX-MULTI 12
vastlopen en niet langer werken.
Schakel een aangesloten USB-geheugenapparaat of de DTX-MULTI
12 nooit uit en koppel het geheugenapparaat nooit los terwijl dit
wordt gebruikt in het UTILITY-instellingengebied voor het opslaan,
laden of verwijderen van data of voor het formatteren. Als u deze
voorzorgsmaatregel niet in acht neemt, kunnen data op het USB-
geheugenapparaat of op de DTX-MULTI 12 beschadigd raken.
LET OP
OPMERKING
MIDI-kabel
Extern MIDI-apparaat
DTX-MULTI 12
MIDI IN-
aansluiting
MIDI OUT-
aansluiting
DTX-MULTI 12
MIDI IN-
aansluiting MIDI-kabel MIDI OUT-
aansluiting
Extern MIDI-apparaat
UTIL6-6≥≥≥<MIDI>
≥MIDI≥Sync=ext
auto
of
OPMERKING
Configuratie
Gebruikershandleiding 13
Aansluiten op een computer
De DTX-MULTI 12 is weliswaar zelf al uitzonderlijk krachtig en
veelzijdig, maar door deze via een USB-kabel op een computer
aan te sluiten, beschikt u over nog meer kracht en veelzijdigheid.
Via dit soort aansluiting kunnen MIDI-data vrij worden
overgedragen tussen het instrument en de computer. In deze sectie
wordt uitgelegd hoe u de vereiste verbindingen uitvoert.
Omdat de DTX-MULTI 12 niet beschikt over ingebouwde luidsprekers,
moet u een hoofdtelefoon of een externe versterker en luidsprekers
aansluiten om het geluid van het instrument te kunnen horen.
Zie pagina 10 voor details.
Een USB-kabel wordt niet bij het instrument geleverd. Gebruik om een
computer aan te sluiten een USB A-B-kabel die niet langer is dan 3 meter.
1Download de meest recente versie van het USB-
MIDI-stuurprogramma naar uw computer van de
volgende wegpagina: Nadat u op de knop
Download hebt geklikt, moet u het
gecomprimeerde bestand op een gemakkelijk te
vinden locatie opslaan en het bestand uitpakken.
http://www.global.yamaha.com/download/usb_midi/
•Op de bovenstaande website vindt u ook informatie over
systeemvereisten.
Het USB-MIDI-stuurprogramma kan zonder voorafgaande kennisgeving
worden aangepast en bijgewerkt. Bezoek vóór installatie bovenstaande
webpagina om de meest recente informatie te raadplegen en om te
controleren of u over de meest recente versie beschikt.
2Installeer het USB MIDI-stuurprogramma op
de computer.
Raadpleeg de handleiding bij het installatieprogramma van
het stuurprogramma voor instructies bij de installatie. Als in
de handleiding wordt vermeld dat u het Yamaha-product moet
aansluiten op de computer, doet u dit zoals hieronder wordt
uiteengezet.
3Als u het uitwisselen van MIDI-data via de USB TO
HOST-poort wilt inschakelen, drukt u op de knop
[UTILITY] om het UTILITY-instellingengebied te
openen en gaat u naar de pagina MIDI In/Out
(UTIL6-9).
4Stel de parameter MIDI IN/OUT in op 'USB'
(met behulp van de knop [+/INC], indien nodig).
5Druk op de knop [STORE] om deze instelling op
te slaan.
Voorzorgsmaatregelen tijdens het
gebruik van de USB TO HOST-poort
Neem de hieronder genoemde voorzorgsmaatregelen in acht als
u een computer aansluit via de USB TO HOST-poort. Als u dit
niet doet, loopt u het risico dat uw computer vastloopt en dat
gegevens verloren gaan of worden beschadigd. Als uw computer
of de DTX-MULTI 12 vastloopt, start u de toepassing die wordt
gebruikt opnieuw op, start u de computer opnieuw op of schakelt
u het instrument eenmaal uit en weer in.
Muziek maken met een computer
DTX-MULTI 12-speldata opnemen met
een DAW-toepassing
In de volgende sectie wordt beschreven hoe u uw spel kunt
opnemen met een DAW-toepassing die wordt uitgevoerd op een
aangesloten computer.
Normaal gesproken worden bij spel dat u wilt opnemen op de
computer de data die worden gegenereerd als u de pad raakt eerst
naar de computer gestuurd en dan naar het instrument
geretourneerd, zodat de interne toongenerator kan worden
bespeeld. Als lokale besturing van de DTX-MULTI 12 is
ingeschakeld (via de pagina Local Control (UTIL6-5) in het
gebied UTILITY), worden de speldata ook rechtstreeks naar de
toongenerator gezonden. Als gevolg hiervan ontstaat overlap
tussen de rechtstreekse en geretourneerde data, zodat het lijkt
alsof de pads twee keer zijn geraakt.
OPMERKING
OPMERKING
DTX-MULTI 12
USB-kabel
USB-
USB TO HOST-poort
Computer
UTIL6-9≥≥≥<MIDI>
MIDI≥IN/OUT=MIDI
UTIL6-9≥≥≥<MIDI>
MIDI≥IN/OUT=USB
Gebruik een USB A-B-kabel die niet langer is dan 3 meter.
•Voordat u de computer aansluit via de USB TO HOST-poort, haalt
u de computer uit een eventuele energiebesparende modus (zoals
de sluimerstand of stand-by).
Sluit de computer aan via de USB TO HOST-poort voordat u de
DTX-MULTI 12 inschakelt.
•Voer altijd de volgende stappen uit voordat u het instrument aan- of
uitzet, of de USB-kabel loskoppelt of aansluit.
Sluit alle applicaties af.
Zorg ervoor dat geen data worden verzonden vanaf de
DTX-MULTI 12. (Er worden data verzonden als de pads worden
bespeeld of als er een patroon wordt afgespeeld.)
Als er een computer is aangesloten, laat dan ten minste
6 seconden verstrijken tussen het moment dat u het instrument
in- en uitschakelt en het moment dat u de USB-kabel aansluit of
losmaakt.
LET OP
In de DTX-MULTI 12
Interne
toongenerator
On (aan)
Off (uit)
Er wordt geluid geproduceerd
Instellingen voor lokale besturing
Er wordt geen
geluid gepro-
duceerd
Configuratie
14 Gebruikershandleiding
Voor de meeste DAW-toepassingen kan MIDI Thru worden
ingeschakeld, en derhalve kunt u het systeem zoals hieronder
toegelicht instellen, waarbij lokale besturing van de DTX-MULTI
12 is uitgeschakeld, en waarbij de DAW-toepassing speldata
retourneert naar de interne toongenerator. Hierdoor kan spel
probleemloos worden opgenomen, zonder dat u elke pad twee
keer hoort.
•DAW is de afkorting van 'digital audio workstation'. DAW-toepassingen als
Cubase kunnen worden gebruikt voor het opnemen, bewerken en mixen
van audio- en MIDI-data op een computer.
We beschrijven nu hoe u de parameters kunt instellen voor het
opnemen van uw spel; allereerst op het instrument zelf en daarna
in de DAW-toepassing.
DTX-MULTI 12-instellingen:
Schakel lokale besturing als volgt uit.
1Druk op de knop [UTILITY] om het UTILITY-
instellingengebied te openen, navigeer naar de
MIDI-sectie (UTIL6) met de knoppen [BB
BB]/[CC
CC], en
druk op de knop [ENTER].
2Ga naar de pagina Local Control (UTIL6-5) met de
knoppen [BB
BB]/[CC
CC].
3Stel de parameter LocalCtrl in op 'off' (met de
knop [-/DEC], indien nodig).
4Druk op de knop [STORE] om deze instelling op
te slaan.
Als u lokale besturing op deze wijze uitschakelt, worden de
speldata die worden gegenereerd doordat de pads worden geraakt,
niet naar de interne toongenerator gezonden.
De parameters voor de DAW-toepassing instellen
Schakel MIDI Thru in de DAW-toepassing in. Met deze instelling
zorgt u ervoor dat wanneer speldata worden opgenomen op een
track in de toepassing, deze eveneens naar het externe MIDI-
systeem worden gezonden.
We gaan er bijvoorbeeld van uit dat speldata worden opgenomen
op Track 3 in de DAW-toepassing. We nemen tevens aan dat
MIDI-kanaal 1 is ingesteld op het retourneren van de speldata.
Als MIDI Thru vervolgens wordt ingeschakeld voor Track 3,
worden de speldata door de DAW-toepassing geretourneerd naar
de DTX-MULTI 12 tijdens het opnemen, en klinkt de interne
toongenerator van het instrument alsof het direct wordt bespeeld
(op kanaal 1).
Zie de handleiding bij de DAW-toepassing voor meer informatie over het
inschakelen van MIDI Thru.
Als lokale besturing op de DTX-MULTI 12 en MIDI Thru in de DAW-
toepassing beide worden uitgeschakeld, worden geen speldata verzonden
naar de interne toongenerator, direct noch indirect. Als gevolg hiervan
wordt geen geluid geproduceerd.
De DTX-MULTI 12 bespelen met MIDI-
data van een DAW-toepassing
Zoals hierboven is omschreven, kunt u de DTX-MULTI 12
instellen op het gebruik als multitimbrale toongenerator voor de
DAW-toepassing. Hierdoor kunt u de kwalitatief hoogwaardige
MIDI-toongenerator van het instrument gemakkelijk integreren in
uw configuratie voor muziekproductie. Zie pagina 13 voor meer
informatie over het aansluiten van de DTX-MULTI 12 op uw
computer.
1Stel de tracks van de DAW-toepassing in op
uitvoer van de MIDI-data naar de DTX-MULTI 12.
2Speel de MIDI-speldata af met de DAW-toepassing.
DTX-MULTI 12
USB TO HOST-poort
MIDI Thru
ingeschakeld in de
DAW-toepassing.
Computer
OUT
IN
OUTIN
Lokale besturing
LocalCtrl ='off'
Pads
Interne
toon-
generator
OPMERKING
UTIL6
≥≥≥≥≥≥MIDI
UTIL6-5≥≥≥<MIDI>
≥LocalCtrl=on
UTIL6-5≥≥≥<MIDI>
≥LocalCtrl=off
OPMERKING
Configuratie
Gebruikershandleiding 15
Cubase configureren voor
afstandsbediening
Dankzij een speciale functie kan de DTX-MULTI 12 Cubase op
afstand bedienen. U kunt bijvoorbeeld het Cubase-transport
bedienen, de metronoom van Cubase in- of uitschakelen en
verschillende andere functies besturen vanaf het voorpaneel van
het instrument, waarmee de doelmatigheid van de werkstroom
voor muziekproductie aanzienlijk wordt vergroot.
Computerinstellingen
Als u de Cubase-afstandsbediening voor het eerst instelt,
moet u de volgende stappen uitvoeren om uw computer correct
in te stellen.
1Download de meest recente versie van
de DTX-MULTI 12-uitbreiding naar uw computer
van de volgende wegpagina.
Sla het gecomprimeerde bestand op een gemakkelijk te
vinden locatie op en pak het bestand uit.
http://dtxdrums.yamaha.com
Controleer of het meest recente USB MIDI-stuurprogramma op uw
computer is geïnstalleerd (zie pagina 13).
Op de bovenstaande website vindt u ook informatie over
systeemvereisten.
De DTX-MULTI 12-uitbreiding kan zonder voorafgaande kennisgeving
worden aangepast en bijgewerkt. Bezoek vóór installatie
bovenstaande webpagina om de meest recente informatie
te raadplegen en om te controleren of u over de meest recente
versie beschikt.
2
Voer de DTX-MULTI 12-uitbreiding uit voor het
voltooien van de vereiste installatieprocedure.
Raadpleeg de gebruikershandleiding bij het pakket
dat u hebt gedownload voor meer informatie.
DTX-MULTI 12-instellingen
Telkens als de Cubase-functie voor afstandsbediening wordt
gebruikt, moet u de volgende stappen uitvoeren op de
DTX-MULTI 12.
1Ga in het UTILITY-instellingengebied naar de
pagina MIDI In/Out (UTIL6-9) en stel MIDI IN/OUT
in op 'USB'.
2Controleer of de DTX-MULTI 12 op juiste wijze op
uw computer is aangesloten en start Cubase.
Zie pagina 13 voor meer informatie over het aansluiten.
3Houd de knop [SHIFT] ingedrukt en druk op de
knop [MIDI].
Het bericht 'Cubase Remote' wordt weergegeven ter
bevestiging van de activering van de functie.
Als de modus Cubase Remote is geactiveerd, lichten de knoppen op
het voorpaneel op die u kunt gebruiken.
4Houd de [SHIFT] opnieuw ingedrukt en druk op
de knop [MIDI] als u de modus Cubase Remote
weer wilt uitschakelen.
Knopfuncties in de modus Cubase
Remote
Raadpleeg de gebruikershandleiding bij het pakket dat u hebt gedownload
voor meer informatie over het gebruik van de modus Cubase Remote.
OPMERKING
UTIL6-9≥≥≥<MIDI>
MIDI≥IN/OUT=USB
Knop Werking
[SHIFT] + [MIDI] Hiermee schakelt u de functie Cubase
Remote in of uit.
[KIT] Opent het venster 'VSTi'.
[PTN] Begint en stopt het afspelen.
[SHIFT] + [PTN] Begint het opnemen.
[-/DEC], [+/INC] Hiermee wordt een voorgeprogrammeerde
waarde met 1 verhoogd of verlaagd.
[B]Hiermee wordt het transport
teruggespoeld (REW).
[C]Hiermee wordt het transport snel
vooruitgespoeld (FF).
[D]Hiermee wordt het transport teruggespoeld
naar het begin van de song (TOP).
De clicktrack aan- en uitzetten.
<<≥≥≥Cubase≥≥≥>>
<<≥≥≥Remote≥≥≥>>
OPMERKING
OPMERKING
E
16 Gebruikershandleiding
Geluiden produceren met de pads
Om u zo snel mogelijk plezier te laten beleven van uw DTX-MULTI 12, leggen we in deze sectie allereerst de
basismethode uit om de pads met (afzonderlijk verkochte) drumsticks te bespelen, waarna we toelichten hoe
u verschillende kits kunt selecteren (of: verzamelingen padgeluiden).
Padnamen
Zoals u hieronder kunt zien, zijn de nummers 1 tot en met 12
toegewezen aan de ingebouwde pads. Deze nummers worden ook
op de overeenkomende posities aangeduid in de padindicator,
en lichten op als de bijbehorende pad wordt geraakt.
Op de pads slaan
Als u pads 4 tot en met 9 (de hoofdpads) bespeelt, moet u het
midden van de pad proberen te raken met het uiteinde van
de drumstick.
Als u pads 1 tot en met 3 en 10 tot en met 12 bespeelt
(de rimpads), moet u het midden van de pad proberen
te raken met de verwijding van de drumstick.
Steek uw vingers niet in de openingen tussen pads 1 en 3 en het
kunststofhuis van het instrument. Het negeren van deze
waarschuwing kan ertoe leiden dat uw vingers bekneld
of platgedrukt raken en letsel oplopen.
123
456
789
10 11 12
Padindicator
LET OP
Uiteinde
Gedeelte van de drumstick
dat u moet gebruiken
Pads 4 tot en met 9 bespelen
Verwijding
Gedeelte van de drumstick dat u moet gebruiken
Pads 1 tot en met 3 en 10 tot en met 12 bespelen
Geluiden produceren met de pads
Beknopte handleiding
Gebruikershandleiding 17
U kunt de padgevoeligheid aanpassen, zodat u de pads met de
hand kunt bespelen (zie pagina 19).
De drum- en andere instrumentgeluiden worden gezamenlijk aangeduid
als voorgeprogrammeerde voices en ritmische of muzikale frasen en
kunnen als patronen worden toegewezen aan de pads. Als u een pad
raakt waaraan een patroon is toegewezen, wordt het patroon eenmalig in
zijn geheel gespeeld (one-shot) of herhaald (loop), en de
overeenkomende lamp in de padindicator licht op. Als u de pad opnieuw
raakt die een herhaald patroon afspeelt, wordt het afspelen van het
patroon gestopt en gaat de lamp uit.
Als herhaalde patronen zijn toegewezen aan meerdere pads en u niet
langer weet welke pad daadwerkelijk wordt afgespeeld, kunt u al het
geluid uitschakelen dat wordt uitgevoerd door de knop [SHIFT] ingedrukt
te houden en op de knop [EXIT] te drukken.
Als u een pad te licht raakt of dichtbij de rand of een hoek, wordt de
overeenkomende lamp in de padindicator mogelijk niet ingeschakeld.
Dempen
Bij het dempen wordt een hand op een bespeeld percussie-
instrument geplaatst om het geluid ervan te stoppen; de pads op
de DTX-MULTI 12 ondersteunen deze speltechniek.
Als meerdere geluiden aan een pad zijn toegewezen, kunt u de
dempfunctie gebruiken om over te schakelen tussen deze
geluiden, zodat uw spel meer expressie krijgt.
Zie pagina 51 voor meer informatie over het overschakelen tussen
geluiden via dempen.
Een voorgeprogrammeerde kit
selecteren
De term 'kit' wordt gebruikt om te verwijzen naar een
verzameling geluiden (voorgeprogrammeerde voices, golven en
patronen) die worden geproduceerd als u een van de pads raakt,
en bij de DTX-MULTI 12 wordt een indrukwekkende
hoeveelheid speciaal samengestelde, voorgeprogrammeerde kits
geleverd. Met de hieronder beschreven procedure kunt u de
verschillende kits selecteren en van de verbazingwekkende
geluiden genieten die uw instrument kan produceren.
De schermen die in deze gebruikershandleiding worden weergegeven,
zijn uitsluitend voor instructiedoeleinden en kunnen enigszins afwijken van
uw DTX-MULTI 12.
1Druk op de knop [KIT] om de pagina Select
Kit te openen.
De knop [KIT] licht op.
2Gebruik de knoppen [-/DEC] en [+/INC] om
een nieuwe drumkit te selecteren.
Probeer de pads te bespelen met verschillende typen
kits geselecteerd.
Een aantal voorgeprogrammeerde kits is speciaal
geconfigureerd voor het met de hand bespelen. Als u een
van deze kits selecteert, wordt een handpictogram op het
scherm weergegeven, zoals u hieronder kunt zien.
Kits met een nummer dat wordt voorafgegaan door de letter
'U' zijn gebruikerskits (user kits) (of door de gebruiker
gedefinieerde kits). Met deze kits kunt u uw eigen
verzamelingen voorgeprogrammeerde voices,
patronen en golven maken en opslaan.
OPMERKING
OPMERKING
OPMERKING
KIT1
P001:PercsMaster
OPMERKING
KIT1≥≥≥≥≥≥≥ˇÁ
P001:PercsMaster
Kit die geschikt is voor met
de hand bespelen
KIT1
U001:User≥Kit
Door gebruiker gedefinieerde kit
Begint met 'U'
Geluiden produceren met de pads
18 Gebruikershandleiding
Voorgeprogrammeerde voices
toewijzen aan pads
In het volgende eenvoudige voorbeeld maken we een
gebruikerskit door een van de geluiden te vervangen die zijn
toegewezen aan de pads in een voorgeprogrammeerde kit.
We wijzen hierbij een voice toe aan pad 4 in de geselecteerde kit
en slaan de resulterende kit op in de lege gebruikerskit U001.
1Druk op de knop [KIT] om de pagina Select
Kit te openen.
2Gebruik de knoppen [-/DEC] en [+/INC] om
de kit te selecteren waarmee u wilt werken.
3Druk op de knop [VOICE] om de pagina
Select Voice te openen.
4Tik op pad 4 om deze te selecteren en om
het weergegeven padnummer te wijzigen
in .
U kunt echter ook de knipperende cursor naar het
padnummer verplaatsen, en het vervolgens
veranderen van in met behulp van
de knoppen [-/DEC] en [+/INC].
5Selecteer de voice die u wilt toewijzen aan
pad 4.
Verplaats de knipperende cursor naar de parameter
geheel links op de onderste rij tekst en gebruik de
knoppen [-/DEC] en [+/INC] om de voicecategorie en
het voicenummer te selecteren die u wilt toewijzen.
KIT1
P001:PercsMaster
KIT1
P009:Oak≥Custom
VCE01≥≥-º¡-≥≥≥
Cy013:Thin16Eg
-º¢-
-º¡-
-º¢-
VCE01≥≥-º¢-≥≥≥
Tm001:OakCtm≥H
Padnummer
VCE01≥≥-º¢-≥≥≥
Sn004:MapleCtm
VoicenaamVoicenummer
Voicecategorie
Voicecategorieën
Vergelijkbare voices worden gegroepeerd in
voicecategorieën. Naast melodische
instrumenten als pauken en marimba, kunt
u voicecategorieën selecteren met
voorgeprogrammeerde patronen,
gebruikerspatronen en golven. Raadpleeg het
afzonderlijke boekje Data List voor meer
informatie.
Geluiden produceren met de pads
Beknopte handleiding
Gebruikershandleiding 19
6Druk op de knop [STORE] en sla
de bewerkte kit op als gebruikerskit.
Selecteer zoals hier wordt weergegeven de lege
gebruikerskit U001 (gebruik indien nodig de knoppen
[-/DEC] en [+/INC]), en druk op de knop [ENTER].
De knop [STORE] licht op als instellingen zijn gewijzigd,
maar nog niet zijn opgeslagen in het interne geheugen van
de DTX-MULTI 12. De knop wordt derhalve uitgeschakeld als
de gewijzigde instellingen zijn opgeslagen.
7Wanneer u wordt gevraagd om te
bevestigen of u de kit wilt opslaan, drukt
u op de knop [ENTER] om verder te gaan.
8Selecteer gebruikerspad U001 en sla op
pad 4 om de voice weer te geven die u hebt
toegewezen.
Lagen
Met behulp van de laagfunctie kunt u een aantal verschillende
voices toewijzen aan één pad of externe regelaar. U kunt
maximaal vier lagen (A tot en met D) per pad instellen, wat
betekent dat u met elke pad tot wel vier verschillende voices kunt
afspelen. Bovendien kunt u een aantal verschillende afspeelmodi
gebruiken voor voices die zijn toegewezen aan lagen. U kunt
deze voices bijvoorbeeld tegelijkertijd activeren, u kunt een
andere voice afspelen telkens als de pad wordt geraakt of u kunt
overschakelen tussen aan en uit bij opeenvolgende tikken. Meer
informatie over lagen vindt u op pagina 32.
Met de hand spelen
De DTX-MULTI 12 beschikt over een aantal verschillende
voorgeprogrammeerde kits die geschikt zijn voor handpercussie,
dat wil zeggen: met hand spelen in plaats van met drumsticks.
Zoals hieronder wordt beschreven, kunt u op elk gewenst
moment een triggerinstelling gebruiken om de padgevoeligheid
aan te passen, zodat u de pads met de hand kunt bespelen.
De padgevoeligheid instellen voor het met de
hand bespelen
qHoud de knop [SHIFT] ingedrukt en druk op de knop
[UTILITY] om het instellingengebied Trigger te openen.
De pagina Select Trigger Setup wordt weergegeven.
wGebruik de knoppen [-/DEC] en [+/INC] om de
triggerinstelling 'P04: Hand' of 'P05: Finger' te selecteren.
Als u een vooraf geselecteerde kit voor handpercussie instelt, wordt de
padgevoeligheid (oftewel: de triggerinstelling) automatisch aangepast op
het met de hand bespelen.
Bij een zeer hoge padgevoeligheid is de kans op een fenomeen dat
overspraak wordt genoemd groter. Hierbij worden voor andere pads dan
de pads die u bespeelt geluiden geactiveerd vanwege trillingen of
storingen tussen de pads.
Zie pagina 99 voor meer informatie over het configureren van
triggerinstellingen in het instellingengebied Trigger.
Het bericht 'Please keep power on...' wordt
weergegeven wanneer de gegevens worden
opgeslagen. Het is uiterst belangrijk om de DTX-
MULTI 12 niet uit te schakelen voordat dit bericht
verdwijnt. Als u het instrument zou uitschakelen als
het bericht wordt weergegeven, kunnen alle
gebruikerskits voorgoed verloren gaan.
VCE≥Store≥to
U001:User≥Kit
Nummer van
gebruikerskit
Naam van
gebruikerskit
OPMERKING
≥≥≥KIT≥Store
≥Are≥you≥sure?≥≥
LET OP
≥≥Please≥keep
≥≥power≥on...
TRG1≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥
P01:Stick≥Wide≥≥
TRG1≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥˛¸
P04:Hand
OPMERKING
20 Gebruikershandleiding
Luisteren naar patronen
Op uw DTX-MULTI 12 is vooraf een groot aantal melodische en ritmische frasen geladen in de vorm van
voorgeprogrammeerde patronen. De eerste drie voorgeprogrammeerde patronen (eP001 t/m eP003) zijn
speciaal geconfigureerd voor weergave van het rijke spectrum aan geluid dat de DTX-MULTI 12 kan
produceren. De patronen die zijn genummerd met eP004 en hoger kunt u vrij toewijzen aan pads voor gebruik
in uw persoonlijke gebruikersdrumkits.
Luisteren naar demopatronen
1Druk op de knop [PTN] om de pagina
Select Pattern te openen.
De knop [PTN] licht op. Demopatronen zijn
genummerd van eP001 tot en met eP003.
2Druk nogmaals op de knop [PTN] als u het
afspelen van een demopatroon wilt starten.
De knop [PTN] knippert terwijl het demopatroon
wordt afgespeeld en de naam van het patroon wordt
weergegeven binnen de tekens '<<' en '>>' van de
bovenste rij met tekst. In de onderste rij met tekst
wordt de naam weergegeven van de kit die wordt
gebruikt voor het afspelen van het demopatroon.
3U kunt demopatroon stoppen door op een
andere knop dan [SHIFT] te drukken.
Luisteren naar voorgeprogrammeerde
patronen
1Druk op de knop [PTN] om de pagina
Select Pattern te openen.
2Selecteer het voorgeprogrammeerde
patroon waarnaar u wilt luisteren met
de knoppen [-/DEC] en [+/INC].
Selecteer een voorgeprogrammeerd patroon met
nummer eP004 of hoger.
3Druk nogmaals op de knop [PTN] als u het
afspelen van het geselecteerde
voorgeprogrammeerde patroon
wilt starten.
De knop [PTN] knippert tijdens het afpelen van het
voorgeprogrammeerde patroon.
4Druk op de knop [PTN] op de pagina Select
Pattern (PTN1) om het afspelen van het
patroon te stoppen.
Als u een voorgeprogrammeerd patroon wilt toewijzen aan
een pad, voert u de procedure uit die wordt beschreven op
pagina 18; selecteer bij stap 5 echter een
voorgeprogrammeerd patroon in plaats van een
voorgeprogrammeerde voice.
PTN1≥≥≥ƒ=120≥4/4
©P001:Demo≥01
≥<<Demo≥01>>
P039:Orchestra
PTN1≥≥≥ƒ=120≥4/4
©P004:80s≥Electo
OPMERKING
Beknopte handleiding
Gebruikershandleiding 21
Eigen patronen maken
Met de DTX-MULTI 12 kunt u ook gebruikerspatronen maken door uw eigen spel op te nemen. Net als met
voorgeprogrammeerde patronen kunt u deze gebruikerspatronen vrij toewijzen aan pads en afspelen.
Uw spel als patroon opnemen
Via onderstaande stappen gaan we een gebruikerspatroon maken
door ons spel op te nemen en dit vervolgens toe te wijzen aan pad 6.
1Gebruik de knop [PTN] om het
instellingengebied Pattern te openen en
gebruik de knoppen [-/DEC] en [+/INC] om
een leeg gebruikerspatroon te selecteren.
Lege gebruikerspatronen hebben de naam 'Empty Ptn'.
Als u een gebruikerspatroon selecteert dat al data bevat,
wordt het spel toegevoegd aan de betreffende data bij het
opnemen.
•U kunt twee bestaande patronen samenvoegen tot een nieuw
gebruikerspatroon (zie pagina 79).
2
Druk op de knop [KIT] om de pagina Select
Kit te openen en gebruik de knoppen [-/DEC]
en [+/INC] om de drumkit te selecteren die
u wilt gebruiken voor het opnemen van uw
patroon.
3
Houd de knop [SHIFT] ingedrukt en druk op
[PTN] om de modus Record te activeren.
De knop [PTN] licht rood op.
Als een voorgeprogrammeerd patroon is geselecteerd als
u de modus Record activeert, wordt het spel opgenomen in
een leeg gebruikerpatroon.
4Stel de vereiste opnamevoorwaarden in.
In het scherm Record Mode (REC) kunt u het tempo
en de maatsoort instellen van de clicktrack die u wilt
afspelen tijdens de opname, evenals de lengte van het
patroon in maten en een aantal andere belangrijke
parameters. Verplaats de knipperende cursor naar de
vereiste parameter met de knoppen [B], [D], en
[C], en wijzig de instelling met de knoppen [-/DEC]
en [+/INC].
Als u een gebruikerspatroon selecteert dat al data
bevat, wordt het spel toegevoegd aan de betreffende
data bij het opnemen. Als u dit wilt voorkomen, moet
u een leeg gebruikerspatroon selecteren voor de
opname.
PTN1≥≥≥ƒ=120≥4/4
©U003:Empty≥Ptn
Patroonnaam
LET OP
OPMERKING
KIT1
P001:PercsMaster
REC≥≥≥≥ƒ=120≥4/4
Meas=004≥Q=©≥≥-“
OPMERKING
REC≥≥≥≥ƒ=120≥4/4
Meas=004≥Q=©≥≥-“
t Afspeelmoduse Lengte
r Quantizeren
q Tempo w Maatsoort
qTempo: de snelheid van het patroon in
maten per seconde.
wMaatsoort: de maatsoort van het patroon
dat u wilt opnemen.
eLengte: de lengte van het patroon in maten.
rQuantizeren: de nauwkeurigheid van de
timingcorrectie voor het opgenomen
patroon.
tAfspeelmodus: het type patroon dat u wilt
opnemen (zoals one-shot of loop).
Eigen patronen maken
22 Gebruikershandleiding
5Druk op de knop [PTN] om het opnemen
te starten.
De DTX-MULTI 12 geeft een inleiding in twee
maten. Speel het patroon dat u wilt opnemen
vervolgens in de maat van de clicktrack.
6Het opnemen wordt automatisch gestopt
na het aantal maten dat is ingesteld als
patroonlengte bij stap 4 hierboven.
Het bericht 'Please keep power on...' wordt kort
weergegeven wanneer de gegevens worden opgeslagen.
•U kunt het opnemen altijd stoppen door op de knop [PTN] te
drukken. Alle tot op dat moment opgenomen speldata
worden opgeslagen.
Als herhaald afspelen is geselecteerd bij stap 4 hierboven,
kunt u het opnemen stoppen door op de knop [PTN] te
drukken.
7Als de pagina Pad Assign wordt
weergegeven, moet u op pad 6 slaan om
het padnummer weer te geven; druk
vervolgens op de knop [ENTER].
U kunt echter ook de knoppen [-/DEC] en [+/INC]
gebruiken om op deze pagina te selecteren.
Als u PadAssign instelt op 'off' wordt het opgenomen patroon
aan geen enkele pad toegewezen.
Hoewel u het opgenomen patroon op elk gewenst moment
vrij aan een pad kunt toewijzen, is het aan te raden om een
pad te gebruiken van de drumkit die u hierboven bij stap
1 hebt geselecteerd. Als u het toewijst aan een pad uit een
andere kit, wordt het patroon mogelijk niet afgespeeld zoals
het is opgenomen.
8Druk op de knop [KIT] om het KIT-
instellingengebied te openen.
9Druk op de knop [STORE] en sla de huidige
kit en de nieuwe patroontoewijzing op als
gebruikerskit.
Selecteer, zoals hier wordt weergegeven, een lege
gebruikerskit met de knoppen [-/DEC] en [+/INC], en
druk op de knop [ENTER].
10
Wanneer u wordt gevraagd om te
bevestigen of u de kit wilt opslaan, drukt
u op de knop [ENTER] om verder te gaan.
11
Selecteer de opgeslagen drumkit en sla
op pad 6 om het patroon weer te geven
dat u hebt toegewezen.
•U kunt maximaal 50 gebruikerspatronen opnemen op de
DTX-MULTI 12. Als u probeert om meer kits op te nemen dan
dit aantal, wordt het bericht 'Seq data is not empty'
weergegeven en wordt het opnemen beëindigd. Wis in een
dergelijk geval onnodige gebruikerspatronen (zie pagina 79)
en begin opnieuw met opnemen.
Als u de DTX-MULTI 12 tijdens het opnemen uitschakelt,
kan dit tot gevolg hebben dat de data voor alle
gebruikerspatronen verloren gaan. Schakel het
instrument dan ook nooit uit tijdens het opnemen.
Als u de DTX-MULTI 12 tijdens het opnemen uitschakelt
terwijl het bericht 'Please keep power on...' wordt
weergegeven, kan dit tot gevolg hebben dat de data voor
alle gebruikerspatronen verloren gaan. Schakel het
instrument dan ook niet uit als dit wordt weergegeven.
REC≥Meas=≥001
Now≥Recording...
De maat die momenteel wordt opgenomen
LET OP
≥Please≥keep≥≥≥
≥power≥on...
LET OP
OPMERKING
º§
REC
≥PadAssign=º§
Padnummer
OPMERKING
Het bericht 'Please keep power on...' wordt weergegeven
wanneer de gegevens worden opgeslagen. Het is uiterst
belangrijk om de DTX-MULTI 12 niet uit te schakelen
voordat dit bericht verdwijnt. Als u het instrument zou
uitschakelen als het bericht wordt weergegeven, kunnen
alle gebruikerskits voorgoed verloren gaan.
KIT1
P001:PercsMaster
VCE≥Store≥to
U001:User≥Kit
Nummer van gebruikerskit Naam van gebruikerskit
≥≥≥KIT≥Store
≥Are≥you≥sure?≥≥
LET OP
≥≥Please≥keep
≥≥power≥on...
OPMERKING
Beknopte handleiding
Gebruikershandleiding 23
1Sluit een USB-geheugenapparaat aan op
de USB TO DEVICE-poort op het zijpaneel.
Raadpleeg de sectie Een USB-geheugenapparaat aansluiten
op pagina 11 voor meer informatie over USB-
geheugenapparaten.
2
Druk op de knop [UTILITY] om het UTILITY-
instellingengebied te openen, gebruik de
knoppen [
BB
BB
]/[
CC
CC
] om naar de sectie FILE
(UTIL7) te gaan, en druk op de knop [ENTER].
3Ga naar de pagina Save File (UTIL7-1),
gebruik hiervoor indien nodig de knoppen
[BB
BB]/[CC
CC], en druk op de knop [ENTER].
4Stel de parameter Type in op 'All' (met de
knoppen [-/DEC] en [+/INC], indien nodig).
Druk op [ENTER] als u deze instelling hebt vastgelegd.
Zie pagina 93 voor meer informatie over het opslaan van data
met een instelling voor Type anders dan 'All'.
5Geef een naam op voor het bestand dat
u wilt opslaan.
Zie pagina 47 voor meer informatie over het invoeren
van tekens en het type tekens dat u kunt gebruiken
voor bestandsnamen.
Bestandsnamen kunnen uit maximaal acht tekens bestaan.
6Druk op [ENTER] als u de vereiste naam
hebt ingevoerd.
U wordt gevraagd om te bevestigen of u het bestand
wilt opslaan, en de knop [ENTER] knippert aan en uit.
OPMERKING
UTIL7
≥≥≥≥≥≥FILE
UTIL7-1
≥≥≥Save≥File
UTIL7-1-1
Type=All
OPMERKING
UTIL7-1-2
Name[≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥]
OPMERKING
≥≥≥Save≥File
≥Are≥you≥sure?
Data opslaan op een USB-geheugenapparaat
De data die u hebt gemaakt, zoals gebruikerskits en -patronen, kunt u gemakkelijk opslaan als gecombineerde
bestanden op een USB-geheugenapparaat. In het volgende voorbeeld maken we één bestand met alle data die
zijn gemaakt of gewijzigd in de verschillende instellingengebieden van de DTX-MULTI 12 op een dergelijk
apparaat.
Data opslaan op een USB-geheugenapparaat
24 Gebruikershandleiding
7Druk nogmaals op de knop [ENTER] om
verder te gaan.
Als er al een bestand met dezelfde naam bestaat op
het USB-geheugenapparaat, wordt u gevraagd of u dat
bestand wilt overschrijven. Als het betreffende
bestand overbodig is en kan worden overschreven,
drukt u op de knop [ENTER]. Als het oudere bestand
echter belangrijke data bevat, drukt u op de knop
[EXIT] om terug te gaan naar de pagina Name en
herhaalt u de procedure vanaf stap 5 hierboven, maar
gebruikt u een andere bestandsnaam.
Het bericht 'Now saving... EXIT] to cancel' wordt
weergegeven wanneer de gegevens worden
opgeslagen. Vervolgens wordt het bericht
'Completed.' weergegeven wanneer de data zijn
opgeslagen, en wordt op de display de pagina Save
File (UTIL7-1) opnieuw weergegeven, zoals bij stap
4 hierboven.
•Koppel het USB-geheugenapparaat niet los van de
USB TO DEVICE-poort en zet het USB-geheugena-
pparaat of de DTX-MULTI 12 niet uit terwijl gegevens
worden geladen of opgeslagen. Als u deze
voorzorgsmaatregel niet in acht neemt, kan dit tot
gevolg hebben dat het USB-geheugenapparaat of de
DTX-MULTI 12 permanent wordt beschadigd.
•Koppel USB-geheugenapparaten altijd los van de
DTX-MULTI 12 voordat u begint met spelen. Als u het
geheugenapparaat per ongeluk raakt met een
drumstick tijdens het spelen, kunt u het permanent
beschadigen en kunnen alle gegevens erop
verloren gaan.
≥Now≥Saving
[EXIT]≥to≥cancel
Completed
LET OP
LET OP
Beknopte handleiding
Gebruikershandleiding 25
Audiobestanden importeren
WAV- en AIFF-audiobestanden op uw computer en andere media kunnen worden geïmporteerd op de DTX-
MULTI 12 via USB-geheugenapparaten. Deze voices worden 'waves' genoemd en kunnen vervolgens worden
toegewezen aan pads en worden afgespeeld op dezelfde manier als andere voorgeprogrammeerde voices.
Met DTX-MULTI 12 kunnen uitsluitend 16-bits audiobestanden worden gebruikt. Als de audiobestanden die u wilt gebruiken
werden opgenomen met een andere bitdiepte, dient u ze eerst naar 16-bits te converteren, bijvoorbeeld met behulp van de
meegeleverde DAW-software. Meer informatie over de conversiemethode vindt u in de gebruiksaanwijzing van de DAW-software.
Met de DTX-MULTI 12 kunt u audiobestanden met een maximale lengte van ongeveer 23 seconden (bij 44,1-kHz, 16-bits audio)
importeren.
Houd er rekening mee dat, zelfs wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, andere factoren ertoe kunnen leiden dat
de audiobestanden incompatibel zijn met de DTX-MULTI 12.
OPMERKING
1Zorg ervoor dat het .wav- of .aiff-bestand
dat u wilt importeren zich in de hoofdmap
van het USB-geheugenapparaat bevindt.
U kunt het eventueel met een computer
naar de hoofdmap verplaatsen.
2Koppel het USB-geheugenapparaat los van
de computer en sluit het aan op het
instrument via de USB TO DEVICE-poort op
het zijpaneel.
3Druk op de knop [KIT] om de pagina Select
Kit te openen en selecteer de drumkit
waaraan u de geïmporteerde wave(s) wilt
toewijzen.
4Houd de knop [SHIFT] ingedrukt en druk
op de knop [WAVE] om de pagina Import
te openen.
5Gebruik de knoppen [-/DEC] en [+/INC] om
het audiobestand te selecteren dat u wilt
importeren.
6Druk op [ENTER] als u het gewenste
bestand hebt geselecteerd om het te
importeren.
7Als het audiobestand is geïmporteerd,
wordt de pagina Pad Assign geopend.
Selecteer de pad waaraan u de geïmpor-
teerde wave wilt toewijzen en druk op de
knop [ENTER].
KIT1
U001:User≥Kit
IMPORT
≥≥≥Surdo.WAV
•Koppel het USB-geheugenapparaat niet los van
de USB TO DEVICE-poort en zet het USB-
geheugenapparaat of de DTX-MULTI 12 niet uit
terwijl gegevens worden geladen. Als u deze
voorzorgsmaatregel niet in acht neemt, kan dit tot
gevolg hebben dat het USB-geheugenapparaat of
de DTX-MULTI 12 permanent wordt beschadigd.
Als het geselecteerde bestand geen 16-bits bestand
is, wordt het bericht 'Illegal wave data' weergegeven,
en wordt het importproces gestopt. In dat geval dient
u het bestand te converteren naar 16-bits,
bijvoorbeeld met behulp van de meegeleverde DAW-
software, en vervolgens het importproces opnieuw
uit te voeren.
Als er al een voice is toegewezen aan de
geselecteerde pad, wordt deze verwijderd en
vervangen door de geïmporteerde golf.
Now≥Importing...
[EXIT]≥to≥cancel
LET OP
IMPORT
≥PadAssign=º¡
LET OP
Audiobestanden importeren
26 Gebruikershandleiding
Als u PadAssign instelt op 'off', wordt de geïmporteerde golf
aan geen enkele pad toegewezen.
Geïmporteerde AIF- en WAV-audiobestanden worden als golf
opgeslagen of, in andere woorden, als een van de drie typen
DTX-MULTI 12-voices. Als zodanig kunt u deze op elk
gewenst moment, vrij toewijzen aan pads vanuit het
instellingengebied VOICE (zie pagina 56).
8Druk op de knop [KIT] om terug te keren
naar het instellingengebied KIT.
9Druk op de knop [STORE] en sla de huidige
kit en de nieuwe golftoewijzing op als
gebruikerskit.
Selecteer, zoals hier wordt weergegeven, een lege
gebruikerskit met de knoppen [-/DEC] en [+/INC],
en druk op de knop [ENTER].
10
Wanneer u wordt gevraagd om te
bevestigen of u de kit wilt opslaan, drukt
u op de knop [ENTER] om verder te gaan.
11
Sla op de pad waaraan de golf is
toegewezen als u de geïmporteerde golf
wilt afspelen.
Het bericht 'Please keep power on...' wordt
weergegeven wanneer de gegevens worden
opgeslagen. Het is uiterst belangrijk om de DTX-
MULTI 12 niet uit te schakelen voordat dit bericht
verdwijnt. Als u het instrument zou uitschakelen als
het bericht wordt weergegeven, kunnen alle
gebruikerskits voorgoed verloren gaan.
OPMERKING
VCE≥Store≥to
U001:User≥Kit
Nummer van
gebruikerskit
Naam van
gebruikerskit
≥≥≥KIT≥Store
≥Are≥you≥sure?≥≥
LET OP
≥≥Please≥keep
≥≥power≥on...
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Gebruikershandleiding 27
Intern ontwerp
In deze referentiesectie vindt u een beschrijving van wat plaatsvindt in de DTX MULTI 12 tussen het moment dat een
pad wordt geraakt en de uitvoer van een geluid uit de luidsprekers. Als u begrijpt hoe de signaalstromen werken en
intern worden verwerkt, kunt u de krachtige functies van dit veelzijdige instrument maximaal benutten.
Functionele blokken
USB
TO HOST
USB
TO DEVICE
Tr iggersignalen
Samenstelling van elke kit
Voorgeprogram-
meerde voices
Golven
Voorgeprogram-
meerde patronen
Gebruikerspatronen
MIDI-berichten MIDI-berichten
MIDI-berichten
Importeren
Importeren
Patronen
opnemen
Audio-uitgang
SMF-bestand
(Format 0)
WAV-bestand
AIFF-bestand
MIDI-uitgang
Draagbare
muziekspeler
enz.
Triggerinstelling (voorgeprogrammeerd of gebruiker)
Kit (voorgeprogrammeerd of gebruiker)
Interne toongenerator
Effecten
Reverb, chorus, variation en master EQ.
Voorgeprogrammeerde voices, golven
en patronen worden toegewezen aan
de ingebouwde pads, externe pads
en externe regelaars.
Elke pad kan maximaal vier lagen bevatten (A tot en
met D) waaraan voices kunnen worden toegewezen.
Signalen voor het
besturen van
externe toonge-
nerators en MIDI-
apparaten
Signalen voor het
besturen van de interne
toongenerator
Ingebouwde pads Externe pads, regelaars en voetschakelaars
PAD-aansluitingen
Tr iggersignalen
Referentie
Intern ontwerp
28 Gebruikershandleiding
Pads en triggersignalen
U bespeelt de DTX MULTI 12 door een van de twaalf
ingebouwde pads te raken en door de externe pads,
voetschakelaars of de andere regelaars te raken en te bedienen
die op het instrument zijn aangesloten met behulp van de
PAD-aansluitingen (M t/m Q), de HI-HAT CONTROL-
aansluiting en de FOOT SW-aansluiting. Als u dit type
handeling uitvoert, wordt er een triggersignaal met
verschillende speldata-items, zoals de kracht waarmee de pad
is geraakt, geproduceerd. Deze triggersignalen worden naar
een toongenerator verzonden, die in reactie hierop het
overeenkomende geluid produceert.
Ingebouwde pads (1 t/m 12)
Zoals u hieronder kunt zien, is aan elke van de ingebouwde
pads van de DTX MULTI 12 een uniek nummer toegewezen
tussen 1 en 12. Op de pagina’s met parameterinstellingen voor
configuratie van het instrument worden deze nummers
weergegeven in de indeling t/m zodat de
afzonderlijke pad kunnen worden onderscheiden. Hoewel de
pads 4 tot en met 9 (hoofdpads) en de pads 1 tot en met 3 en 10
tot en met 12 (rims) een verschillende vorm hebben, worden
ze allemaal op exact dezelfde wijze gebruikt. Als een pad
wordt geraakt, wordt de hieraan toegewezen voice, golf of het
toegewezen patroon afgespeeld.
PAD-aansluitingen (M t/m Q)
De triggeringangen op het achterpaneel worden gebruikt voor
het aansluiten van optionele pads. Daarnaast kunt u PAD-
aansluiting M gebruiken voor het aansluiten voor een pad met
drie zones, die drie verschillende typen triggersignalen
produceert op basis van de positie van de pad die wordt
geraakt. De DTX MULTI 12 behandelt de drie zones als
afzonderlijke pads, en geeft deze op het scherm weer als ,
en . De drie triggersignalen die bijvoorbeeld
worden uitgevoerd door een TP65S-drumpad met drie zones
worden zoals hieronder aangeduid.
A: Als een triggersignaal wordt ontvangen van rim 1 (rand), worden de
aan pad toegewezen voices gespeeld.
B: Als een triggersignaal wordt ontvangen van rim 2, worden de aan
pad toegewezen voices gespeeld.
C: Als een triggersignaal wordt ontvangen van de kop (head), worden
de aan pad toegewezen voices gespeeld.
Hoewel PAD N/O- en PAD P/Q-aansluitingen elk over
slechts een ingang beschikken, kunt u deze gebruiken om de
mono-uitgang aan te sluiten van een padpaar. Op deze manier
kan elke uitgang twee verschillende triggersignalen verwerken.
In de display worden de nummers , , en
gebruikt voor het aanduiden van de overeenkomende pads.
HI-HAT CONTROL-aansluiting
De HI HAT CONTROL-aansluiting wordt gebruikt voor het
aansluiten van een RHH135-hi-hat met twee zones (via de
bijbehorende HH CTRL-aansluiting) of een HH65 Hi-
hatregelaar (via de bijgehorende OUTPUT-aansluiting). Bij
het bespelen van de pad of bedienen van de regelaar, worden
door de DTX MULTI 12 triggersignalen ontvangen en
herkend voor hi-hat sluiten en hi-hat splash*. In de display
worden deze signalen respectievelijk aangeduid met
en .
*Hi-hat splash verwijst naar de techniek van geluid produceren door
het hi-hatpedaal snel in te drukken en weer los te laten.
•Parameters in verband met hi-hats kunt u instellen op de verschillende
pagina’s van de sectie HI-HAT (UTIL5) van het instellingengebied
UTILITY. (Zie pagina 89.)
º¡ ¡™
¡º ¡¡ ¡™
º¶ º• ºª
º¢ º∞ º§
º¡ º™ º£
¡£
¡£Ω¡ ¡£Ω™
¡£Ω¡ ¡£Ω™
¡£
A: Rim 1 B: Rim 2
C: Head
Voorbeeld: TP65S
¡£Ω¡
¡£Ω™
¡£
¡¢ ¡∞ ¡§ ¡¶
TP65
PCY65
Als een triggersignaal wordt ontvangen dat wordt
geproduceerd via het raken van de TP65-
drumpad met één zone, worden de voices die
zijn toegewezen aan pad afgespeeld.
¡¢
Voorbeeld:
Een TP65 en een PCY65 aansluiten via de PAD N/O-
aansluiting
Als een triggersignaal wordt ontvangen dat wordt
geproduceerd via het raken van de PCY65-
cimbaalpad met één zone, worden de voices die
zijn toegewezen aan pad afgespeeld.
¡∞
∂∂œ›
∂∂‘á
HH65
RHH135
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Intern ontwerp
Gebruikershandleiding 29
FOOT SW-aansluiting
De voetschakelaar-aansluiting wordt gebruikt voor het
aansluiten van een optionele hi-hatregelaar (FC4 of FC5
enz.), een hi-hatregelaar (HH65 enz.) of voetregelaar (FC7)
op de DTX MULTI 12. Op de display van het instrument
wordt een signaalingang via deze aansluiting aangeduid
met .
Als u aan de DTX MULTI 12 hebt gemeld welk type
regelaar of voetschakelaar is aangesloten, kunt
u vervolgens uw keuze maken uit een reeks handige
functies, die u hieraan kunt toewijzen. Hieronder wordt een
aantal voorbeelden beschreven.
Zorg ervoor dat u de DTX MULTI 12 altijd uitschakelt voordat u een
regelaar of voetschakelaar aansluit. Als u zich niet aan deze
voorzorgsmaatregel houdt, werkt de regelaar of voetschakelaar mogelijk
niet goed.
Een HH65 gebruiken als bassdrumpedaal
[Function]
Met de parameters geconfigureerd als hieronder
beschreven, kunt u een HH65 Hi-hatregelaar gebruiken
voor het bespelen van bassdrumvoices enzovoort.
Daarnaast kunt u net als met akoestische drums de toon van
het geluid beïnvloeden door de snelheid waarmee u de
regelaar indrukt. Verder kunt u drumgeluiden produceren
zonder de trillingen en het mechanische geluid dat typisch
is voor akoestische bassdrumpedalen.
[Setup]
Sluit de HH65 Hi-hatregelaar aan op de FOOT SW-
aansluiting terwijl de DTX MULTI 12 is uitgeschakeld.
Zet de DTX MULTI 12 aan.
Stel FootSwInSel to 'HH65' op de pagina Foot Switch
Input (UTIL4-2). (Zie pagina 89.)
Selecteer het volgende op de pagina Pad Function
(UTIL4-1) en stel Func in op 'off'. (Zie pagina 88.)
Open de pagina Select Voice (VCE1) en kies een voice,
zoals een bass drum, die u wilt toewijzen aan .
(Zie pagina 56.)
Geluiden afspelen met een FC4 of FC5
[Function]
Met de parameters geconfigureerd zoals hieronder
beschreven, kunt u geluiden afspelen via het bedienen van
de voetschakelaar FC4 of FC5. Triggersignalen die op deze
wijze worden gegenereerd, hebben een vaste aanslag en
zijn daarom ideaal voor het afspelen van effectgeluiden,
patronen en golven.
[Setup]
Sluit de voetschakelaar FC4 of FC5 aan op de FOOT
SW-aansluiting terwijl de DTX MULTI 12 is uitgeschakeld.
Zet de DTX MULTI 12 aan.
Stel FootSwInSel to 'ftSw' op de pagina Foot Switch Input
(UTIL4-2). (Zie pagina 89.)
Selecteer het volgende op de pagina Pad Function
(UTIL4-1) en stel Func in op 'off'. (Zie pagina 88.)
Open de pagina Select Voice (VCE1) en kies een
voorgeprogrammeerde voice, golf of een
voorgeprogrammeerd patroon, die of dat u wilt toewijzen
aan . (Zie pagina 56.)
Kits of patronen wijzigen met een FC4 of FC5
[Function]
Met de parameters geconfigureerd zoals hieronder
beschreven, kunt u de voetschakelaar FC4 of FC5
gebruiken om een aantal verschillende instellingen te
wijzigen. U kunt bijvoorbeeld een voetschakelaar bedienen
om de volgende kit of het volgende patroon te selecteren,
om het tempo met 1 te verhogen of te verlagen, of om de
clicktrack in of uit te schakelen. Verder kunt u ook een
MIDI-besturingswijzigingsberichtnummer en -waarde
instellen dat of die moet worden verzonden als de
voetschakelaar wordt ingedrukt.
[Setup]
Sluit de voetschakelaar FC4 of FC5 aan op de FOOT
SW-aansluiting terwijl de DTX MULTI 12 is uitgeschakeld.
Zet de DTX MULTI 12 aan.
Stel FootSwInSel to 'ftSw' op de pagina Foot Switch Input
(UTIL4-2). (Zie pagina 89.)
Selecteer het volgende op de pagina Pad Function
(UTIL4-1) en stel Func in op de functie die u wilt
besturen met de voetschakelaar. (Zie pagina 88.)
Het volume (of andere MIDI-besturingswijzi-
gingswaarden) aanpassen met een FC7
[Function]
Met de parameters geconfigureerd zoals hieronder
beschreven, kunt u het volume en andere MIDI-
besturingswijzigingswaarden aanpassen door de
pedaalhoek te wijzigen van een FC7-voetregelaar
(om MIDI-besturingswijzigingsberichten te verzenden).
De FC7 behoudt de huidige hoek nadat u uw voet hebt
verwijderd en is daarom ideaal geschikt voor het
aanbrengen van minieme wijzigingen in de parameter
die u bestuurt.
[Setup]
Sluit de voetregelaar FC7 aan op de FOOT SW-
aansluiting terwijl de DTX MULTI 12 is uitgeschakeld.
Zet de DTX MULTI 12 aan.
Stel FootSwInSel to 'FC7' op de pagina Foot Switch Input
(UTIL4-2). (Zie pagina 89.)
Selecteer het volgende op de pagina Pad Function
(UTIL4-1) en stel Func in op het MIDI-
besturingswijzigingsbericht dat u wilt besturen ('CC01' t/m
'CC95'). (Zie pagina 88.)
√¤‘’
OPMERKING
HH65
√¤‘’
√¤‘’
FC4, FC5
√¤‘’
√¤‘’
FC4, FC5
√¤‘’
FC7
√¤‘’
Intern ontwerp
30 Gebruikershandleiding
Het volume en andere parameters aanpassen met
een HH65
[Function]
Net als met een FC7-voetregelaar kunt u het volume en een
groot aantal MIDI-besturingswijzigingswaarden aanpassen
via het aanpassen van de mate waarin een HH65 Hi-
hatregelaar wordt bediend.
[Setup]
Sluit de HH65 Hi-hatregelaar aan op de FOOT SW-
aansluiting terwijl de DTX MULTI 12 is uitgeschakeld.
Zet de DTX MULTI 12 aan.
Stel FootSwInSel to 'HH65' op de pagina Foot Switch
Input (UTIL4-2). (Zie pagina 89.)
Selecteer het volgende op de pagina Pad Function
(UTIL4-1) en stel Func in op het MIDI-
besturingswijzigingsbericht dat u wilt besturen ('CC01' t/m
'CC95'). (Zie pagina 88.)
Akoestische drums gebruiken om
triggersignalen te genereren
U kunt optionele drumtriggers zoals de DT10 of DT20
gebruiken om het spel op akoestische drums om te zetten in
triggersignalen en deze in te voeren in het instrument.
U kunt zelfs drumtriggers toepassen op trainingpads om
triggersignalen te genereren.
Triggerinstellingen
Instellingen voor alle parameters die gekoppeld zijn aan de
padgevoeligheid worden tezamen een 'trigger setup' of
triggerinstelling genoemd. Naast de daadwerkelijke
gevoeligheid van de pad als deze wordt geraakt, kan een
triggerinstelling tevens parameterinstellingen bevatten die
zijn bedoeld om te voorkomen dat een paar triggersignalen
wordt geproduceerd in reactie op één aanslag (met andere
woorden dubbel triggeren) en dat ongewenste
triggersignalen worden geproduceerd door andere pads dan
die werden geraakt (met andere woorden overspraak).
De DTX MULTI 12 biedt ondersteuning voor vele
verschillende speelstijlen met sticks en de handen, en via
het kiezen van de meest geschikte triggerinstelling voor de
stijl die wordt gebruikt, kunt u ervoor zorgen dat de
triggersignalen correct worden verwerkt. U kunt
triggerinstellingen ook aanpassen om ervoor te zorgen dat
de triggersignalen van externe pads en regelaars op de best
mogelijke manier worden verwerkt.
Op de DTX MULTI 12 zijn standaard vijf
voorgeprogrammeerde triggerinstellingen geladen die
geschikt zijn voor allerlei verschillende behoeften en
vereisten, en u kunt maximaal tien triggerinstellingen voor
gebruikers maken, waarmee u aan uw eigen, afzonderlijke
vereisten kunt voldoen.
Optionele pads en drumtriggers gebruiken
met de PAD-aansluitingen
Als u afzonderlijk verkochte pads en/of drumtriggers
gebruikt, is het type triggersignaal dat wordt verwerkt
afhankelijk van de PAD-aansluitingen die worden gebruikt.
In de volgende tabel kunt u zien hoe de optionele pads en
drumtriggers werken als deze worden aangesloten op de
verschillende PAD-aansluitingen op het achterpaneel.
PAD M: Geschikt voor gebruik in combinatie met pads met twee
en drie zones. Niet geschikt voor padregelaars.
PAD N/O, PAD P/Q: Niet geschikt voor gebruik in combinatie
met pads met twee of drie zones of padregelaars.
A: Werkt als een pad met drie zones.
Als u een compatibel product gebruikt uit de TP-serie, kunt u de
voices afspelen die zijn toegewezen aan een van de twee
randsecties en aan de kopsectie. Als u een compatibel product
gebruikt uit de PCY-serie, kunt u de voices afspelen die zijn
toegewezen aan de boog-, rand- en komsectie.
B: Werkt als een pad met twee zones.
Als u een compatibel product gebruikt uit de RHH-serie, kunt u de
voices afspelen die zijn toegewezen aan de boog- en randsectie. Als
u een compatibel product gebruikt uit de PCY-serie, kunt u de voices
afspelen die zijn toegewezen aan de boog- en randsectie.
C: Werkt als een monopad.
Bezoek de volgende wegpagina voor de meest recente informatie over
ondersteuning voor optionele pads en drumtriggers.
http://dtxdrums.yamaha.com
HH65
√¤‘’
Model Productnaam
Ingang (PAD-
aansluitingen)
PAD MPAD N/O
PAD P/Q
TP65 Drumpad C C
TP65S Drumpad A C
TP100 Drumpad A C
TP120SD Snarepad B C
RHH130 Hi-hatpad B C
RHH135 Hi-hatpad B C
PCY65 Cimbaalpad C C
PCY65S Cimbaalpad B C
PCY130 Cimbaalpad C C
PCY130S Cimbaalpad B C
PCY130SC Cimbaalpad A C
PCY135 Cimbaalpad A C
PCY150S Cimbaalpad A C
PCY155 Cimbaalpad A C
KP65 Kickpad C C
KP125 Kickpad C C
DT10 Drumtrigger C C
DT20 Drumtrigger C C
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Intern ontwerp
Gebruikershandleiding 31
Geluiden die door de pad worden
geproduceerd
Als de interne toongenerator een triggersignaal ontvangt
dat wordt geproduceerd doordat een pad wordt geraakt of
een regelaar of voetschakelaar wordt bediend, wordt de aan
de pad, regelaar of voetschakelaar toegewezen voice
afgespeeld. Zoals hieronder wordt beschreven, zijn er drie
typen voices beschikbaar voor toewijzing:
voorgeprogrammeerde voices, patronen en golven.
Voorgeprogrammeerde voices
Drumgeluiden zoals snares, bassdrums en cimbalen;
percussiegeluiden en melodische geluiden van
muziekinstrumenten zoals piano, xylofoon en gitaar.
Patronen
Uit een shot bestaande of herhaalde frasen die speldata
bevatten voor een aantal verschillende instrumenten.
Golven
Audiobestanden die zijn geïmporteerd in de
DTX MULTI 12 van een aantal bronnen.
Als u een voice wilt toewijzen aan een pad, regelaar of de
voetschakelaar, opent u de pagina Select Voice (VCE1) in
het VOICE-instellingengebied door op de knop [VOICE] te
drukken (en indien nodig op de knop [B]). Op deze
pagina zijn de voices ingedeeld per instrumenttype (in het
geval van de voorgeprogrammeerde voices), als patronen
of als golven. Hoewel de voorgeprogrammeerde voices,
patronen en golven allemaal op dezelfde manier kunnen
worden toegewezen aan pads, moet u er rekening mee
houden dat elk type voice op een andere manier wordt
afgespeeld en met verschillende parameters wordt
geconfigureerd.
Voorgeprogrammeerde voices
Als elektronisch percussie-instrument dat wordt bespeeld
door de pads te raken, wordt de DTX MULTI 12 geleverd
met een zeer uitgebreide, voorgeprogrammeerde
bibliotheek met drumgeluiden, zoals snares, bassdrums en
cimbalen, en een uitgebreid aanbod aan percussie-
instrumentgeluiden. Tevens beschikt u over vele
melodische instrumentgeluiden, zoals piano, xylofoon en
gitaar. De term 'voorgeprogrammeerde voices' wordt
gebruikt om naar deze ingebouwde drum- en
instrumentgeluiden te verwijzen.
De drum- en percussievoices uit deze collectie van
voorgeprogrammeerde geluiden beschikken niet over
slechts één grondtoon; in plaats hiervan kunt u naar wens
de stemming aanpassen aan het geluid van de andere
instrumenten. U kunt de melodische voices met
instrumentgeluiden zoals piano en gitaar toewijzen aan
pads met een speciale stemming, zodat u verschillende
noten samen kunt spelen als akkoorden, of voices kunt
spelen die een halve toon in toonhoogte verschillen, die
zijn toegewezen aan de twaalf pads, zodat u vrij
melodische parts kunt spelen. De timing en kracht van uw
spel komt tot uitdrukking in het geluid dat wordt
geproduceerd door de voorgeprogrammeerde voices, zodat
uw spel vrijwel net zo expressief wordt als wanneer u de
akoestische instrumenten zou bespelen.
Patronen
De DTX MULTI 12 kan ook ritmische of melodische
frasen afspelen, die 'patronen' worden genoemd. Elk
patroon kan verschillende maten lang zijn en kan het geluid
van het spel op een groot aantal verschillende instrumenten
reproduceren. U kunt het afspelen van een patroon starten
en stoppen door de pad te raken waaraan het is toegewezen,
op dezelfde manier waarop u snaregeluiden kunt
produceren door de pad te raken waaraan de betreffende
snarevoice is toegewezen. Pads waaraan patronen zijn
toegewezen fungeren feitelijk als start/stopschakelaars als
deze worden geraakt (ongeacht hoe hard of zacht deze
worden geraakt). De DTX MULTI 12 wordt geleverd met
128 voorgeprogrammeerde patronen (waaronder 3
demopatronen) met speldata van een groot aantal
verschillende instrumentsoorten. Door deze naar wens toe
te wijzen aan de pads, kunt u geheel eigen en unieke kits
samenstellen. U kunt zelfs over nog grotere flexibiliteit
beschikken door uw eigen spel op te nemen en door
standaard-MIDI-bestanden (Format 0) te importeren,
waarmee u maximaal 50 aanvullende gebruikerspatronen
kunt maken.
Golven
De DTX MULTI 12 is volledig geschikt voor het afspelen
van audiobestanden die op computers kunnen worden
gemaakt, bewerkt en afgespeeld. Dergelijke bestanden
worden in het algemeen 'samples' of 'sampledata' genoemd
en bevatten korte geluidsfragmenten. Eenmaal in de
DTX MULTI 12 geïmporteerd, noemen we deze bestanden
echter 'waves'. U kunt audiobestanden van het type WAV of
AIFF importeren in het interne golfgeheugen van het
instrument en toewijzen aan pads zoals
u voorgeprogrammeerde voices en patronen toewijst.
U kunt geïmporteerde golven ook bewerken.
Bij het importeren van audiobestanden in het golfgeheugen
van het instrument, die vervolgens worden toegewezen aan
pads als enkele voice op een vergelijkbare wijze met
voorgeprogrammeerde voices en patronen, wordt de term
'golfdata' in deze handleiding gebruikt, op een
vergelijkbare wijze als de termen 'voorgeprogrammeerde
voicedata' of 'patroondata'. De term 'golfbestand' wordt
echter gebruikt om te verwijzen naar data die nog niet is
geïmporteerd en wordt verwerkt in de vorm van een
bestand op een computer, sampler of een USB-
geheugenapparaat.
Intern ontwerp
32 Gebruikershandleiding
Kitsamenstelling
De term 'kit' wordt gebruikt om te verwijzen naar een
collectie voorgeprogrammeerde voices, patronen en golven
die zijn toegewezen aan de ingebouwde pads (1 t/m 12) van
het instrument en aan eventuele externe pads,
voetschakelaars of regelaars die zijn aangesloten op de
PAD-aansluitingen (M t/m Q), de FOOT SW-aansluiting
en de HI-HAT CONTROL-aansluiting. Voor nog groter
gebruiksgemak wordt het instrument geleverd met
30 verschillende voorgeprogrammeerde kits. U kunt echter
geheel naar wens uw eigen, unieke kits samenstellen,
waarbij maximaal 200 gebruikerskits tevens intern kunnen
worden opgeslagen.
Kits en voices
In de DTX MULTI 12 worden voicedata gegroepeerd en
opgeslagen in kiteenheden. Met andere woorden: elke kit
bevat de voicegerelateerde informatie voor alle
bijbehorende pad- en regelaartoewijzingen. Als u een
gebruikerskit maakt via het bewerken van voices, worden
de voices zelf niet opgeslagen in de kit. In plaats daarvan
worden alle instellingen voor de gekoppelde parameters,
zoals de stemming, de stereopan, de attacktijd, releasetijd,
de effecten enzovoort, opgeslagen. Het is derhalve logisch
dat elke pad verschillende parameterinstellingen kan
hebben. En als u derhalve op de pagina Select Voice ziet
dat dezelfde voice is toegewezen aan twee of meer pads, is
het geluid van de voices dan ook niet noodzakelijkerwijs
hetzelfde.
Voicelagen
Met behulp van de laagfunctie van de DTX MULTI 12
kunt u een aantal verschillende voices toewijzen aan één
pad of externe regelaar. Op dit instrument kunt u maximaal
vier lagen (A t/m D) per pad instellen, wat betekent dat
u met elke pad tot wel vier verschillende voices kunt
afspelen. U kunt dergelijke gelaagde voices ook op een
aantal verschillende manieren activeren. U kunt ze
bijvoorbeeld allemaal tegelijk afspelen in Stack-modus,
u kunt een verschillende voice afspelen voor elke slag in
Alternate-modus of u kunt een sustain-effect toepassen en
de voice vervolgens uitschakelen met elke opeenvolgende
slag in de Hold-modus. U moet de betreffende pad eerst
instellen op het verzenden van meerdere MIDI-berichten
als deze wordt geraakt als u de Layer-functie wilt
gebruiken. Vervolgens worden de voices toegewezen aan
elke laag en wordt een laag-afspeelmodus opgegeven voor
de pad. Raadpleeg de sectie MIDI-nootnummers opgeven
en hieraan voices toewijzen op pagina 34 voor meer
informatie
Informatie in kits
Drie instellingengebieden zijn specifiek van toepassing op
kits: In het instellingengebied KIT kunt u een volume
opgeven, effecten configureren en andere parameters
instellen die van invloed zijn op de gehele kit; in het
instellingengebied VOICE kunt u voorgeprogrammeerde
voices, patronen en golven toewijzen aan elke pad,
voetschakelaar en regelaar, en kunt u tevens parameters
instellen zoals de stemming en het volume voor elke van de
toegewezen voices; in het instellingengebied MIDI kunt
u MIDI-gerelateerde parameters instellen die van invloed
zijn op de kit of individuele pads en regelaars. Het instellen
van een voorgeprogrammeerde voice, golf of patroon, die
wordt afgespeeld als een pad wordt geraakt, vereist de
volgende twee stappen.
1. Opgeven welk(e) MIDI-nootnummer(s) moet(en)
worden verzonden als een specifieke pad wordt
geraakt. (MIDI-instellingengebied)
2. Aanduiden welke voorgeprogrammeerde voice,
patroon of golf moet worden gespeeld voor elk MIDI-
nootnummer. (VOICE-instellingengebied)
In gevallen waarbij slechts een laag wordt ingesteld voor
een pad, kan de bovenstaande stap 1 worden overgeslagen.
(De vereiste instelling wordt automatisch vastgelegd als
u een voice selecteert bij stap 2.)
De twee methoden voor het toewijzen van voices worden
hieronder beschreven.
Een voice rechtstreeks toewijzen aan een pad
MIDI-nootnummers opgeven en hieraan voices
toewijzen
VCE1 -º¡- ç
GM001:GrandPiano
VCE1 -º¡- ¬
GM025:NylonGtr
VCE1 -º¡- œ
GM041:Violin
VCE1 -º¡- ˚
GM051:SynthStr1
Indeling van voicelagen
Laag A
Laag B
Laag C
Laag D
Als pad 1 wordt geraakt, worden lagen A
tot en met D gelijktijdig afgespeeld.
GM001:GrandPiano
GM025:NylonGtr
GM041:Violin
GM051:SynthStr1
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Intern ontwerp
Gebruikershandleiding 33
Een voice rechtstreeks toewijzen aan een pad
Om een voice rechtstreeks toe te wijzen aan een pad, moet
u eerst de in te stellen pad selecteren en vervolgens de
vereiste voice, golf of het vereiste patroon.
1
Druk om te beginnen op de knop [KIT] om het KIT-
instellingengebied te openen. Selecteer op de pagina
Select Kit (KIT1) de in te stellen kit. Druk vervolgens op
de knop [VOICE] om het VOICE-instellingengebied te
openen en navigeer naar de pagina Select Voice (VCE1).
2Verplaats de knipperende cursor naar de bovenste rij
tekst en gebruik de knoppen [-/DEC] en [+/INC] om de
pad of regelaar te selecteren die u wilt instellen. U kunt
een pad ook selecteren door erop te tikken. In de
onderste rij tekst ziet u de voice (een voorgeprogram-
meerde voice, golf of patroon) die momenteel is
toegewezen aan de geselecteerde pad of regelaar.
Verplaats de knipperende cursor naar de onderste rij
tekst en gebruik de knoppen [-/DEC] en [+/INC] om de
nieuwe voice in te stellen die u wilt toewijzen.
Als u dit proces herhaalt voor het toewijzen van
voorgeprogrammeerde voices, patronen en golven aan
alle pads en regelaars, kunt u snel en gemakkelijk een
geheel persoonlijke drumkit samenstellen. Bovendien
kunt u verschillende parameters, zoals volume,
stemming, stereopan en effectniveaus, instellen voor
de voices die u wilt toewijzen aan de verschillende pads
en regelaars.
3Als u deze procedure voor het configureren van een kit
hebt voltooid, kunt u deze opslaan als een van de
gebruikerskits van dit instrument.
VCE1≥≥-º¡-
Cy013:Thin16Eg
Voice die is toegewezen aan de pad of regelaar
Pad of regelaar die wordt ingesteld
Voorbeeld: Werken met voorgeprogrammeerde kit 1
Kitnaam
KIT-instellingengebied
VOICE-instellingengebied
Een voice* toewijzen aan
een regelaar die is
aangesloten via de HI-HAT
CONTROL-aansluiting.
Een voice* toewijzen aan
een regelaar of een
voetschakelaar die is
aangesloten via de
FOOT SW-aansluiting.
Voices toewijzen aan
pads die zijn aangesloten
via PAD-aanluiting
M
t/m
Q
.
Voices toewijzen aan
ingebouwde pads 1 tot
en met 12.
Instellingen die zijn vastgelegd in
het KIT-instellingengebied
•Volume van de complete kit.
• Kittempo
•Effectinstellingen voor de volledige kit
• Dempen
• Hi-hatinstellingen
enz.
Instellingen die zijn vastgelegd
in het VOICE-instellingengebied
Het volume van elke pad (of laag)
Stemming van elke pad
Stereopan van elke pad
•Effectinstellingen voor elke pad
enz.
*: U kunt geen voices toewijzen
aan een controller of
voetschakelaar waaraan al
een functie is toegewezen op
de pagina Pad Function
(UTIL4-1).
KIT1
P009:Oak≥Custom
VCE1≥≥-º¡-
Cy013:Thin16Eg
VCE1≥≥-¡™-≥≥≥≥≥ç
HH005:Brite≥Op
VCE1≥≥-¡£-
Sn001:Oak≥Custom
VCE1≥≥-¡£Ω¡-
Sn002:OakCtmOpRm
VCE1≥≥-¡£Ω™-
Sn003:OakCtmClRm
VCE1≥≥-¡¢-
Kk001:OakCtm22
VCE1≥≥-¡¶-≥≥≥≥≥ç
HH006:Brite≥EgOp
VCE1≥≥-√¤‘’-
-----:----------
VCE1≥≥-∂∂œ›-
HH003:Brite≥FtCl
VCE1≥≥-∂∂‘á-
HH004:Brite≥FtOp
Intern ontwerp
34 Gebruikershandleiding
MIDI-nootnummers opgeven en hieraan voices
toewijzen
De tweede methode voor het configureren van een pad
omhelst het instellen van een of meer MIDI-nootnummers
die worden verzonden als de pad wordt geraakt en die aan
de interne toongenerator doorgeven welke voices moeten
worden gespeeld als de MIDI-noten met de betreffende
nummers worden ontvangen. In tegenstelling tot de directe
aanpak die hierboven is omschreven, kunt u met deze
methode meerdere MIDI-nootberichten verzenden vanaf
een enkele pad en zo gelaagde of afwisselende voices
afspelen met behulp van de laagfunctie. Daarnaast kunnen
deze MIDI-nootberichten ook worden uitgevoerd via de
MIDI OUT-aansluiting of de USB TO HOST-poort voor
het besturen van een ander MIDI-instrument.
In het volgende voorbeeld stellen we de ingebouwde pad 1
in op het tegelijkertijd afspelen van twee voices als deze
wordt geraakt.
1Druk op de knop [KIT] om het KIT-instellingengebied te
openen. Selecteer op de pagina Select Kit (KIT1) de in
te stellen kit.
2Druk op de knop [MIDI] om het MIDI-instellingengebied
te openen en navigeer naar de pagina Select Message
Type (MIDI1).
Selecteer in de bovenste rij met tekst ' ' als de in
te stellen pad. Verplaats de knipperende cursor
vervolgens naar de onderste rij met tekst en stel de
parameter MessageType in op 'note' (waarmee wordt
aangeduid dat een MIDI-nootbericht wordt verzonden
als de pad wordt geraakt).
3Druk op de knop [ENTER] om de pagina Playing Mode
(MIDI1-1) te openen.
Stel de parameter Mode in de onderste rij in op 'stack'
(waarmee wordt aangeduid dat alle MIDI-noten die zijn
toegewezen aan de pad gelijktijdig worden afgespeeld).
Naast 'stack' kunt u de parameter Mode ook instellen op 'alternate',
waardoor de aan de pad toegewezen noten één voor één worden
afgespeeld telkens als de pad wordt geraakt, of op 'hold', waardoor de
noten opeenvolgend worden in- en uitgeschakeld als de pad wordt
geraakt. (Zie pagina 62.)
4Druk op de knop [CC
CC] om naar de pagina MIDI Note
(MIDI1-2) te gaan.
Op deze pagina kunnen we de MIDI-noten instellen die
door de pad moeten worden verzonden. De parameter
Note in de onderste rij met tekst wordt gebruikt voor het
instellen van een MIDI-nootnummer, terwijl de
indicator in de rechterbovenhoek weergeeft welke van
de vier lagen (A t/m D) van de pad wordt ingesteld.
Selecteer voorlopig 'D1/38' als de MIDI-noot die moet
worden verzonden naar laag A.
5Druk op de knop [VOICE] om het VOICE-
instellingengebied te openen en navigeer naar de
pagina Select Voice (VCE1).
Gebruik de knoppen [-/DEC] en [+/INC] in de bovenste
rij met tekst om 'D1/38' te selecteren, oftewel het MIDI-
nootnummer dat door laag A van pad 1 wordt
verzonden. Stel 'Sn001:OakCustom' in de onderste rij
met tekst in als de voice die moet worden afgespeeld
voor het betreffende MIDI-nootnummer.
Op basis van de nu vastgelegde instellingen wordt een MIDI-
noot met MIDI-nootnummer 38 (oftewel D1) verzonden naar
de interne toongenerator als pad 1 wordt geraakt. Hierop
reageert de toongenerator door de voorgeprogrammeerde
voice Sn001 (OakCustom) af te spelen.
Vervolgens stellen we pad 1 in op het tevens verzenden van
MIDI-nootnummer 40 (E1) als deze wordt geraakt, en
stellen we de interne toongenerator in op het afspelen van
voorgeprogrammeerde voice Cy013 (Thin16Eg) als reactie.
6Druk op de knop [MIDI] om het MIDI-
instellingengebied te openen en navigeer naar de pagina
MIDI Note (MIDI1-2).
Verplaats de knipperende cursor naar de indicator ' '
in de rechterbovenhoek en wijzig deze met de knop
[+/INC] in ' '. Ga terug naar de onderste rij met tekst
en stel 'E1/40' in als het MIDI-nootnummer dat moet
worden verzonden door laag B.
MIDI1≥-º¡-
MessageType=note
Pad
-º¡-
MIDI1-1≥-º¡-
≥Mode=stack
OPMERKING
MIDI1-2≥-º¡-≥≥≥ç
Note=≥≥≥D≥1/≥38
Laag
VCE1≥≥≥D≥1/≥38
Sn001:OakCustom
MIDI-nootnummer
Toegewezen voice
MIDI1-2≥-º¡-≥≥≥¬
Note=≥≥≥E≥1/≥40
Laag
ç
¬
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Intern ontwerp
Gebruikershandleiding 35
7
Druk op de knop [VOICE], ga naar de pagina Select
Voice (VCE1) en stel 'Cy013:Thin16Eg' net als hierboven
is omschreven in op de voice die moet worden
afgespeeld voor MIDI-noten met MIDI-nootnummer 40
(E1).
Als u uw DTX MULTI 12 op deze manier configureert en u
op de ingebouwde pad 1 tikt, worden twee MIDI-tonen met
MIDI-nootnummers 38 (D1) en 40 (E1) tegelijkertijd naar
de interne toongenerator gezonden, en reageert de
toongenerator door de voorgeprogrammeerde voices Sn001
(OakCustom) en Cy013 (Thin16Eg) samen af te spelen.
In het volgende diagram wordt geïllustreerd wat er precies
in het instrument gebeurt als pad 1 is ingesteld op het
tegelijkertijd afspelen van twee voices, zoals hierboven
beschreven.
De DTX MULTI 12 gebruiken als MIDI-
regelaar
In plaats van het verzenden van MIDI-nootberichten kunt
u de DTX MULTI 12 instellen op het verzenden van MIDI-
programmawijzigingsberichten, MIDI-besturings-
wijzigingsberichten enzovoort naar MIDI-apparaten die zijn
aangesloten via de MIDI OUT-aansluiting of de USB TO
HOST-poort als pads worden geraakt of externe regelaars
worden bediend. Met behulp van deze functionaliteit kunt u
pads gemakkelijk configureren voor het, bijvoorbeeld, starten
en stoppen van het afspelen op een MIDI-sequencer of het
wijzigen van de voorgeprogrammeerde instellingen op een
MIDI-instrument.
In tegenstelling tot het type regelaar dat wordt uiteengezet
in de sectie Pads en triggersignalen (zie pagina 28),
waarmee de DTX MULTI 12 kan worden bespeeld met
triggersignalen die worden verzonden vanaf een regelaar of
via een voetschakelaar die is aangesloten op de FOOT SW-
aansluiting, kan het instrument met de functie van MIDI-
regelaar de ingebouwde en externe pads bedienen als
uiterst veelzijdige MIDI-regelaars. Naast het selecteren van
de meestgebruikte gebruikerskits en -patronen of het
instellen van het tempo voor de clicktrack of het afspelen
van patronen, kunt u met deze krachtige functie ook MIDI-
besturingswijzigingsnummer (01 t/m 95) en -waarden
toewijzen aan pads, zodat een groot aantal unieke modi kan
worden gebruikt.
VCE1≥≥≥≥E≥1/≥40
Cy013:Thin16Eg
C0
240
D1
38
C7
108 127
E1
40
Ingebouwde pad 1 wordt geraakt.
Twee MIDI-noten ('D1/38' en
'E1/40') worden tegelijkertijd
naar de interne
toongenerator gezonden. MIDI-nootnummers op een standaardtoetsenbord.
De voices toegewezen aan
elke van de MIDI-noten
worden afgespeeld.
Cy013: Thin16Eg-
cimbaalgeluid
Sn001: OakCustom-
snaregeluid
Intern ontwerp
36 Gebruikershandleiding
Effecten
De effectprocessor die is ingebouwd in de DTX MULTI 12
past speciale audio-effecten toe op de uitvoer van de
toongenerator, om het geluid te wijzigen en verbeteren op
een groot aantal verschillende wijzen. Met deze effecten,
die normaal gesproken worden toegepast tijdens de laatste
fasen van de bewerking, kunt u het geluid optimaliseren op
basis van uw eigen specifieke vereisten.
Structuur van de effectprocessor
Met dit instrument kunnen effecten worden toegepast op de
uitvoer van de toongenerator met behulp van de volgende
vier effecteenheden.
Variation
Met variation-effecten kunt u het geluid op een groot aantal
verschillende manieren vormgeven. U kunt een specifiek
type variation-effect selecteren voor elke kit binnen de
sectie VARIATION (KIT4). U kunt tevens de mate opgeven
waarin het effect moet worden toegepast op elke laag op de
pagina Variation Send (VCE4-1).
Chorus
Choruseffecten passen de ruimtelijke eigenschappen van
het geluid aan waarop deze worden toegepast. U kunt een
specifiek type choruseffect selecteren voor elke kit binnen
de sectie CHORUS (KIT5). U kunt tevens de mate opgeven
waarin het effect moet worden toegepast op elke laag op de
pagina Chorus Send (VCE4-2).
Reverb
Reverbeffecten voegen een warme ruimtelijkheid aan geluid
toe door de complexe reflecties te simuleren van
daadwerkelijke speelomgevingen zoals een concertzaal of
een kleine club. U kunt een specifiek type reverb selecteren
voor elke kit binnen de sectie REVERB (KIT6). U kunt
tevens de mate opgeven waarin het effect moet worden
toegepast op elke laag op de pagina Reverb Send (VCE4-3).
•U kunt de mate waarin gebruikerspatronen worden verwerkt door deze
effecteenheden opgeven op de pagina Variation Send (PTN3-5), de pagina
Chorus Send (PTN3-6) en de pagina Reverb Send (PTN3-7); u kunt de
instellingen bovendien opslaan als onderdeel van de
gebruikerspatroondata.
Master EQ
De Master EQ verwerkt het algehele instrumentgeluid vóór
uitvoer en ondersteunt vijfbands toonregeling. Omdat deze
toonregeling wordt toegepast op het geluid van het
instrument als geheel en niet op het geluid van
afzonderlijke drumkits of voices, worden de Master EQ-
instellingen niet gewijzigd als een nieuwe drumkit wordt
geselecteerd. Om de overeenkomende parameters in te
stellen, kunt u de pagina’s voor het instellen van parameters
gebruiken in de sectie Master EQ (UTIL3) van het
UTILITY-instellingengebied.
Effectaansluiting
OPMERKING
AUX IN
Droog
signaal
Pan
KIT4-3
VarPan
KIT5-3
ChoPan
KIT6-3
RevPan
KIT4-4
VarToRev
(Natte lijn)
(Droge lijn)
Pan
Pan
*1: Clicktrack-voices kunnen niet naar effecten worden verzonden.
*2: Op de pagina Variation Send (VCE4-1) kunt u de gewenste balans instellen tussen de
hoeveelheid van het signaal waarop het effect niet van toepassing is (het zogenaamde droge
niveau) en de hoeveelheid die naar het effect wordt verzonden (het zogenaamde natte niveau).
*3: Master EQ wordt niet toegepast op de hoofdtelefoonuitvoer.
*4: Op externe audiosignalen (AUX IN) is geen enkel effect van toepassing.
KIT6-2
RevReturn
KIT3-2
VCE4-3
MIDI3-7
ReverbSend
KIT3-1
VCE4-2
MIDI3-6
ChorusSend
VCE4-1
MIDI3-5
Var(Dry) VARIATION
CHORUS
REVERB
KIT5-2
ChoReturn
KIT4-2
VarReturn
Master EQ
KIT4-5
VarToCho
KIT5-4
ChoToRev
KIT6
REVERB
KIT5
CHORUS
KIT4
VARIATION
*1
*2
*3
*4
UTIL3
MASTER EQ
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Intern ontwerp
Gebruikershandleiding 37
Effecten en effectcategorieën
De verschillende afzonderlijke effecten in de
effecteenheden van dit instrument zijn onderverdeeld in
een aantal categorieën. Hieronder volgt een beschrijving
van elke categorie en de effecten die deze bevat. Wij raden
u aan om deze beschrijvingen te raadplegen als u effecten
instelt. In de effecttabel voor elke categorie wordt
aangeduid welke effecteenheden – dus Reverb (Rev),
Chorus (Cho) of Variation (Var) – kunnen worden gebruikt
om het betreffende effect toe te passen. Een effect dat is
gemarkeerd met het symbool kunt u selecteren en
wijzigen op de pagina met parameterinstellingen van de
overeenkomende effecteenheid.
Compressor en EQ
De compressor is een effect dat gewoonlijk wordt gebruikt
om de dynamiek (volumeverschillen) van een audiosignaal
te begrenzen en te comprimeren. In het geval van zang,
gitaarparts en andere signalen die erg verschillen in
dynamiek, wordt het dynamische bereik door dit effect
'geknepen', waardoor in feite zachte geluiden harder en
harde geluiden zachter worden gemaakt. Bovendien
kunnen de eigenschappen voor attack en decay van het
compressoreffect worden aangepast, om het geluid van het
signaal meer of minder dynamisch te laten klinken. Bij
compressie over meerdere banden wordt de ingang
gesplitst in drie verschillende frequentiebanden die
onafhankelijk van elkaar worden verwerkt. U kunt dit type
effect derhalve beschouwen als de combinatie van
compressie met toonregeling.
Flanger & Phaser
Een flanger genereert een kolkend, metalig geluid,
vergelijkbaar met het geluid van een straalvliegtuig.
Hoewel dit effect gebruikmaakt van dezelfde
basisbeginselen als choruseffecten, gebruikt het kortere
vertragingstijden en omvat het tevens feedback, wat
resulteert in het zeer karakteristieke kolkende geluid. Het is
meer geschikt om selectief te worden gebruikt in een song,
dan voortdurend, zoals in bepaalde secties om variatie toe
te voegen. Een phaser daarentegen introduceert
faseverschuiving in het geluid dat wordt verwerkt voordat
het wordt geretourneerd aan de effectingang met een
feedbackcircuit, zodat een karakteristiek levendig, maar
warm geluid wordt verkregen. Dit effect is in het algemeen
zachter dan een flanger en kan worden gebruikt in een
groter aantal situaties; het wordt bijvoorbeeld vaak
gebruikt voor elektrische piano's om het geluid op een
aantal verschillende manieren warmer te maken.
Distortion
Zoals de naam suggereert wordt met het distortioneffect het
geluid vervormt dat door dit filter wordt verwerkt. Hiermee
wordt een geluid geproduceerd dat vergelijkbaar is met dat
van een versterker die te hard staat of waarin een signaal
wordt ingevoerd dat op zichzelf al hard genoeg is. Dit type
effect wordt veel gebruikt om een scherp, ruw geluid te
verkrijgen; het resulterende geluid is verder zeer vol en
heeft een lange sustain. Deze volheid wordt veroorzaakt
door het grote aantal harmonischen dat zich in de afgekapte
signalen bevindt. De langere sustain wordt niet veroorzaakt
doordat het oorspronkelijke geluid wordt gerekt, maar
wordt geproduceerd doordat het langzaam wegstervende
releasegedeelte dat normaal niet hoorbaar is, wordt
versterkt en vervormd.
Effecttype Var Beschrijving
Compressor Relatief snel werkende compressor die
geschikt is voor solospel.
MltBndComp Driebands compressor.
3-bands EQ Driebands compressor die tevens
toonregeling omhelst.
Vintage EQ Analoge vijfbands parametrische equalizer.
Enhancer
Hiermee worden hogere harmonischen
toegevoegd om de aanwezigheid van een
geluid te versterken.
Effecttype Cho Var Beschrijving
SPX Flanger ✓✓Geeft een kolkend, metalig geluid.
TempoFlanger ✓✓Flanger met temposynchronisatie.
PhaserMono Monophaser die analoge geluiden
vormt.
PhaserStereo Stereophaser die analoge geluiden
vormt.
TempoPhaser Phaser met temposynchronisatie.
Effecttype Var Beschrijving
AmpSim 1 Gitaarversterkersimulatie.
AmpSim 2 Gitaarversterkersimulatie.
CompDist Een combinatie van compressie en
distortion.
CompDistDly Een combinatie van compressie, distortion
en delay.
Intern ontwerp
38 Gebruikershandleiding
Wah
Met een wah-effect worden de frequentie-eigenschappen
van een filter gewijzigd, zodat een geheel uniek
filtersweepgeluid wordt gegenereerd. Auto wah wijzigt de
frequentie op cyclische wijze met een LFO, terwijl touch
wah filtersweeps uitvoert in reactie op het volume van het
ingangssignaal.
Reverb
Met reverbeffecten wordt de complexe nagalm nagebootst
die wordt geproduceerd door geluid in afgesloten ruimten.
Hierdoor wordt een natuurlijk klinkende sustain toegevoegd,
waarmee een gevoel van diepte en ruimte wordt
geproduceerd. U kunt bovendien verschillende typen reverb
– zoals zaal, kamer, podium en plaat – gebruiken voor het
simuleren van het geluid van akoestische omgevingen van
verschillende afmetingen en eigenschappen.
Chorus
Chorus reproduceert het geluid van meerdere instrumenten
die samenspelen voor een vollere, diepere toon. Omdat alle
instrumenten licht van elkaar verschillende qua toonhoogte
en fase, produceert het samenspel een algeheel geluid dat
warmer en ruimtelijker is. Choruseffecten maken gebruik
van vertraging om dit type gedrag na te bootsen. Er wordt
meer specifiek een vertraagde en tweede versie van het
oorspronkelijke signaal geproduceerd, waardoor een
vibrato-effect ontstaat doordat de vertragingstijd wordt
gevarieerd voor een periode van ongeveer een seconde met
een LFO. Als deze tweede versie opnieuw wordt gemengd
met het oorspronkelijke signaal, klikt de resulterende toon
alsof meerdere instrumenten samenspelen.
Tremolo & Rotary
Tremolo-effecten worden gekenmerkt door de manier
waarop het volume wordt gemoduleerd op cyclische wijze.
Bij auto-paneffecten wordt het geluid van links naar rechts
verplaatst op vergelijkbare cyclische manier; een roterend
luidsprekereffect simuleert de karakteristieke vibrato van
roterende luidsprekers die vaak in orgels worden gebruikt.
In een roterende luidspreker worden de hoorn en rotor
rondgedraaid, zodat een uniek geluid wordt verkregen met
behulp van het Doppler-effect.
Effecttype VAR Beschrijving
AutoWah Automatisch wah-effect dat een analoog
geluid produceert.
TouchWah Klassiek wah-effect dat reageert op het
volume.
TouchWahDist Touch wah waarop vervorming wordt
toegepast bij de uitgang.
Effecttype Rev Var Beschrijving
SPX Hall ✓✓
Emulatie van de akoestiek van een
zaal met behulp van een algoritme
afgeleid van de klassieke Yamaha
SPX1000 Digital Multi-Effects
Processor.
SPX Room ✓✓
Emulatie van de akoestiek van een
kamer met behulp van een
algoritme afgeleid van de klassieke
Yamaha SPX1000 Digital Multi-
Effects Processor.
SPX Stage ✓✓
Emulatie van de akoestiek van een
podium met behulp van een
algoritme afgeleid van de klassieke
Yamaha SPX1000 Digital Multi-
Effects Processor.
R3 Hall
Emulatie van de akoestiek van een
concertzaal met behulp van een
algoritme afgeleid van de Yamaha
ProR3, een digitale reverberator
voor professionele
audiotoepassingen.
R3 Room
Emulatie van de akoestiek van een
kamer met behulp van een
algoritme afgeleid van de
bovengenoemde Yamaha ProR3.
R3 Plate
Emulatie van de reverb van een
plaat met behulp van een algoritme
afgeleid van de bovengenoemde
Yamaha ProR3.
EarlyRef Eerste reflecties zonder
daaropvolgende nagalm.
GateReverb Simulatie van gated reverb.
ReverseGate Simulatie van gated reverb,
omgekeerd afgespeeld.
Effecttype Var Cho Beschrijving
G Chorus ✓✓
Volle, diepe chorus met complexe
modulatie.
2 Modulator ✓✓
Choruseffect waarbij de toonhoogte
en amplitude kunnen worden
aangepast voor een meer natuurlijke
en ruimtelijke toon.
SPX Chorus ✓✓
Versterkt de modulatie en
ruimtelijkheid met een LFO in drie
fasen.
Symphonic ✓✓
Een multifasemodulatie voor een
breder klinkende chorus.
Ensemble
Chorus zonder modulatie die wordt
geproduceerd door het toevoegen
van een geluid met kleine
toonhoogteverschuiving.
Effecttype Var Beschrijving
AutoPan Verplaatst het geluid cyclisch tussen het
linker- en rechterkanaal.
Tremolo Moduleert het volume van het verwerkte
signaal cyclisch.
RotarySp Draaiende luidsprekersimulatie.
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Intern ontwerp
Gebruikershandleiding 39
Delay
Bij vertragingseffecten wordt een vertraagde versie
gegenereerd van het ingangssignaal, dat op deze manier
kan worden gebruikt voor allerlei doeleinden, zoals het
toevoegen van ruimtelijkheid en volheid aan het geluid.
Diversen
Deze categorie bevat effecttypen die niet zijn opgenomen
in de overige categorieën.
Effectparameters
De bovengenoemde parameters beschikken over een aantal
parameters waarmee u de wijze kunt aanpassen waarop het
ingangssignaal wordt verwerkt. Met behulp van deze
parameters kunt u het gedrag van elk effect optimaliseren
op basis van, bijvoorbeeld, het type geluid dat wordt
verwerkt of het type muziek dat wordt gespeeld. De functie
van elke parameter wordt in de volgende tabel beschreven;
het is echter aan te raden om tevens te luisteren naar de
manier waarop het geluid van het betreffende effect
daadwerkelijk wordt gewijzigd, zodat u de beste
instellingen kunt vinden.
Parameters met identieke namen
Bepaalde effecten beschikken over parameters met identieke namen,
die echter verschillende functies vervullen. In de volgende tabel wordt
de functie van dergelijke parameters afzonderlijk beschreven, en worden
de overeenkomende effecten aangeduid.
*1 De instelling van de Bottom-parameter is alleen geldig wanneer de
waarde kleiner is dan die van de Top-parameter.
*2 De instelling van de Color-parameter sorteert geen effect bij
bepaalde combinaties van de instellingen Mode en Stage.
Effecttype Var Beschrijving
CrossDelay
Een aantal vertragingen waarop
kruislingse terugkoppeling wordt
toegepast, zodat een geluid wordt
geproduceerd dat heen en weer kolkt
tussen het linker- en rechterkanaal.
TempoCrosDly
Een aantal vertragingen waarop
kruislingse terugkoppeling en een
vertraging met temposynchronisatie
worden toegepast.
TempoDlyMono
Een enkele monovertraging
gesynchroniseerd met het tempo van het
instrument.
TempoDlySt Een stereovertraging gesynchroniseerd
met het tempo van het instrument.
Delay LR Een vertraging met een afzonderlijk linker-
en rechterkanaal.
Delay LCR
Een drievoudige vertraging waarbij het
linker-, rechter- en middenkanaal
afzonderlijk wordt bewerkt.
Delay LR St Een stereovertraging met een volledig
onafhankelijk linker- en rechterkanaal.
Effecttype Var Beschrijving
Isolator
Hiermee wordt het volume van afzonderlijke
frequentiebanden geregeld met behulp van
krachtige filters.
Telephone
Hiermee wordt het geluid van een stem via
de telefoon gesimuleerd doordat de hoge en
lage frequenties worden afgekapt.
TalkingMod Hiermee wordt een formant van het type
klinker in het ingangssignaal opgenomen.
PitchChange Verandert de toonhoogte van het
ingangssignaal.
Parameter
naam
Beschrijvingen
AMDepth Met deze parameter wordt de diepte van de
amplitudemodulatie ingesteld.
AmpType Met deze parameter wordt het type versterker ingesteld
dat zal worden nagebootst.
Attack Met deze parameter wordt de hoeveelheid tijd ingesteld
die verstrijkt voordat compressie volledig wordt toegepast.
Bottom*
1
Met deze parameter wordt het laagste punt ingesteld van
het sweepbereik van het filter.
Color*
2
Met deze parameter wordt de vaste-fasemodulatie
ingesteld.
CommonRel
Met deze parameter wordt de hoeveelheid tijd ingesteld
die verstrijkt voordat de compressor de verwerking van het
ingangssignaal stopt (algemene instelling voor de drie
banden).
Compres
Met deze parameter wordt het niveau van het
ingangssignaal ingesteld waarbij de processor begint met
verwerking van het geluid (de drempel).
Cutoff Met deze parameter wordt de offsetwaarde ingesteld voor
de besturingsfrequentie van het filter.
Delay
[TempoDlyMono en TempoDlySt]
Met deze parameter wordt de vertragingstijd ingesteld in
nootlengten.
DelayC Met deze parameter wordt de vertragingstijd ingesteld
voor het middenkanaal.
DelayL Met deze parameter wordt de vertragingstijd ingesteld
voor het linkerkanaal.
DelayL>R
Met deze parameter wordt de tijd ingesteld die verstrijkt
tussen de invoer van het geluid in het linkerkanaal en de
uitvoer via het rechterkanaal.
DelayR Met deze parameter wordt de vertragingstijd ingesteld
voor het rechterkanaal.
DelayR>L
Met deze parameter wordt de tijd ingesteld die verstrijkt
tussen de invoer van het geluid in het rechterkanaal en de
uitvoer via het linkerkanaal.
Density
[Reverbeffecten anders dan EarlyRef]
Met deze parameter wordt de reverbdichtheid ingesteld.
[Early Ref]
Met deze parameter wordt de dichtheid van eerste
weerkaatsingen ingesteld.
Depth
[PhaserMono en PhaserStereo]
Met deze parameter wordt de amplitude van de LFO-golf
ingesteld die cyclische veranderingen in de fasemodulatie
regelt.
Detune Met deze parameter wordt de mate ingesteld waarmee
toonhoogten worden verstemd.
Device
Met deze parameter wordt een van een aantal apparaten
geselecteerd voor het op verschillende manieren
vervormen van geluid.
Diffuse
[TempoPhaser en EarlyRef]
Met deze parameter wordt de ruimtelijkheid van het
gegenereerde geluid aangepast.
[Reverbeffecten anders dan EarlyRef]
Met deze parameter wordt ingesteld hoe breed de
reverb klinkt.
Directn Met deze parameter wordt de richting ingesteld van
envelopevolgermodulatie.
Div.FreqH Met deze parameter wordt de mid-high frequentie
ingesteld voor het in drie banden verdelen van het geluid.
Div.FreqL Met deze parameter wordt de low-mid frequentie ingesteld
voor het in drie banden verdelen van het geluid.
OPMERKING
Intern ontwerp
40 Gebruikershandleiding
Parameter
naam Beschrijvingen
DlyLvlC Met deze parameter wordt het vertragingsvolume ingesteld
voor het middenkanaal.
DlyMix Met deze parameter wordt de mixniveau ingesteld voor het
vertraagde geluid.
DlyOfst Met deze parameter wordt de offsetwaarde ingesteld van
de tijd voor de modulatievertraging.
Drive Met deze parameter wordt de mate ingesteld waarmee het
effect wordt toegepast.
DriveHorn
Met deze parameter wordt de modulatiediepte ingesteld
die wordt geproduceerd door de rotatie van de
hogefrequentiehoorn.
DriveRotor
Met deze parameter wordt de modulatiediepte ingesteld
die wordt geproduceerd door de rotatie van
de lagefrequentiehoorn.
DstL.Gain
Met deze parameter wordt de mate ingesteld waarmee
de lage frequenties van het vervormde geluid worden
versterkt of afgekapt.
DstM.Gain
Met deze parameter wordt de mate ingesteld waarmee
de middenfrequenties van het vervormde geluid worden
versterkt of afgekapt.
Edge Met deze parameter wordt een curve ingesteld die bepaalt
hoe het geluid wordt vervormd.
EQ1Freq Met deze parameter wordt de afsnijfrequentie ingesteld
voor de EQ1-band (laag-af).
EQ1Gain Met deze parameter wordt de versterking ingesteld voor
de EQ1-band (laag-af).
EQ2Freq Met deze parameter wordt de middenfrequentie ingesteld
voor de EQ2-band.
EQ2Gain Met deze parameter wordt de versterking ingesteld voor
de EQ2-band.
EQ2Q Met deze parameter wordt de resonantie ingesteld voor
de EQ2-band.
EQ3Freq Met deze parameter wordt de middenfrequentie ingesteld
voor de EQ3-band.
EQ3Gain Met deze parameter wordt de versterking ingesteld voor
de EQ3-band.
EQ3Q Met deze parameter wordt de resonantie ingesteld voor
de EQ3-band.
EQ4Freq Met deze parameter wordt de middenfrequentie ingesteld
voor de EQ4-band.
EQ4Gain Met deze parameter wordt de versterking ingesteld voor
de EQ4-band.
EQ4Q Met deze parameter wordt de resonantie ingesteld voor
de EQ4-band.
EQ5Freq Met deze parameter wordt de afsnijfrequentie ingesteld
voor de EQ5-band (hoog-af).
EQ5Gain Met deze parameter wordt de versterking ingesteld voor
de EQ5-band (hoog-af).
ER/Rev Met deze parameter wordt het relatieve volume van eerste
weerkaatsingen en nagalm ingesteld.
F/RDpth
Met deze parameter wordt de diepte van de F/R-pan
(vooraan/achteraan) ingesteld (alleen geldig wanneer
PanDirectn is ingesteld op 'Lturn' of 'Rturn').
FBHiDmp
Met deze parameter wordt ingesteld hoe het
feedbackgeluid wegsterft in de hoogfrequentieband
(waarbij lagere waarden overeenkomen met sneller
wegsterven).
FBLevel
[Choruseffecten, delay-effecten en TempoFlanger]
Met deze parameter wordt ingesteld hoeveel van het
vertraagde geluid wordt teruggekoppeld naar de ingang
van het effect (waarbij negatieve waarden aanduiden dat
de fase moet worden omgekeerd).
[TempoPhaser]
Met deze parameter wordt ingesteld hoeveel van de uitvoer
van de phaser wordt teruggekoppeld naar de ingang
hiervan (waarbij negatieve waarden aanduiden dat de fase
moet worden omgekeerd).
[Reverb effects]
Met deze parameter wordt het feedbackniveau van
de initiële vertraging ingesteld.
FBLvl1 Met deze parameter wordt de feedbackniveau ingesteld
voor het geluid van de eerste vertraging.
FBLvl2 Met deze parameter wordt de feedbackniveau ingesteld
voor het geluid van de tweede vertraging.
FBTime Met deze parameter wordt de vertragingstijd van
de feedback ingesteld.
FBTime1 Met deze parameter wordt de vertragingstijd voor
feedbackvertraging 1 ingesteld.
FBTime2 Met deze parameter wordt de vertragingstijd voor
feedbackvertraging 2 ingesteld.
FBTimeL Met deze parameter wordt de vertragingstijd ingesteld voor
de linkerfeedbackvertraging.
FBTimeR Met deze parameter wordt de vertragingstijd ingesteld voor
de rechterfeedbackvertraging.
Feedback
Met deze parameter wordt de mate ingesteld waarmee
de uitvoer van het effect wordt teruggekoppeld naar de
invoer ervan.
Fine1 Met deze parameter wordt de eerste fijnstemming
aangepast.
Fine2 Met deze parameter wordt de tweede fijnstemming
aangepast.
H.Freq Met deze parameter wordt de middenfrequentie ingesteld
van de hogefrequentie EQ-band.
H.Gain Met deze parameter wordt de mate ingesteld waarmee
de hogefrequentie EQ-band wordt versterkt of afgekapt.
Height Met deze parameter wordt de hoogte ingesteld van
de gesimuleerde kamer.
HiAtk
Met deze parameter wordt de hoeveelheid tijd ingesteld die
verstrijkt voordat compressie volledig wordt toegepast in
de hogefrequentieband.
HiGain Met deze parameter wordt het uitgangsniveau ingesteld
van de hogefrequentieband.
HiLvl Met deze parameter wordt het hogefrequentieniveau
ingesteld.
HiMute Met deze parameter wordt het dempen van de hoge
frequentie in- en uitgeschakeld.
HiRat
[MltBndComp]
Met deze parameter wordt de compressieverhouding
ingesteld van de hogefrequentieband.
[Reverb effects]
Met deze parameter wordt de hogefrequentiecomponent
aangepast.
HiTh
Met deze parameter wordt het niveau van het
ingangssignaal ingesteld waarbij de processor begint met
verwerking van het geluid in de hogefrequentieband.
HornF Met deze parameter wordt de snelheid ingesteld van de
rotatie van de hogefrequentiehoorn bij de instelling 'fast'.
HornS Met deze parameter wordt de snelheid ingesteld van de
rotatie van de hogefrequentiehoorn bij de instelling 'slow'.
HPF Met deze parameter om de afsnijfrequentie ingesteld van
het hoogdoorlaatfilter.
InitDly
Met deze parameter wordt de hoeveelheid tijd ingesteld die
verstrijkt voordat eerste weerkaatsingen worden
geproduceerd.
InitDly1 Met deze parameter wordt de vertragingstijd voor de eerste
vertraging ingesteld.
InitDly2 Met deze parameter wordt de vertragingstijd ingesteld voor
de tweede vertraging.
InitDlyL Met deze parameter wordt de vertragingstijd ingesteld voor
de vertraging in het linkerkanaal.
InitDlyR Met deze parameter wordt de vertragingstijd ingesteld voor
de vertraging in het rechterkanaal.
InpMode Met deze parameter wordt overgeschakeld tussen mono-
en stereo-invoer.
InpSelect Deze parameter wordt gebruikt voor het selecteren van
een ingang.
L.Freq Met deze parameter wordt de middenfrequentie ingesteld
van de lagefrequentie EQ-band.
L.Gain Met deze parameter wordt de mate ingesteld waarmee
de lagefrequentie EQ-band wordt versterkt of afgekapt.
L/RDiffuse
Met deze parameter wordt het verschil ingesteld de linker-
en rechtervertragingstijd, zodat een ruimtelijker geluid kan
worden geproduceerd.
L/RDpth Met deze parameter wordt de diepte ingesteld van het
panorama-effect van links naar rechts.
Lag Met deze parameter wordt een tijdsvertraging ingesteld
voor de vertragingstijd in nootlengten.
LFODpth
[SPX Flanger, TempoFlanger, SPX Chorus en Symphonic]
Met deze parameter wordt de diepte van de modulatie
ingesteld.
[Tempo Phaser]
Met deze parameter wordt de diepte van de fasemodulatie
ingesteld.
LFODiff Met deze parameter wordt het L-R-faseverschil ingesteld
tussen de golfvormen van de modulatie.
Parameter
naam Beschrijvingen
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Intern ontwerp
Gebruikershandleiding 41
*3 De instelling van de Top-parameter is alleen geldig wanneer de
waarde gelijk is aan of groter dan die van de Bottom-parameter.
LFOSpeed
[TempoFlanger, G Chorus, 2 Modulator, SPX Chorus,
Symphonic en Tremolo]
Met deze parameter wordt de modulatiefrequentie
ingesteld.
[TempoPhaser]
Met deze parameter wordt de modulatiesnelheid ingesteld
in nootlengten.
[AutoPan]
Met deze parameter wordt de frequentie voor automatisch
pannen ingesteld.
LFOWave
[AutoWah]
Met deze parameter wordt opgegeven of het
filtersweepeffect wordt geproduceerd met een sinusgolf of
een blokgolf.
[AutoPan]
Met deze parameter wordt de panningcurve ingesteld.
Livenss Met deze parameter wordt de manier waarop eerste
weerkaatsingen wegsterven ingesteld.
LowAtk
Met deze parameter wordt de hoeveelheid tijd ingesteld die
verstrijkt voordat compressie volledig wordt toegepast in
de lagefrequentieband.
LowGain Met deze parameter wordt het uitgangsniveau ingesteld
van de lagefrequentieband.
LowLvl Met deze parameter wordt het lagefrequentieniveau
ingesteld.
LowMute Met deze parameter wordt het dempen van de lage
frequentie in- en uitgeschakeld.
LowRat
[MltBndComp]
Met deze parameter wordt de compressieverhouding
ingesteld van de lagefrequentieband.
[Reverb effects]
Met deze parameter wordt de lagefrequentiecomponent
aangepast.
LowTh
Met deze parameter wordt het niveau van het
ingangssignaal ingesteld waarbij de processor begint met
verwerking van het geluid in de lagefrequentieband.
LPF Met deze parameter om de afsnijfrequentie ingesteld van
het laagdoorlaatfilter.
M.Freq Met deze parameter wordt de middenfrequentie ingesteld
van de middenfrequentie EQ-band.
M.Gain Met deze parameter wordt de mate ingesteld waarmee
de middenfrequentie EQ-band wordt versterkt of afgekapt.
M.Width Met deze parameter wordt de breedte ingesteld van
de middenfrequentie EQ-band.
Manual Met deze parameter wordt de offsetwaarde ingesteld van
de fasemodulatie.
MicAngl
Met deze parameter wordt de L-R-inclinatie ingesteld van
de microfoon die wordt gebruikt om de uitvoer van
de spreker vast te leggen.
MidAtk
Met deze parameter wordt de hoeveelheid tijd ingesteld die
verstrijkt voordat compressie volledig wordt toegepast in
de middenfrequentieband.
MidGain Met deze parameter wordt het uitgangsniveau ingesteld
van de middenfrequentieband.
MidLvl Met deze parameter wordt het middenfrequentieniveau
ingesteld.
MidMute Met deze parameter wordt het dempen van
de middenfrequentie in- en uitgeschakeld.
MidRat Met deze parameter wordt de compressieverhouding
ingesteld van de middenfrequentieband.
MidTh
Met deze parameter wordt het niveau van het
ingangssignaal ingesteld waarbij de processor begint met
verwerking van het geluid in de middenfrequentieband.
MixLvl Met deze parameter wordt ingesteld hoeveel van het
effectgeluid wordt teruggemixt in het droge geluid.
Mode Met deze parameter wordt de werking van de phaser
aangepast.
MoveSpeed
Met deze parameter wordt de hoeveelheid tijd opgegeven
die verstrijkt totdat het geluid dat is ingesteld met
de parameter Vowel wordt geproduceerd.
On/Off Met deze parameter wordt het dempen van de isolator
in- en uitgeschakeld.
OutLvl Met deze parameter wordt het uitgangsniveau ingesteld.
OutLvl1 Met deze parameter wordt de eerste fase van het
uitgangsniveau ingesteld.
OutLvl2 Met deze parameter wordt de tweede fase van het
uitgangsniveau ingesteld.
Output Met deze parameter wordt het uitgangsniveau ingesteld.
Parameter
naam Beschrijvingen
OverDr Met deze parameter de wijze waarop het geluid wordt
vervormd aangepast.
Pan1 Met deze parameter wordt de eerste positie voor stereo-
panning ingesteld.
Pan2 Met deze parameter wordt de tweede positie voor stereo-
panning ingesteld.
PanDirectn Met deze parameter wordt het type voor automatisch
pannen ingesteld.
PhShiftOfst Met deze parameter wordt de offsetwaarde ingesteld van
de fasemodulatie.
Pitch1 Met deze parameter wordt de eerste toonhoogte in halve
tonen ingesteld.
Pitch2 Met deze parameter wordt de tweede toonhoogte in halve
tonen ingesteld.
PMDepth Met deze parameter wordt de diepte van
de toonhoogtemodulatie ingesteld.
Presenc
Deze parameter ziet u veelal op gitaarversterkers
en dergelijke en wordt gebruikt om de hogefrequentieband
te regelen.
Ratio Met deze parameter wordt de compressieverhouding
ingesteld.
Release
Met deze parameter wordt de hoeveelheid tijd ingesteld
die verstrijkt totdat het geluid niet langer wordt
gecomprimeerd.
Resonance Met deze parameter wordt de resonantie van het filter
ingesteld.
ResoOfst Met deze parameter wordt offsetwaarde voor resonantie
ingesteld.
RevDly Met deze parameter wordt het interval ingesteld tussen
eerste weerkaatsingen en hierop volgende nagalm.
RevTime Met deze parameter wordt de reverbtijd ingesteld.
RoomSize Met deze parameter worden de afmetingen van de kamer
ingesteld.
Rotor/Horn Met deze parameter wordt het relatieve volume ingesteld
van de hogefrequentiehoorn en de lagefrequentierotor.
RotorF Met deze parameter wordt de rotatiesnelheid ingesteld van
de lagefrequentierotor bij de instelling 'fast'.
RotorS Met deze parameter wordt de rotatiesnelheid ingesteld van
de lagefrequentierotor bij de instelling 'slow'.
Sens Met deze parameter wordt de gevoeligheid ingesteld van
het wah-filter voor wijzigingen in het ingangsniveau.
S-FTmHorn
Met deze parameter wordt ingesteld hoe lang het duurt
voordat de hogefrequentiehoorn kan overschakelen tussen
langzame en snelle rotatiesnelheden.
S-FTmRotor
Met deze parameter wordt ingesteld hoe lang het duurt
voordat de lagefrequentierotor kan overschakelen tussen
langzame en snelle rotatiesnelheden.
Speaker Met deze parameter wordt het type luidspreker
geselecteerd dat zal worden nagebootst.
Speed
[PhaserMono en PhaserStereo]
Met deze parameter wordt de frequentie van de LFO
ingesteld die cyclische veranderingen in de
fasemodulatie regelt.
[AutoWah]
Met deze parameter wordt de LFO-snelheid ingesteld.
SpeedCtrl Met deze parameter wordt de rotatiesnelheid ingesteld als
'fast' of 'slow'.
Spread Met deze parameter wordt ingesteld hoe breed de uitvoer
van het effect klinkt.
Stage Met deze parameter wordt het aantal stappen van het
fasefilter ingesteld.
Thresh
Met deze parameter wordt het niveau van het
ingangssignaal ingesteld waarbij het effect begint met
verwerking van het geluid.
To p
*3
Met deze parameter wordt het hoogste punt ingesteld van
het sweepbereik van het filter.
Type
[Wah-effecten]
Deze parameter wordt gebruikt om het type wah-effect
in te stellen.
[EarlyRef, GateReverb en ReverseGate]
Met deze parameter wordt het type weerkaatste
geluid ingesteld.
Vowel Deze parameter wordt gebruikt voor het selecteren van
een type klinker.
Parameter
naam Beschrijvingen
Intern ontwerp
42 Gebruikershandleiding
Intern geheugen
Door de gebruikerskits, gebruikerspatronen en golven die
u hebt gemaakt en bewerkt in het interne geheugen van de
DTX MULTI 12 op te slaan, kunt u ervoor zorgen dat deze
altijd beschikbaar zijn voor gebruik, zelfs nadat u het
instrument hebt uitgeschakeld. Daarnaast kunt
u gebruikerstriggerinstellingen en de instellingen van het
instellingengebied UTILITY eveneens opslaan in het
geheugen voor later gebruik.
Data die worden opgeslagen door
de DTX MULTI 12
De volgende typen instellingsdata kunnen worden
opgeslagen in het interne geheugen van het instrument.
Gebruikerskits
Originele drumkits die u hebt gemaakt door het toewijzen
van voices aan pads en externe regelaars kunnen worden
opgeslagen als gebruikerskits in het geheugen van het
instrument. Hierna kunt u deze kits op elk gewenst moment
oproepen, net zoals u voorgeprogrammeerde kits oproept.
In totaal kunt u ongeveer 200 gebruikerskits opslaan, die
beschikbaar zijn voor gebruik, zelfs nadat u de
DTX MULTI 12 hebt uitgeschakeld. Naast de instellingen
van het gebied KIT, worden in gebruikerskits ook
gekoppelde data opgeslagen die zijn geconfigureerd in de
instellingengebieden VOICE en MIDI.
Gebruikerspatronen
U kunt gebruikerspatronen, die op exact dezelfde wijze
kunnen worden gebruikt als voorgeprogrammeerde
patronen, maken door uw spel op te nemen op de
DTX MULTI 12 of door standaard-MIDI-bestanden
(Format 0) te importeren. De overeenkomende data worden
opgeslagen als gebruikerspatroon in de DTX MULTI 12
zoals deze zijn opgenomen of geïmporteerd, en het patroon
is ook beschikbaar nadat de DTX MULTI 12 is
uitgeschakeld. U kunt maximaal 50 van dergelijke
gebruikerspatronen intern opslaan.
Golven
Golfdata die zijn gemaakt door het importeren van WAV- of
AIFF-audiobestanden vanaf een USB-geheugenapparaat
(dat is aangesloten via de USB TO DEVICE-poort),
worden automatisch opgeslagen in de DTX MULTI 12 en
kunnen voor het afspelen worden toegewezen aan pads,
zoals u voorgeprogrammeerde voices en patronen toewijst.
In totaal kunt u ongeveer 500 van dergelijke golven
opslaan, die beschikbaar zijn voor gebruik, zelfs nadat u de
DTX MULTI 12 hebt uitgeschakeld.
Gebruikerstriggerinstellingen gebruiken
Op de DTX MULTI 12 kunt u ook een aantal
oorspronkelijke gebruikerstriggerinstellingen opslaan,
die u gemakkelijk kunt voorbereiden door een
voorgeprogrammeerde triggerinstelling aan te passen.
Het interne geheugen van het instrument kan concreet tien
van dergelijke instellingen opslaan, waarbij deze altijd
beschikbaar zijn, zelfs als het instrument is uitgeschakeld
en opnieuw ingeschakeld.
Instellingen van het UTILITY-gebied
De parameterinstellingen die u hebt geconfigureerd in het
instellingengebied UTILITY kunt u ook opslaan in het
interne geheugen van de DTX MULTI 12. Hierdoor kunt
u ze onmiddellijk oproepen wanneer het instrument wordt
ingeschakeld.
Gebruikerskits bewerken en opslaan
Als u een drumkit selecteert, worden de overeenkomende
data geladen in een niet-permanent gebied van het interne
geheugen dat de bewerkingsbuffer wordt genoemd.
Als u parameterinstellingen van de kit wijzigt, worden de
data binnen de bewerkingsbuffer, en niet in de opgeslagen
versie gewijzigd. Hierdoor kunt u voorkomen dat
gebruikerskits ongewild en per ongeluk worden gewijzigd.
Het doel van de bewerkingsbuffer is het opslaan van een
tijdelijke versie van de kit die wordt bewerkt. Als derhalve
een nieuwe kit wordt geselecteerd zonder dat de
wijzigingen zijn opgeslagen, gaan deze wijzigingen
verloren (met andere woorden: deze worden overschreven
door de instellingen van de momenteel geselecteerde kit).
De wijzigingen in de kit die zich in de bewerkingsbuffer
bevinden gaan ook verloren als de DTX MULTI 12 wordt
uitgeschakeld en de wijzigingen niet eerst zijn opgeslagen.
Het wordt daarom aangeraden om de inhoud van de
bewerkingsbuffer op te slaan als gebruikerskit als
u tevreden bent met de instellingen.
Databestanden opslaan en laden
Alle hierboven genoemde data-items die in het interne
geheugen van het instrument kunnen worden opgeslagen,
kunnen ook als bestand worden opgeslagen op een USB-
opslagapparaat. Deze geheugenbestanden kunnen dan naar
wens opnieuw op het instrument worden geladen vanaf het
opslagapparaat. Raadpleeg de beschrijving van de sectie
FILE (UTIL7) van het instellingengebied UTILITY voor
meer informatie.
Kit die wordt bewerkt
(voorgeprogrammeerd
of gebruiker)
Bewerkingsbuffer
(met alle wijzigingen)
De lamp van de knop
[STORE] licht op.
Als de DTX MULTI 12
wordt uitgezet zonder
dat de kit is opgeslagen,
gaan alle wijzigingen
verloren.
Als de kit wordt
opgeslagen, wordt de
versie in het permanente
geheugen bijgewerkt met
alle wijzigingen.
De lamp van de
knop [STORE]
gaat uit.
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Intern ontwerp
Gebruikershandleiding 43
Samenstelling van het interne geheugen
In het volgende diagram ziet u de onderlinge verhouding tussen de verschillende functies die kunnen worden gebruikt
bij het maken van data op de DTX MULTI 12, de data in het interne geheugen van het instrument en de data op een
USB-geheugenapparaat.
Intern geheugen
UTIL7-
bestand
Functies voor het maken van data
Voorgeprogrammeerde data (ROM)
• Kits
•Voices
•Patronen
•Triggerinstellingen
• Gebruikerskits
Extern USB-geheugenapparaat
Gebruikersgeheugen
Flash-ROM
Gebruikerstrigger
instellingen
• Utility-instelling
• Golven
Gebruikers-
patronen
Bestandsextensie: .MTK
(bestandstype = 'AllKit')
Tezamen
Bestandsextensie: .MTA
(bestandstype = 'All')
Bestandsextensie: .MTT
(bestandstype = 'AllTrigger')
Bestandsextensie: .MTU
(bestandstype = 'Utility')
Bestandsextensie: .MTW
(bestandstype = 'AllWave')
Bestandsextensie: .MTP
(bestandstype = 'AllPattern')
Audiodata (.WAV of .AIFF)
Standaard-MIDI-bestand (.MID)
Importeren
Opne-
men
•Patronen bewerken
Golven bewerken
• Utility-instelling
•Triggerinstelling
Kits bewerken
Opslaan/laden
Opslaan
SMF (PTN4-7)
importeren
•Patronen opnemen
•Voice-instelling
• MIDI-instelling
44 Gebruikershandleiding
Basisbediening
In de volgende sectie wordt beschreven hoe u basistaken
kunt uitvoeren, zoals het wijzigen van
parameterinstellingen, het uitvoeren van taken of het
opslaan van gegevens.
Gebieden met parameterinstellingen
Op de DTX MULTI 12 worden parameters die zijn
gekoppeld aan bepaalde functies, handig samen ingedeeld
in zeven verschillende gebieden met parameterinstellingen.
U krijgt toegang tot deze gebieden met de hieronder
weergegeven knoppen.
KIT-instellingengebied: Knop [KIT]
Dit gebied wordt gebruikt voor het selecteren en
bewerken van drumkits.
•VOICE-instellingengebied: Knop [VOICE]
Een gedeelte van het KIT-instellingengebied.
Dit gebied wordt gebruikt voor het selecteren
en bewerken van voices.
MIDI-instellingengebied: Knop [MIDI]
Een gedeelte van het KIT-instellingengebied.
Dit gebied kan worden gebruikt voor het instellen van
MIDI-gerelateerde parameters per afzonderlijke kit.
•PATTERN-instellingengebied: Knop [PTN]
Dit gebied wordt gebruikt voor het selecteren en
bewerken van patronen.
•WAVE-instellingengebied: Knop [WAVE]
Dit gebied wordt gebruikt om waves te importeren
en te bewerken.
UTILITY-instellingengebied Knop [UTILITY]
Dit gebied wordt gebruikt voor het instellen van
parameters die van invloed zijn op het systeem als
geheel en voor het beheren van bestanden.
TRIGGER-instellingengebied: Knop [SHIFT] +
[UTILITY]
Dit gebied wordt gebruikt om triggerinstellingsdata
te bewerken.
De knop die overeenkomt met elk instellingengebied licht
groen op als het betreffende gebied wordt geselecteerd.
In het geval van de instellingengebieden VOICE en MIDI
licht de knop [KIT] eveneens op.
Navigeren tussen secties
Elk instellingengebied is onderverdeeld in een aantal
verschillende secties. De huidige sectie wordt aangeduid
aan de linkerkant van de bovenste rij met tekst, met behulp
van de naam (of afkorting) van het geselecteerde
instellingengebied en het sectienummer. Gebruik de
knoppen [B]/[C] om tussen deze secties te navigeren.
Voorbeeld: UTILITY-instellingengebied
UTIL1
≥≥≥≥GENERAL
UTIL2
≥≥≥≥≥CLICK
UTIL3
≥≥≥MASTER≥EQ
UTIL4
≥≥≥≥≥≥PAD
UTIL5
≥≥≥≥≥HI-HAT
UTIL6
≥≥≥≥≥≥MIDI
UTIL7
≥≥≥≥≥≥FILE
UTIL8
≥≥FACTORY≥SET
Naam van het
geselecteerde
gebied (UTILITY) Sectienummer
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Basisbediening
Gebruikershandleiding 45
Navigeren tussen pagina's
Elke sectie bevat een aantal pagina’s met
parameterinstellingen die worden gebruikt voor het
vastleggen van de daadwerkelijke instellingen. Open een
sectiepagina en druk op de verlichte knop [ENTER] om
de bijbehorende pagina’s met parameterinstellingen te
openen. (In bepaalde gevallen is het wellicht niet
mogelijk om toegang te krijgen tot een pagina met
parameterinstellingen vanaf een sectiepagina, en is
de knop [ENTER] niet verlicht.) Elke pagina met
parameterinstellingen wordt aangeduid aan de linkerkant
van de bovenste tekstrij met de naam (of afkorting) van
het instellingengebied, het sectienummer en het
paginanummer (met streepjes tussen de getallen).
Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's
met parameterinstellingen navigeren.
In bepaalde gevallen kunt u een aantal extra pagina's vanaf
de pagina met parameterinstellingen openen met de
opgelichte knop [ENTER] (de knop licht op als deze
mogelijkheid bestaat). Door op de knop [EXIT] te drukken
kunt u teruggaan in de richting van het begin van het
huidige instellingengebied.
De cursor bewegen
Al een pagina een aantal verschillende parameters bevat,
kunt u de knipperende cursor naar links en recht bewegen
met de knoppen [B]/[C] of kunt u tussen de bovenste en
onderste tekstrijen bewegen met de knop [D]. Zo kunt
u de parameterinstelling selecteren die u wilt wijzigen
(zoals hierboven omschreven). Als zich links of rechts op
de huidige pagina geen aanvullende parameters bevinden
als u op de knop [B]/[C] drukt, springt de cursor naar de
volgende pagina met parameterinstellingen, respectievelijk
aan de linker- of rechterkant. Daarnaast lichten de knoppen
[B]/[C] en [D] op als u hierop kunt drukken om naar
een volgende parameter te gaan op de huidige of een
naastgelegen pagina.
Parameterinstellingen wijzigen
Door op de knoppen [-/DEC] of [+/INC] te drukken, kunt
u de waarde van de momenteel geselecteerde instelling
verhogen of verlagen.
•U kunt een waarde verlagen met10 eenheden door de knop [SHIFT]
ingedrukt te houden en op de knop [-/DEC] te drukken, of de knop [-/DEC]
ingedrukt te houden en op de knop [+/INC] te drukken.
En u kunt op vergelijkbare wijze de waarde verhogen met 10 eenheden
door de knop [SHIFT] ingedrukt te houden en op de knop [+/INC]
te drukken of door de knop [+/INC] ingedrukt te houden en op de knop
[-/DEC] te drukken.
Parameterinstellingen opslaan
Wanneer u parameterinstellingen hebt gewijzigd op de
pagina’s van de secties en/of de pagina’s met paramete-
rinstellingen, licht de knop [STORE] op om u eraan te
herinneren dat u de instellingen moet opslaan. De juiste
manier om de parameterinstellingen op te slaan is als volgt.
1Wanneer u klaar bent met het instellen van de
parameters in een bepaald gebied, drukt u op de knop
[STORE] om de pagina Store Kit te openen.
2Met de knoppen [-/DEC] en [+/INC] kunt u aangeven
waar u de data wilt opslaan.
•Bovenstaande stap is niet vereist als u instellingen opslaat in het
UTILITY-instellingengebied.
3Druk op de knop [ENTER]. U wordt gevraagd te
bevestigen of u wilt doorgaan. U kunt indien nodig op de
knop [EXIT] drukken om naar de vorige pagina te gaan
zonder data op te slaan.
4Druk op de knop [ENTER] om de data op te slaan in het
interne geheugen van de DTX MULTI 12.
Voorbeeld: Sectie TONE (VCE3) van het
instellingengebied VOICE
VCE3
≥≥≥≥≥≥TONE
VCE3-1≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥≥≥Attack=+≥0
VCE3-2≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥≥≥Decay=+≥0
VCE3-3≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥≥Release=+≥0
VCE3-4≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥Fc=+≥0≥≥Q=+≥0
Paginanummer
[ENTER]
[EXIT]
Als u het instrument uitschakelt zonder de gewijzigde
instellingen op te slaan, gaan deze wijzigingen verloren (de
vorige toestand van de instellingen wordt hersteld als het
instrument de volgende keer wordt ingeschakeld).
OPMERKING
KIT≥Store≥to
U001:User≥Kit
Opslagbestemming van data.
OPMERKING
≥≥≥KIT≥Store
≥Are≥you≥sure?
LET OP
46 Gebruikershandleiding
KIT-instellingengebied (KIT)
In deze sectie wordt het KIT-instellingengebied beschreven, dat u kunt openen met de knop [KIT]. De DTX-MULTI
12 wordt geleverd met een groot aantal voorgeprogrammeerde kits (P001 t/m P050) die u onmiddellijk kunt gebruiken,
en u kunt maximaal 200 van uw eigen drumkits als gebruikerskits (U001 t/m U200) maken en opslaan. Gebruik het
KIT-instellingengebied voor het selecteren en bewerken van deze drumkits.
Indeling van het KIT-instellingengebied
Het KIT-instellingengebied bestaat uit acht verschillende secties (KIT1 t/m KIT8). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze secties
navigeren. Als een sectie pagina's met parameterinstellingen bevat, brandt de knop [ENTER]. Druk op de knop [ENTER] om deze pagina's te
openen. In bepaalde gevallen kunt u een aantal extra pagina's vanaf de pagina met parameterinstellingen openen, ook met de opgelichte knop
[ENTER]. Bovendien kunt u op de knop [EXIT] drukken als u terug wilt gaan in de richting van het begin van het instellingengebied.
Zorg ervoor dat u instellingen die u hebt bewerkt, opslaat voordat u het instrument uitzet of een nieuwe kit selecteert. (Zie pagina 45.)
LET OP
KIT1
P001:PercsMaster
KIT2≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥
≥≥≥≥≥COMMON≥≥≥≥≥
KIT3
≥≥EFFECT≥SEND
KIT4
≥≥≥VARIATION
KIT5
≥≥≥≥≥CHORUS
KIT6
≥≥≥≥≥REVERB
KIT7
≥≥≥≥≥OTHER
KIT8≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥
≥≥≥≥≥≥JOB≥
Select Kit ...................................................................................................... Pagina 47
KIT4-1 Pagina Variation Type ....................................................................... Pagina 48
KIT4-2 Pagina Variation Return.................................................................... Pagina 49
KIT4-3 Pagina Variation Pan ........................................................................ Pagina 49
KIT4-4 Pagina Variation to Reverb ............................................................... Pagina 49
KIT4-5 Pagina Variation to Chorus............................................................... Pagina 49
KIT2-1 Pagina Kit Volume ............................................................................ Pagina 47
KIT2-2 Pagina Kit Selection Tempo.............................................................. Pagina 47
KIT2-3 Pagina Kit Name .............................................................................. Pagina 47
KIT3-1 Pagina Chorus Send ........................................................................ Pagina 48
KIT3-2 Pagina Reverb Send ........................................................................ Pagina 48
KIT5-1 Pagina Chorus Type ......................................................................... Pagina 49
KIT5-2 Pagina Chorus Return...................................................................... Pagina 49
KIT5-3 Pagina Chorus Pan .......................................................................... Pagina 50
KIT5-4 Pagina Chorus to Reverb ................................................................. Pagina 50
KIT6-1 Pagina Reverb Type ......................................................................... Pagina 50
KIT6-2 Pagina Reverb Return ...................................................................... Pagina 50
KIT6-3 Pagina Reverb Pan........................................................................... Pagina 50
KIT7-1 Pagina Layer Switch......................................................................... Pagina 51
KIT7-2 Pagina Mute Switch.......................................................................... Pagina 51
KIT7-3 Pagina Hi-hat Function ..................................................................... Pagina 52
KIT7-4 Pagina Hi-hat MIDI Channel............................................................. Pagina 52
KIT7-5 Pagina Hi-hat MIDI Type................................................................... Pagina 52
KIT7-6 Pagina Trigger Setup Link ................................................................ Pagina 52
KIT8-1 Pagina Copy Pad.............................................................................. Pagina 53
KIT8-2 Pagina Exchange Pads .................................................................... Pagina 53
KIT8-3 Pagina Exchange Kits ...................................................................... Pagina 54
KIT8-4 Pagina Initialize Pad ......................................................................... Pagina 54
KIT8-5 Pagina Initialize Kit ........................................................................... Pagina 54
Secties Pagina's met parameterinstellingen
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
KIT-instellingengebied (KIT)
Gebruikershandleiding 47
Select Kit
Op de pagina Select Kit (KIT1) kunt u de voorgeprogrammeerde
kit of gebruikerskit selecteren die u wilt bespelen. Druk op de
knop [KIT] om deze pagina te openen, en druk indien nodig op de
knoppen [B]/[C]. Voordat u pads of voices kunt bewerken in
het instellingengebied VOICE of MIDI, moet u de betreffende
drumkit selecteren op deze pagina.
AKitcategorie
Met deze parameter kunt u de drumkitcategorie Preset (P) of
User (U) selecteren.
BKitnummer: Kitnaam
Als u een nieuwe drumkit selecteert terwijl een patroon wordt
afgespeeld dat is toegewezen aan een van de pads die hiervan deel
uitmaakt, wordt het patroon automatisch gestopt.
Als u een nieuwe drumkit selecteert terwijl een voorgeprogrammeerde
voice of een golf wordt afgespeeld die is toegewezen aan een van de
pads die hiervan deel uitmaakt, wordt het bijbehorende geluid
automatisch gestopt.
Als identieke voices worden toegewezen aan dezelfde Channel-10
MIDI-nootnummers in de nieuw geselecteerde kit en de eerdere kit,
blijven de voices van de overeenkomende pads normaal gesproken
spelen als de nieuwe drumkit wordt geselecteerd.
Als een van de pads van de momenteel geselecteerde drumkit is
ingesteld op 'Hand' op de pagina Pad Type (TRG2-1), wordt het
handpictogram ( ) op het scherm weergegeven (zie pagina 101).
Kitvolume, -tempo en -naam
In de sectie COMMON kunt u het volume, tempo en de naam van
de momenteel geselecteerde drumkit instellen. Druk als de pagina
COMMON (KIT2) wordt weergegeven op de knop [ENTER] om
de drie pagina's met parameterinstellingen te openen (KIT2-1 t/m
KIT2-3). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's
navigeren.
1Volume
Gebruik deze parameter om het volume van de gehele kit in
te stellen.
Als u de volume-instelling voor MIDI-kanaal 10 wijzigt op de pagina
Volume (MIDI3-2) van het MIDI-gebied, wordt de parameter Volume op
deze pagina (KIT2-1) automatisch ingesteld op dezelfde waarde. Het
omgekeerde geldt echter niet. Met andere woorden: de volume-
instelling op de pagina Volume (MIDI3-2) van het MIDI-gebied wordt
niet gewijzigd als u wijzigingen aanbrengt op deze pagina (KIT2-1).
1Tempo
Gebruik deze parameter om het tempo op te geven dat
automatisch moet worden ingesteld bij selectie van de huidige
drumkit. Als patronen worden toegewezen aan een van de
pads van de kit, worden deze in dit tempo afgespeeld. De
instelling 'off' betekent dat het tempo niet automatisch wordt
gewijzigd als u de huidige kit selecteert. Met andere woorden:
het tempo van de eerder geselecteerde kit blijft gehandhaafd.
Als golven worden toegewezen aan een van de pads van de kit,
is de instelling voor het tempo van de kit niet van invloed op het
tempo (of de snelheid) waarin deze worden afgespeeld.
Op de pagina Kit Name kunt u de geselecteerde drumkit een naam
geven. Druk op deze pagina op de knop [ENTER] om de pagina
Kit Name Setting te openen.
KIT2-3-1 Pagina Kit Name Setting
Op de pagina Kit Name Setting kunt u een naam van maximaal
11 tekens toewijzen aan de momenteel geselecteerde drumkit.
Gebruik de knoppen [B]/[C] om de knipperende cursor te
verplaatsen naar het teken dat u wilt wijzigen, en selecteer
vervolgens een teken met de knoppen [-/DEC] en [+/INC].
Drumkitnamen mogen de volgende tekens bevatten.
[spatie]
KIT1
Instellingen P of U
Instellingen
Als 'P' (voorgeprogrammeerde kit) is
geselecteerd: 001 t/m 050
Als 'U' (gebruikerskit) is geselecteerd:
001 t/m 200
KIT2 COMMON
KIT2-1 Pagina Kit Volume
Instellingen 0 t/m 127
KIT1
P001:PercsMaster
12
OPMERKING
ˇÁ
KIT2
≥≥≥≥≥COMMON
KIT2-1≥≥<COMMON>
≥≥≥Volume=118 1
KIT2-2 Pagina Kit Selection Tempo
Instellingen off, of 30 t/m 300
KIT2-3 Pagina Kit Name
OPMERKING
KIT2-2≥≥<COMMON>
≥≥≥Tempo=off 1
OPMERKING
KIT2-3≥≥<COMMON>
≥≥≥≥≥≥Name
KIT2-3-1
≥≥[User≥Kit≥≥≥]
Kitnaam
!"#$%&'()*+,-./0123456789:;<=>?@
ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ[\]^_`
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz{|}ßå
KIT-instellingengebied (KIT)
48 Gebruikershandleiding
Effect Send-niveaus
In de sectie EFFECT SEND kunt u aanpassen in welke mate de
effecten chorus en reverb op de volledige drumkit worden
toegepast. Druk op de pagina EFFECT SEND (KIT3) op de knop
[ENTER] om de twee pagina's met parameterinstellingen te
openen (KIT3-1 en KIT3-2). Met de knoppen [B]/[C] kunt
u tussen deze pagina's schakelen.
Op de pagina Chorus Send kunt u aanpassen in welke mate het
choruseffect wordt toegepast op alle drumvoices in de momenteel
geselecteerde kit. Als voor een van de afzonderlijke voices in de
kit ook het chorus send-niveau is ingesteld op de pagina Chorus
Send (VCE4-2) van het gebied VOICE, wordt chorus hieraan
toegewezen op basis van de som van beide verzendniveaus.
1Chorus send-niveau (ChorusSend)
Gebruik deze parameter om het verzendniveau van het
choruseffect in te stellen voor de momenteel geselecteerde
drumkit.
Als u het chorus send-niveau voor MIDI-kanaal 10 wijzigt op de pagina
Chorus Send (MIDI3-6) van het MIDI-gebied, wordt de parameter
ChorusSend op deze pagina (KIT3-1) automatisch ingesteld op
dezelfde waarde. Het omgekeerde is echter niet van toepassing. Met
andere woorden: de chorus send-instelling op de pagina Chorus Send
(MIDI3-6) van het MIDI-gebied wordt niet gewijzigd als wijzigingen
worden aangebracht op deze pagina (KIT3-1).
Op de pagina Reverb Send kunt u aanpassen in welke mate het
reverbeffect wordt toegepast op alle drumvoices in de momenteel
geselecteerde kit. Als voor een van de afzonderlijke voices in de
kit ook het reverb send-niveau is ingesteld op de pagina Reverb
Send (VCE4-3) van het gebied VOICE, wordt reverb hieraan
toegewezen op basis van de som van beide verzendniveaus.
1Reverb Send-niveau (ReverbSend)
Gebruik deze parameter om het verzendniveau van het reverbeffect
in te stellen voor de momenteel geselecteerde drumkit.
Als u het reverb send-niveau voor MIDI-kanaal 10 wijzigt op de pagina
Reverb Send (MIDI3-7) van het MIDI-gebied, wordt de parameter
ReverbSend op deze pagina (KIT3-1) automatisch ingesteld op
dezelfde waarde. Het omgekeerde is echter niet van toepassing. Met
andere woorden de reverb send-instelling op de pagina Reverb Send
(MIDI3-7) van het gebied MIDI wordt niet gewijzigd als wijzigingen
worden aangebracht op deze pagina (KIT3-2).
Variation-effectinstellingen
In de sectie VARIATION kunt u een variation-effect selecteren,
aanpassen in welke mate het wordt toegepast en het op een aantal
verschillende manieren configureren. Variation-effecten worden
toegepast op alle voices (op alle MIDI-kanalen). Druk als de
pagina VARIATION (KIT4) wordt weergegeven op de knop
[ENTER] om de vijf pagina's met parameterinstellingen te
openen (KIT4-1 t/m KIT4-5). Met de knoppen [B]/[C] kunt u
tussen deze pagina's navigeren.
1Variation-categorie
Gebruik deze parameter om de categorie voor het variation-
effect in te stellen.
BVariation-type
Gebruik deze parameter om het type variation-effect te
selecteren.
Selecteer een effectcategorie en -type en druk op de knop
[ENTER] op de pagina Variation Type (KIT4-1) om een aantal
instellingenpagina’s te openen waarmee u de verschillende
geselecteerde effectparameters kunt instellen. (Het aantal pagina’s
met parameterinstellingen is afhankelijk van het geselecteerde
effect.) Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's
navigeren.
KIT4-1-1 Pagina met parameterinstellingen
(voorbeeld)
1Effectparameter
Elke pagina met parameterinstellingen bevat een andere
parameter voor het geselecteerde variation-effect.
KIT3 EFFECT SEND
KIT3-1 Pagina Chorus Send
Instellingen 0 t/m 127
KIT3-2 Pagina Reverb Send
Instellingen 0 t/m 127
KIT3
≥≥EFFECT≥SEND
KIT3-1≥≥<FXSEND>
≥ChorusSend=≥≥0 1
OPMERKING
KIT3-2≥≥<FXSEND>
≥ReverbSend=≥35 1
OPMERKING
KIT4 VARIATION
KIT4-1 Pagina Variation Type
Instellingen Zie het aparte boekje Data List.
Instellingen Zie het aparte boekje Data List.
Instellingen Zie het aparte boekje Data List.
KIT4
≥≥≥VARIATION
KIT4-1≥≥VarType=
C&E/Compressor
12
KIT4-1-1≥≥≥<VAR>
LFOSpeed=0.000Hz 1
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
KIT-instellingengebied (KIT)
Gebruikershandleiding 49
1Variation-retour (VarReturn)
Gebruik deze parameter om het niveau van het retoursignaal
van het variation-effect in te stellen.
1Variation-pan (VarPan)
Gebruik deze parameter om de stereo-panning van het
retoursignaal van het variation-effect in te stellen.
1Variation naar reverb (VarToRev)
Gebruik deze parameter om de mate in te stellen waarin de
uitgang van het variation-effect naar het reverbeffect wordt
verzonden.
1Variation naar chorus (VarToCho)
Gebruik deze parameter om de mate in te stellen waarin de
uitgang van het variation-effect naar het choruseffect wordt
verzonden.
Choruseffectinstelling
In de sectie CHORUS kunt u een choruseffect selecteren en het op
een aantal verschillende manieren configureren. Choruseffecten
worden toegepast op alle voices (op alle MIDI-kanalen). Druk als
de pagina CHORUS (KIT5) wordt weergegeven op de knop
[ENTER] om de vier pagina's met parameterinstellingen te
openen (KIT5-1 t/m KIT5-4). Met de knoppen [B]/[C]
kunt u tussen deze pagina's navigeren.
1Chorustype
Gebruik deze parameter om het type choruseffect
te selecteren.
Selecteer een chorustype en druk op de knop [ENTER] op de
pagina Chorus Type (KIT5-1) om een aantal instellingenpagina’s
te openen waarmee u de verschillende parameters kunt instellen.
(Het aantal pagina’s met parameterinstellingen is afhankelijk van
het geselecteerde type.) Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen
deze pagina's navigeren.
KIT5-1-1 Pagina met parameterinstellingen
(voorbeeld)
1Effectparameter
Elke pagina met parameterinstellingen bevat een andere
parameter voor het geselecteerde chorustype.
1Chorusretour (ChoReturn)
Gebruik deze parameter om het niveau van het retoursignaal
van het choruseffect in te stellen.
KIT4-2 Pagina Variation Return
Instellingen 0 t/m 127
KIT4-3 Pagina Variation Pan
Instellingen L63 t/m C t/m R63
KIT4-4 Pagina Variation to Reverb
Instellingen 0 t/m 127
KIT4-5 Pagina Variation to Chorus
Instellingen 0 t/m 127
KIT4-2≥≥≥≥≥<VAR>
≥VarReturn=≥64 1
KIT4-3≥≥≥≥≥<VAR>
≥≥≥VarPan=≥C 1
KIT4-4≥≥≥≥≥<VAR>
≥≥VarToRev=≥≥0 1
KIT4-5≥≥≥≥≥<VAR>
≥≥VarToCho=≥≥0 1
KIT5 CHORUS
KIT5-1 Pagina Chorus Type
Instellingen Zie het aparte boekje Data List.
Instellingen Zie het aparte boekje Data List.
KIT5-2 Pagina Chorus Return
Instellingen 0 t/m 127
KIT5
≥≥≥≥≥CHORUS
KIT5-1≥≥ChoType=
G≥Chorus 1
KIT5-1-1≥≥≥<CHO>
LFOSpeed=0.000Hz 1
KIT5-2≥≥≥≥≥<CHO>
≥ChoReturn=≥64 1
KIT-instellingengebied (KIT)
50 Gebruikershandleiding
1Choruspan (ChoPan)
Gebruik deze parameter om de stereo-panning van het
retoursignaal van het choruseffect in te stellen.
1Chorus naar reverb (ChoToRev)
Gebruik deze parameter om de mate in te stellen waarin de
uitgang van het choruseffect naar het reverbeffect wordt
verzonden.
Reverbeffectinstelling
In de sectie REVERB kunt u een reverbeffect selecteren en het op
een aantal verschillende manieren configureren. Reverbeffecten
worden toegepast op alle voices (op alle MIDI-kanalen). Druk als
de pagina REVERB (KIT6) wordt weergegeven op de knop
[ENTER] om de drie pagina's met parameterinstellingen te
openen (KIT6-1 t/m KIT6-3). Met de knoppen [B]/[C] kunt
u tussen deze pagina's navigeren.
1Reverbtype
Gebruik deze parameter om het type reverbeffect te
selecteren.
Selecteer een reverbtype en druk op de knop [ENTER] op de
pagina Reverb Type (KIT6-1) om een aantal instellingenpagina’s
te openen waarmee u de verschillende parameters kunt instellen.
(Het aantal pagina’s met parameterinstellingen is afhankelijk van
het geselecteerde type.) Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen
deze pagina's navigeren.
KIT6-1-1 Pagina met parameterinstellingen
(voorbeeld)
1Effectparameter
Elke pagina met parameterinstellingen bevat een andere
parameter voor het geselecteerde reverbtype.
1Reverbretour (RevReturn)
Gebruik deze parameter om het niveau van het retoursignaal
van het reverbeffect in te stellen.
1Reverbpan (RevPan)
Gebruik deze parameter om de stereo-panning van het
retoursignaal van het reverbeffect in te stellen.
KIT5-3 Pagina Chorus Pan
Instellingen L63 t/m C t/m R63
KIT5-4 Pagina Chorus to Reverb
Instellingen 0 t/m 127
KIT6 REVERB
KIT5-3≥≥≥≥≥<CHO>
≥≥≥ChoPan=≥C 1
KIT5-4≥≥≥≥≥<CHO>
≥≥ChoToRev=≥≥0 1
KIT6
≥≥≥≥≥REVERB
KIT6-1 Pagina Reverb Type
Instellingen Zie het aparte boekje Data List.
Instellingen Zie het aparte boekje Data List.
KIT6-2 Pagina Reverb Return
Instellingen 0 t/m 127
KIT6-3 Pagina Reverb Pan
Instellingen L63 t/m C t/m R63
KIT6-1≥≥RevType=
R3≥Hall 1
KIT6-1-1≥≥≥<REV>
RevTime=≥0.0s 1
KIT6-2≥≥≥≥≥<REV>
≥RevReturn=≥64 1
KIT6-3≥≥≥≥≥<REV>
≥≥≥RevPan=≥C 1
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
KIT-instellingengebied (KIT)
Gebruikershandleiding 51
Overige drumkitinstellingen
In de sectie OTHER kunt u parameters instellen in verband met
dempen* en hi-hats, en u kunt tevens de triggerinstellingen
opgeven die moeten worden gebruikt als de huidige drumkit is
geselecteerd. Druk als de pagina OTHER (KIT7) wordt
weergegeven op de knop [ENTER] om de zes pagina's met
parameterinstellingen te openen (KIT7-1 t/m KIT7-6). Met de
knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's navigeren.
*: Dempen
De handeling waarbij u een hand plat op een pad plaatst om het geluid dat
erdoor wordt geproduceerd te veranderen of om het geluid te stoppen,
wordt 'dempen' genoemd. U kunt deze techniek gebruiken om een subtiele
wijziging aan te brengen in het geluid van uw spel, en met de DTX-
MULTI 12 kunt u het dempen vooraf instellen om geluiden te wijzigen of
te stoppen als u met een hand op een pad drukt.
Met de functie Layer-schakelaar kunt u het dempen toepassen
tijdens het spel om over te schakelen tussen de vier lagen die
kunnen worden toegewezen aan ingebouwde en externe pads.
1Padnummer
Gebruik deze parameter om de pad te selecteren die u wilt
instellen.
BLayer-schakelaar
Gebruik deze parameter om op te geven of geactiveerde lagen
van de pad die worden aangeduid met 1 moeten worden
omgewisseld in reactie op dempen of het bedienen van een hi-
hatregelaar. Zie pagina 32 voor meer informatie over lagen.
•off ............. Lagen worden niet omgewisseld.
mute ......... Laag A en B worden gespeeld als dempen is
uitgeschakeld.
Laag C en D worden gespeeld als dempen is
ingeschakeld.
•hh............. Laag A en B worden gespeeld als de hi-hat
geopend is.
Laag C en D worden gespeeld als de hi-hat
gesloten is.
De instelling 'mute' is alleen beschikbaar voor de twaalf ingebouwde
pads op de DTX-MULTI 12.
Op de pagina Mute Switch kunt u een groep pads selecteren die
als geheel moeten worden behandeld in geval van dempen, zodat
het geluid ervan kan worden gestopt of gewijzigd tijdens
het spelen.
1Padnummer
Deze parameter kan alleen worden ingesteld voor de twaalf
ingebouwde pads op de DTX-MULTI 12.
BMute-schakelaar (MuteSw)
Stel deze parameter in op 'on' als het dempen voor de pad die
wordt aangeduid met 1 moet worden gebruikt in combinatie
met het dempen van andere pads met dezelfde instelling.
Als de padgevoeligheid is ingesteld op het spelen met sticks,
raden we aan om MuteSw in te stellen op 'on' voor ten minste
twee pads, zodat u de demptechniek kunt gebruiken zonder
dat u het risico loopt om uw hand te raken. Bij het maken van
de selectie worden de nummers in de padindicator verlicht,
zodat u kunt zien welke pads zijn gegroepeerd voor dempen.
Voorbeeld: Als MuteSw is ingesteld op 'on' voor pad 4, 5 en 6:
Als u pad 4, 5 of 6 raakt terwijl u uw hand neerdrukt op een
van de overige twee pads, produceert de pad die u hebt
geraakt een korter geluid.
Als u met de hand op pad 4, 5 of 6 drukt terwijl een of meer
van deze pads een geluid produceren nadat u erop hebt
getikt, wordt het geluid van de geraakte pad(s) gestopt.
•Druk krachtig met de hand op een pad als u het dempen wilt activeren.
Als u de demptechniek gebruik met de MuteSw-parameter
(2 hierboven) ingesteld op 'on' en met 'mute' geselecteerd op de pagina
Layer Switch (KIT7-1), wordt de functie Layer-schakelaar geactiveerd.
Er wordt een polyfone aftertouch-bericht met de waarde 127 uitgevoerd
als u op een pad drukt en MuteSw is ingesteld op 'on'. En er wordt een
polyfone aftertouch-bericht met de waarde 0 uitgevoerd als u de pad
weer loslaat. Deze berichten worden uitgevoerd voor alle nootnummers
die aan alle pads van de DTX-MULTI 12 zijn toegewezen, met
uitzondering voor de pads waarvoor de schakelaar niet is ingeschakeld
(en MuteSw dus is ingesteld op 'off').
In gevallen waarbij pads 4 t/m 9 zijn ingesteld voor het met de hand
bespelen op de pagina Pad Type (TRG2-1) van het gebied TRIGGER,
wordt het dempen automatisch geactiveerd, zonder dat u voor
meerdere pads MuteSw hoeft in te schakelen. In dat geval kunt u op
de pad drukken waarvoor MuteSw is ingeschakeld en uw hand hier
houden, zodat u een andere pad die u raakt kunt dempen. Dit type
dempen met één pad kan echter niet worden ingeschakeld voor de
overige pads (1 t/m 3, 10 t/m 12).
KIT7 OTHER
KIT7-1 Pagina Layer Switch
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17
Instellingen off, mute, of hh
KIT7
≥≥≥≥≥OTHER
KIT7-1≥-º¡-
LayerSwitch=off 2
1
OPMERKING
KIT7-2 Pagina Mute Switch
Instellingen 01 t/m 12
Instellingen off of on
KIT7-2≥-º¡-
≥≥≥MuteSw=off 2
1
OPMERKING
OPMERKING
KIT-instellingengebied (KIT)
52 Gebruikershandleiding
1Hi-hatfunctie (HH Func)
Met deze parameter kunt u opgeven hoe een hi-hatregelaar die
is aangesloten op de HI-HAT CONTROL-aansluiting moet
werken.
hi-hat ........ De hi-hatregelaar werkt op standaardwijze voor
het bespelen van de hi-hatcimbaal.
MIDI......... Als u de hi-hatregelaar indrukt, wordt een
MIDI-bericht uitgevoerd op basis van de
instellingen die zijn vastgelegd op de pagina Hi-
hat MIDI Channel (KIT7-4) en de pagina Hi-hat
MIDI Type (KIT7-5).
Als deze parameter is ingesteld op 'hi-hat' en 'on' is geselecteerd op
de pagina Send Hi-hat Controller (UTIL5-3), worden Control Change
4-berichten op basis van de mate waarin de hi-hatregelaar wordt
ingedrukt verzonden naar externe MIDI-apparaten op MIDI-kanaal 10.
Als deze parameter wordt ingesteld op 'MIDI', worden MIDI-berichten
verzonden, ongeacht de selectie die is gemaakt op de pagina Send Hi-
hat Controller (UTIL5-3).
1Hi-hat MIDI-kanaal (HH MIDI ch)
Als op de pagina Hi-Hat Function (KIT7-3) 'MIDI' is
geselecteerd, kunt u met deze parameter het MIDI-kanaal
instellen voor de uitvoer van MIDI-berichten die worden
gegenereerd door de hi-hatregelaar.
Als op de pagina Hi-hat Function (KIT7-3) 'hi-hat' is geselecteerd,
wordt deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden
gewijzigd.
1Hi-hat MIDI type (HHMIDIType)
Als op de pagina Hi-Hat Function (KIT7-3) 'MIDI' is
geselecteerd, kunt u met deze parameter het type MIDI-
bericht instellen dat wordt gegenereerd door de hi-hatregelaar.
Als op de pagina Hi-hat Function (KIT7-3) 'hi-hat' is geselecteerd,
wordt deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden
gewijzigd.
1Triggerinstellingskoppeling (TrgSetupLink)
Gebruik deze parameter om de triggerinstelling op te geven
die moet worden gebruikt wanneer de huidige kit wordt
geselecteerd. U kunt aan elke drumkit een triggerinstelling
toewijzen. Deze instellingen worden geïdentificeerd met een
categorie (P voor Preset, U voor User) en een getal. U kunt de
cursor met de knoppen [B]/[C] verplaatsen om deze
afzonderlijk in te stellen. Selecteer 'off' als voor de momenteel
geselecteerde drumkit geen speciale triggerinstelling is
vereist.
Als TrgSetupLink wordt ingesteld op 'off', wordt de op de pagina
Startup Trigger (UTIL1-5) geselecteerde triggerinstelling standaard
geselecteerd als de DTX-MULTI 12 wordt aangezet. (Zie pagina 83.)
Derhalve kunt u de triggerinstelling vrij wijzigen op de pagina Select
Tr igger Setup (TRG1). (Zie pagina 100.)
KIT7-3 Pagina Hi-hat Function
Instellingen hi-hat of MIDI
KIT7-4 Pagina Hi-hat MIDI Channel
Instellingen 1 t/m 16
KIT7-5 Pagina Hi-hat MIDI Type
Instellingen
CC01 tot en met CC95 (Control Change),
AT (Aftertouch), PBup (Pitch bend up) of
PBdwn (Pitch bend down)
KIT7-3≥≥≥<OTHER>
≥HH≥Func=hi-hat 1
OPMERKING
KIT7-4≥≥≥<OTHER>
≥HH≥MIDI≥ch=10 1
OPMERKING
KIT7-5≥≥≥<OTHER>
HHMIDIType=CC01 1
OPMERKING
KIT7-6 Pagina Trigger Setup Link
Instellingen off, P01 t/m P05 of U01 t/m U10
KIT7-6≥≥≥<OTHER>
TrgSetupLink=P01 1
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
KIT-instellingengebied (KIT)
Gebruikershandleiding 53
Kitbeheer
In de sectie Job kunt u een aantal beheertaken uitvoeren zoals
kopiëren, uitwisselen en het initialiseren van kits en pads. Druk
op de pagina JOB (KIT8) op de knop [ENTER] om de vijf
pagina's met parameterinstellingen te openen (KIT8-1 t/m KIT8-
5). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's
navigeren.
Handelingen op de pagina met parameterinstellingen van de
sectie Job kunt u als volgt uitvoeren.
1Leg vereiste instelling (en) vast en druk op [ENTER].
2U wordt gevraagd te bevestigen of u wilt doorgaan.
3Druk op [ENTER] om verder te gaan. U kunt ook op
[EXIT] drukken om het proces te annuleren.
Gebruik de knop [STORE] om de pagina Store Kit te openen en de
drumkit op te slaan in het interne geheugen (zie pagina 45) van de
DTX-MULTI 12. (Dit is niet vereist voor het uitwisselen van kits op de
pagina Exchange Kit (KIT8-3).)
Op de pagina Copy Pad kunt u instellingen van een pad naar een
ander pad in de momenteel geselecteerde drumkit kopiëren. Druk
op deze pagina op de knop [ENTER] om de pagina Copy Pad
Settings te openen.
KIT8-1-1 Pagina Copy Pad Settings
1Te kopiëren pad
Gebruik deze parameter om de pad te selecteren waarvan u de
instellingen wilt kopiëren.
BTe vervangen pad
Gebruik deze parameter om de pad te selecteren waarvan u de
instellingen wilt vervangen. Stel deze parameter in op '01-12'
om de instellingen te kopiëren van alle twaalf ingebouwde
pads van de DTX-MULTI 12 (pad 1 tot en met pad 12).
U kunt ook 'all' om instellingen te kopiëren naar alle externe
pads (13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17, FTSW, HHCL, en HHSP)
en de ingebouwde pads van de DTX-MULTI 12.
Alle gegevens van de betreffende pad en de overeenkomstige lagen
(nootnummers) worden gekopieerd.
Onder bepaalde omstandigheden kan het noodzakelijk zijn om
uitgevoerde MIDI-nootnummers die verschillen van de nootnummers
van de pad die wordt gekopieerd, automatisch toe te wijzen aan de
lagen van de pad die wordt vervangen. U kunt controleren welke uit te
voeren MIDI-nootnummers zijn ingesteld op de pagina MIDI Note
(MIDI1-2).
Op de pagina Exchange Pads kunt u instellingen omwisselen voor
een paar pads binnen de momenteel geselecteerde kit. Druk op
deze pagina op de knop [ENTER] om de pagina Exchange Pads
Settings te openen.
KIT8-2-1 Pagina Exchange Pads Settings
1Exchange pad 1
BExchange pad 2
Gebruik deze parameters om de twee pads te selecteren
waarvan u de instellingen wilt omwisselen.
KIT8 JOB
KIT8-1 Pagina Copy Pad
KIT8
≥≥≥≥≥≥JOB
OPMERKING
KIT8-1≥≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥≥Copy≥Pad
Instellingen
01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17, FTSW
(voetschakelaar), HHCL (hi-hat sluiten) of
HHSP (hi-hat splash)
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL,HHSP, 01 t/m 12 of all
KIT8-2 Pagina Exchange Pads
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
KIT8-1-1≥≥<Copy>
≥≥º¡≥≥≥-ß≥≥º™
12
OPMERKING
KIT8-2≥≥≥≥≥<JOB>
≥≥Exchange≥Pad
KIT8-2-1≥<Exchg>
≥≥º¡≥≥≥åß≥≥º™
12
KIT-instellingengebied (KIT)
54 Gebruikershandleiding
Op de pagina Exchange Kits kunt u instellingen voor een paar
gebruikerskits uitwisselen. Druk op deze pagina op de knop
[ENTER] om de pagina Exchange Kits Settings te openen.
KIT8-3-1 Pagina Exchange Kits Settings
1Exchange kit 1
BExchange kit 2
Gebruik deze parameter om de twee drumkits te selecteren
waarvan u de instellingen wilt omwisselen.
Alleen reeds opgeslagen instellingen kunnen worden omgewisseld.
Als drumkits worden omgewisseld zonder dat eerst eventuele
gewijzigde instellingen worden opgeslagen, worden de omgewisselde
instellingen overschreven met de gewijzigde instellingen als de
drumkit vervolgens wordt opgeslagen.
Op de pagina Initialize Pad kunt u de afzonderlijke pads van de
momenteel geselecteerde drumkit initialiseren. Druk op deze
pagina op de knop [ENTER] om de pagina Initialize Pad Settings
te openen.
KIT8-4-1 Pagina Initialize Pad Setting
1Padnummer
Gebruik deze parameter om de pad(s) te selecteren die u wilt
initialiseren.
Druk na het selecteren van een pad op de knop [ENTER], en druk
nogmaals op [ENTER] als u wordt gevraagd om te bevestigen of
u wilt doorgaan.
Op de pagina Initialize Kit kunt u de momenteel bewerkte
drumkit initialiseren. Druk op de pagina Initialize Kit op
[ENTER], en druk nogmaals op [ENTER] wanneer u wordt
gevraagd of u verder wilt gaan.
KIT8-3 Pagina Exchange Kits
Instellingen U001 t/m U200
KIT8-4 Pagina Initialize Pad
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
KIT8-3≥≥≥≥≥<JOB>
≥≥Exchange≥Kit
KIT8-3-1≥<Exchg>
≥≥U001≥åß≥U002
12
OPMERKING
KIT8-4≥≥≥≥≥<JOB>
≥Initialize≥Pad
KIT8-4-1≥
≥≥InitPad=¡£Ω¡ 1
KIT8-5 Pagina Initialize Kit
Als u een kit initialiseert, worden alle parameters teruggezet naar de
standaardinstellingen. Als u een exemplaar van de kit wilt bewaren
voordat u initialiseert, moet u een opslaghandeling uitvoeren zoals
beschreven op pagina 45 om de momenteel geselecteerde drumkit
op te slaan als een andere gebruikerskit.
KIT8-5≥≥≥≥≥<JOB>
≥Initialize≥Kit
LET OP
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Gebruikershandleiding 55
VOICE-instellingengebied (VCE)
In deze sectie wordt het VOICE-instellingengebied beschreven, dat u kunt openen met de knop [VOICE]. In dit gebied
kunt u de voices selecteren en bewerken (waaronder voorgeprogrammeerde voices, golven en patronen) die aan
afzonderlijke pads zijn toegewezen. Zie pagina 31 voor meer informatie over voices en hun werking.
Indeling van het VOICE-instellingengebied
Het VOICE-instellingengebied bestaat uit vijf secties (VCE1 t/m VCE5). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze secties navigeren.
Als een sectie pagina's met parameterinstellingen bevat, brandt de knop [ENTER]. Druk op de knop [ENTER] om deze pagina's te openen.
Druk op de knop [EXIT] als u terug wilt gaan in de richting van het begin van het instellingengebied.
De wijzigingen in het VOICE-instellingengebied gelden voor de voices die vanuit de geselecteerde kit aan pads zijn toegewezen. Selecteer
daarom altijd de drumkit die u wilt configureren in het KIT-instellingengebied voordat u het VOICE-instellingengebied opent. De bovenste
pagina in het VOICE-instellingengebied is de pagina Select Voice (VCE1). Hier kunt u voices (waaronder voorgeprogrammeerde voices,
golven en patronen) aan afzonderlijke pads en lagen toewijzen. Op elke pagina met parameterinstellingen in dit gebied kunt u bovendien
wijzigen welke pad en/of laag u wilt wijzigen. Let wel: als u wijzigingen in parameters in het VOICE-instellingengebied opslaat, wordt de
hele drumkit opgeslagen.
Zorg ervoor dat u instellingen die u hebt bewerkt, opslaat voordat u het instrument uitzet of een nieuwe kit selecteert. (Zie pagina 45.)
LET OP
VCE1≥-¡£Ω¡-≥≥≥≥ç
Sn001:OakCustom
VCE2≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥
≥≥≥TUNE/OUTPUT≥
VCE3
≥≥≥≥≥≥TONE
VCE4
≥≥EFFECT≥SEND
VCE5
≥≥≥≥≥OTHER
Voice selecteren ........................................................................................... Pagina 56
VCE4-1 Pagina Variation Send .................................................................... Pagina 59
VCE4-2 Pagina Chorus Send ...................................................................... Pagina 59
VCE4-3 Pagina Reverb Send....................................................................... Pagina 59
VCE2-1 Pagina Voice Tuning........................................................................ Pagina 57
VCE2-2 Pagina Voice Volume ...................................................................... Pagina 57
VCE2-3 Pagina Voice Pan............................................................................ Pagina 57
VCE3-1 Pagina Attack Time......................................................................... Pagina 58
VCE3-2 Pagina Decay Time......................................................................... Pagina 58
VCE3-3 Pagina Release Time ..................................................................... Pagina 58
VCE3-4 Pagina Filter ................................................................................... Pagina 58
VCE5-1 Pagina Mono/Poly........................................................................... Pagina 60
VCE5-2 Pagina Alternate Group .................................................................. Pagina 60
Secties Pagina's met parameterinstellingen
VOICE-instellingengebied (VCE)
56 Gebruikershandleiding
Voice selecteren
Op de voiceselectiepagina (VCE1) kunt u de
voorgeprogrammeerde voice, golf of het patroon selecteren die of
dat wordt afgespeeld wanneer de opgegeven pad is ingedrukt.
U kunt ook een MIDI-noot selecteren die u wilt afspelen wanneer
een pad wordt ingedrukt, en vervolgens een voice aan die MIDI-
noot toewijzen (zie pagina 34). Welke specifieke pagina's met
parameterinstellingen, parameters en instellingen in het VOICE-
gebied worden weergegeven, is afhankelijk van het feit of het
nummer van een pad of van een MIDI-noot is opgegeven.
Bepaalde parameters hebben geen effect wanneer een patroon of het
nummer van een MIDI-noot is toegewezen aan de pad in kwestie.
De instellingen van deze parameters worden weergegeven als '---'
en wijzigingen zijn niet mogelijk.
Een voice toewijzen aan een pad
Als de voice geen patroon is (bijvoorbeeld eP of eU)
Als de voice een patroon is (bijvoorbeeld eP of eU)
Een voice toewijzen aan het nummer van een MIDI-noot
1Padnummer
Gebruik deze parameter om het nummer van de in te stellen
pad of MIDI-noot te selecteren. U kunt ook op een pad tikken
om deze te selecteren.
•Pad 13 ondersteunt drie verschillende zones en krijgt daarom drie
verschillende padnummers, namelijk 13 voor de kop, 13R1 voor rim 1
en 13R2 voor rim 2.
•Pads 10 t/m 12 kunnen niet worden geselecteerd als 'disable' is
ingesteld op de pagina's met regelaars voor pads 10 – 12 (UTIL4-3).
BLaagnummer
Gebruik deze parameter om de laag te selecteren die u wilt
instellen. Elke pad kan maximaal vier lagen bevatten, en elke
laag kan worden gebruikt om een voorgeprogrammeerde
voice of wave af te spelen. Zie pagina 32 voor details.
Het maximaal aantal lagen dat voor een pad kan worden ingesteld, is 4.
Als u een laag wilt toevoegen, wijzigt u de instelling ervan op de pagina
MIDI Note (MIDI1-2) van 'off' in het nummer van een MIDI-noot.
CVoicecategorie
Gebruik deze parameter om op te geven welke voicecategorie
u wilt toewijzen als voorgeprogrammeerde voice, voorgepro-
grammeerd patroon (eP), gebruikerspatroon (eU) of golf.
•Patronen kunnen niet aan MIDI-nootnummers worden toegewezen.
DVoicenummer: Voicenaam
Gebruik deze parameters om een voorgeprogrammeerde
voice, patroon of golf te selecteren uit de categorie die is
aangegeven met 3.
EAfspeelmodus voor patronen
Als een patroon aan de pad is toegewezen, kunt u met deze
parameter opgeven hoe het patroon moet worden afgespeeld.
.............. Start/Stop-modus: Het patroon wordt vanaf het
begin afgespeeld wanneer u op de pad tikt, en
stopt wanneer u een volgende keer op de pad
tikt.
............ Chase-modus: Telkens wanneer u op de pad tikt,
wordt één volgende maat afgespeeld.
............ Cut-off-modus: Er kan maar één patroon dat op
deze modus is ingesteld, tegelijk worden
afgespeeld. Wanneer een patroon in de cut-off-
modus wordt geactiveerd, wordt een patroon dat
al wordt afgespeeld, automatisch gestopt.
Het maximaal aantal patronen dat tegelijk kan worden afgespeeld, is 4.
•U kunt geen demopatronen aan pads toewijzen.
VCE1
VCE1≥-¡£Ω¡-≥≥≥≥ç
Sn001:OakCustom
OPMERKING
VCE1≥-¡£Ω¡-≥≥≥≥ç
Sn001:OakCustom
12
3 4
VCE1≥-¡£Ω¡-≥≥≥>~
©U001:EmptyPtn
15
3 4
VCE1≥≥C#-1/≥13
Sn001:OakCustom
1
3 4
Instellingen
01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17, FTSW
(voetschakelaar), HHCL (hi-hat sluiten),
HHSP (hi-hat splash), C#-1, of D-1 t/m #5
Instellingen A, B, C of D
Instellingen Kk, Sn, Tm, Cv, HH, EP, Cu, Br, In, Jp, Af, Or,
E1, E2, E3, Ml, GM, WV, eP of eU
Instellingen Zie het aparte boekje Data List.
Instellingen , ,
OPMERKING
OPMERKING
OPMERKING
>
>~
~>
>>~~>
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
VOICE-instellingengebied (VCE)
Gebruikershandleiding 57
Voices afstemmen, volume en pannen
In de sectie TUNE/OUTPUT kunt u het afstemmen, het volume
en stereo-panning van afzonderlijke voices instellen. Druk op de
pagina TUNE/OUTPUT (VCE2) op de knop [ENTER] om de
drie pagina's met parameters te openen (VCE2-1 t/m VCE2-3).
Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's navigeren.
Welke parameters op de pagina Voice Tuning worden
weergegeven, is afhankelijk van het type voice dat aan de pad in
kwestie is toegewezen.
Drumgeluiden en golven (bijv. geïmporteerde
audiobestanden):
Instrumentgeluiden (bijv. piano, gitaar enz.):
Patronen:
1Padnummer
Gebruik deze parameter om het nummer van de in te stellen
pad of MIDI-noot te selecteren.
BLaagnummer
Gebruik deze parameter om de laag te selecteren die u wilt
instellen.
CStemming (stemmen)
Gebruik deze parameter om de stemming van de toegewezen
voice in stappen van één cent aan te passen.
De term 'cent' verwijst naar één honderdste van een halve toon
(d.w.z. 100 cent = 1 halve toon).
DNoot
Gebruik deze parameter om de toonhoogte van de toegewezen
voice als een MIDI-nootnummer in te stellen.
ETransponeren
Gebruik deze parameter om de toonhoogte van het toegewezen
patroon in stappen van één halve toon aan te passen.
Geactiveerde patronen die MIDI-kanalen 7 tot 11 gebruiken, kunnen
niet worden getransponeerd.
Op de pagina Voice Volume kunt u het volume van de
geselecteerde voice instellen.
1Padnummer
BLaagnummer
CVolume
Gebruik deze parameter om het volume van de geselecteerde
voice in te stellen.
Op de pagina Voice Pan kunt u de stereo-panning van de
geselecteerde voice instellen.
1Padnummer
BLaagnummer
CPan
Gebruik deze parameter om de stereo-panning van de
geselecteerde voice in te stellen.
VCE2 TUNE/OUTPUT
VCE2-1 Pagina Voice Tuning
Instellingen
01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17, FTSW
(voetschakelaar), HHCL (hi-hat sluiten),
HHSP (hi-hat splash), C#-1 of D-1 t/m A#5
Instellingen A, B, C of D
Instellingen -24.00 t/m +0.0 t/m +24.00
VCE2
≥≥≥TUNE/OUTPUT
VCE2-1≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥≥≥Tune=+≥0.00 3
1 2
VCE2-1≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥≥≥Note=C#-1 4
1 2
VCE2-1≥-º¡-
≥Transpose=+≥0
1
5
OPMERKING
Instellingen C-2 t/m G8
Instellingen -24 t/m +0 t/m +24
VCE2-2 Pagina Voice Volume
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL, HHSP, C#-1, of D-1 t/m A#5
Instellingen A, B, C of D
Instellingen 0 t/m 127
VCE2-3 Pagina Voice Pan
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL, HHSP, C#-1, of D-1 t/m A#5
Instellingen A, B, C of D
Instellingen L63 t/m C t/m R63
OPMERKING
VCE2-2≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥≥≥Volume=100 3
1 2
VCE2-3≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥≥≥≥Pan=≥C 3
1 2
VOICE-instellingengebied (VCE)
58 Gebruikershandleiding
Voicetimbre
In de sectie TONE kunt u de toon (of het timbre) aanpassen van
de voorgeprogrammeerde voice, patroon of golf die is toegewezen
aan de desbetreffende pad. Druk op de pagina TONE (VCE3) op
de knop [ENTER] om de vier pagina's met parameterinstellingen
te openen (VCE3-1 t/m VCE3-4). Met de knoppen [B]/[C]
kunt u tussen deze pagina's navigeren.
Op de pagina's Attack Time, Decay Time en Release Time
(VCE3-1 t/m VCE3-3) kunt u de envelop van de toegewezen
voice aanpassen zoals hieronder wordt getoond.
Parameter 3 op elke pagina's wordt gebruikt om een ander
gedeelte van de envelop aan te passen. Parameters 1 en 2
hieronder zijn op de drie pagina's identiek.
Doorsnee display voor aanzettijd (VCE3-1)
1Padnummer
BLaagnummer
Attack Time (VCE3-1)
CAanzettijd
Gebruik deze parameter om in te stellen hoe lang het duurt
nadat de knop is ingedrukt voordat de toegewezen voice zijn
piekniveau heeft bereikt.
Decay Time (VCE3-2)
CWegsterftijd
Gebruik deze parameter om in te stellen hoe lang het duurt
voordat de voice is afgezwakt tot een stabiel niveau nadat het
piekniveau is bereikt.
Release Time (VCE3-3)
CLoslaattijd
Gebruik deze parameter om in te stellen hoe lang het duurt
voordat de voice is weggeëbt nadat een MIDI-noot Uit-
bericht is verzonden.
MIDI-noot Uit-berichten worden niet verzonden voor pads en lagen
waarvoor op de pagina Receive Key-Off (MIDI1-5) van het MIDI-
gebied de instelling 'off' is geselecteerd. Dat betekent dat de
instellingen voor de loslaattijd in dat geval geen effect hebben.
1Padnummer
BLaagnummer
CFC-frequentie (Filter cutoff)
Gebruik deze parameter om een cutoff-frequentie in te stellen
voor het low-pass filter. Frequenties boven dit niveau worden
uit de geselecteerde voice verwijderd.
VCE3 TONE
VCE3-1 Pagina Attack Time
VCE3-2 Pagina Decay Time
VCE3-3 Pagina Release Time
Instellingen
01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17, FTSW
(voetschakelaar), HHCL (hi-hat sluiten),
HHSP (hi-hat splash), C#-1 of D-1 t/m A#5
Instellingen A, B, C of D
VCE3
≥≥≥≥≥≥TONE
Pad is
ingedrukt
(Note On)
Tijd
Niveau
Note Off
Wegsterftijd
(VCE3-2)
Loslaattijd
(VCE3-3)
Aanzettijd
(VCE3-1)
VCE3-1≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥≥≥Attack=+≥0 3
1 2
Instellingen -64 t/m +0 t/m +63
Instellingen -64 t/m +0 t/m +63
Instellingen -64 t/m +0 t/m +63
VCE3-4 Pagina Filter
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 – 17, FTSW,
HHCL, HHSP, C#-1, of D-1 t/m A#5
Instellingen A, B, C of D
Instellingen -64 t/m +0 t/m +63
OPMERKING
VCE3-4≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥Fc=+≥0≥≥Q=+≥0
1 2
3 4
Frequentie
(of toonhoogte)
Frequenties die ongewijzigd
worden doorgelaten
Low-pass filter
Frequenties
die worden
verwijderd
FC-frequentie
Volume
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
VOICE-instellingengebied (VCE)
Gebruikershandleiding 59
DResonantie (Q)
Gebruik deze parameter om het timbre van de voice te wijzigen
door frequenties rond de cutoff-frequentie te versterken.
Effect Send-niveaus
In de sectie EFFECT SEND kunt u aanpassen in welke mate de in
de DTX-MULTI 12 ingebouwde effecten Variation, Chorus en
Reverb op afzonderlijke voices worden toegepast. Druk op de
pagina EFFECT SEND (VCE4) op de knop [ENTER] om de drie
pagina's met parameterinstellingen te openen (VCE4-1 t/m
VCE4-3). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's
navigeren.
1Padnummer
BLaagnummer
CVariation send-niveau (Var)
Gebruik deze parameter om op te geven hoeveel van het
geluid dat wordt geproduceerd door de laag die met 2
aangeduid, naar het Variation-effect wordt verzonden.
1Padnummer
BLaagnummer
CChorus send-niveau (ChoSend)
Gebruik deze parameter om op te geven hoeveel van het
geluid dat wordt geproduceerd door de laag die met 2
aangeduid, naar het Chorus-effect wordt verzonden.
•U kunt het Chorus Send-niveau voor de hele kit aanpassen op de
pagina Chorus Send (KIT3-1) van het KIT-gebied.
1Padnummer
BLaagnummer
CReverb Send-niveau (RevSend)
Gebruik deze parameter om op te geven hoeveel van het
geluid dat wordt geproduceerd door de laag die met 2
aangeduid, naar het Reverb-effect wordt verzonden.
•U kunt het Reverb Send-niveau voor de hele kit aanpassen op de
pagina Reverb Send (KIT3-2) van het KIT-gebied.
Instellingen -64 t/m +0 t/m +63
VCE4 EFFECT SEND
VCE4-1 Pagina Variation Send
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL, HHSP, C#-1, of D-1 t/m A#5
Instellingen A, B, C of D
Instellingen 0 t/m 127
Resonantie (Q)
Frequentie
Cutoff-frequentie
Niveau
VCE4
≥≥EFFECT≥SEND
VCE4-1≥-º¡-≥≥≥≥ç
Var=127(Dry=≥≥0) 3
1 2
VCE4-2 Pagina Chorus Send
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL, HHSP, C#-1, of D-1 t/m A#5
Instellingen A, B, C of D
Instellingen 0 t/m 127
VCE4-3 Pagina Reverb Send
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL, HHSP, C#-1, of D-1 t/m A#5
Instellingen A, B, C of D
Instellingen 0 t/m 127
VCE4-2≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥≥ChoSend=127 3
1 2
OPMERKING
VCE4-3≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥≥RevSend=≥50 3
1 2
OPMERKING
VOICE-instellingengebied (VCE)
60 Gebruikershandleiding
Andere voice-gerelateerde instellingen
Druk op de pagina OTHER (VCE5) op de knop [ENTER] om de
twee pagina's met parameterinstellingen te openen (VCE5-1 en
VCE5-2). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's
schakelen.
1Padnummer
BLaagnummer
CMono/Poly
Gebruik deze parameter om op te geven hoe overlappende
geluiden afkomstig van dezelfde pad of laag moeten worden
afgehandeld.
mono......... Als twee overlappende geluiden worden
geproduceerd door op dezelfde pad te tikken,
krijgt het laatste geluid prioriteit en wordt het
eerste geluid afgebroken.
poly........... Deze beperking wordt niet toegepast, en alle
overlappende geluiden worden geproduceerd.
1Padnummer
BLaagnummer
CAfwisselingsgroep (AltGroup)
Met deze parameter kunt u voices aan afwisselingsgroepen
toewijzen (d.w.z. eenstemmige padreeksen, waarvan er maar
één tegelijk een geluid kan produceren). Als u niet wilt dat
verschillende afzonderlijke voices samen worden afgespeeld,
moeten ze aan dezelfde afwisselingsgroep worden
toegewezen. Wanneer voices uit dezelfde afwisselingsgroep
worden geactiveerd door het instrument te bespelen, krijgt de
laatste voice prioriteit en wordt het eerste geluid afgebroken.
Stel deze parameter in op ‘off als u geen afwisselingsgroep
wilt toewijzen.
De afwisselingsgroepen 'hhOpen' en 'hhClose' werken op een
speciale manier: Als een voice uit de groep 'hhClose' wordt
geactiveerd na een voice uit de groep 'hhOpen', wordt de hhOpen-
voice afgebroken en wordt alleen de hhClose-voice afgespeeld.
Eerder geluid wordt niet afgebroken voor andere activeringsvolgorden
(bijvoorbeeld hhOpen, gevolgd door hhOpen; hhClose, gevolgd door
hhOpen, of hhClose, gevolgd door hhClose).
VCE5 OTHER
VCE5-1 Pagina Mono/Poly
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL, HHSP, C#-1, of D-1 t/m A#5
Instellingen A, B, C of D
Instellingen mono of poly
VCE5
≥≥≥≥≥OTHER
VCE5-1≥-º¡-≥≥≥≥ç
≥Mono/Poly=poly 3
1 2
VCE5-2 Pagina Alternate Group
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL, HHSP, C#-1, of D-1 t/m A#5
Instellingen A, B, C of D
Instellingen off, hhOpen, hhClose, of 1 t/m 124
3
1 2
VCE5-2≥-º¡-≥≥≥≥ç
AltGroup=≥≥≥≥off
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Gebruikershandleiding 61
MIDI-instellingengebied (MIDI)
In deze sectie wordt het MIDI-instellingengebied beschreven, dat u kunt openen met de knop [MIDI]. In dit gebied kunt
u per kit de MIDI-gerelateerde parameters instellen. Daarnaast worden in het MIDI-instellingengebied de
laaginstellingen voor elke pad geconfigureerd (d.w.z. het aantal lagen en de wijze waarop deze worden afgespeeld).
Zie pagina 34 voor meer informatie over het instellen van de functies in dit instellingengebied.
Indeling van het MIDI-instellingengebied
Het MIDI-instellingengebied bestaat uit drie secties (MIDI1 t/m MIDI3). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze secties navigeren.
Als een sectie pagina's met parameterinstellingen bevat, brandt de knop [ENTER]. Druk op de knop [ENTER] om deze pagina's te openen.
Druk op de knop [EXIT] als u terug wilt gaan in de richting van het begin van het instellingengebied. De MIDI-parameters die in dit gebied
worden ingesteld, worden per kit opgeslagen. Selecteer daarom altijd de drumkit die u wilt configureren in het KIT-instellingengebied voordat
u het MIDI-instellingengebied opent. Parameters in de sectie MIDI MESSAGE (MIDI1) gelden voor afzonderlijke pads, die in het scherm
geselecteerd kunnen worden of kunnen worden aangeslagen. Parameters in de sectie TG/MIDI SWITCH (MIDI2) en de sectie OTHER
(MIDI3) gelden weer voor de afzonderlijke MIDI-kanalen, die in het scherm kunnen worden geselecteerd.
Zorg ervoor dat u instellingen die u hebt bewerkt, opslaat voordat u het instrument uitzet of een nieuwe kit selecteert. (Zie pagina 45.)
LET OP
MIDI1≥-º¡-
MessageType=note
MIDI2≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥
≥TG/MIDI≥SWITCH
MIDI3≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥
≥≥≥≥≥OTHER
Uit welke pagina's met parameterinstellingen de sectie MIDI MESSAGE bestaat, is afhankelijk
van het type MIDI-bericht dat op de pagina Select Message Type (MIDI1) is geselecteerd.
• Pagina's als MessageType is ingesteld op 'note':
MIDI1-1 Pagina Playing Mode...................................................................... Pagina 62
MIDI1-2 Pagina MIDI Note ........................................................................... Pagina 63
MIDI1-3 Pagina MIDI Channel ..................................................................... Pagina 63
MIDI1-4 Pagina Gate Time........................................................................... Pagina 64
MIDI1-5 Pagina Receive Key-Off ................................................................. Pagina 64
MIDI1-6 Pagina Velocity Limits..................................................................... Pagina 64
MIDI1-7 Pagina Trigger Velocity ................................................................... Pagina 64
MIDI1-8 Pagina Trigger Polyphony............................................................... Pagina 65
MIDI1-9 Pagina Trigger Alternate Group ...................................................... Pagina 65
• Pagina's als MessageType is ingesteld op 'CC':
MIDI1-1 Pagina Control Change Number & Value ....................................... Pagina 65
MIDI1-2 Pagina MIDI Channel ..................................................................... Pagina 65
• Pagina's als MessageType is ingesteld op 'PC':
MIDI1-1 Pagina Program Change ................................................................ Pagina 66
MIDI1-2 Pagina MIDI Channel ..................................................................... Pagina 66
• Er zijn geen pagina's met instellingen als MessageType is ingesteld op
'strt', 'cont' of 'stop'.
MIDI3-1 Pagina Transmit .............................................................................. Pagina 67
MIDI3-2 Pagina Volume................................................................................ Pagina 67
MIDI3-3 Pagina Pan..................................................................................... Pagina 67
MIDI3-4 Pagina Program Change ................................................................ Pagina 67
MIDI3-5 Pagina Variation Send Level........................................................... Pagina 68
MIDI3-6 Pagina Chorus Send Level............................................................. Pagina 68
MIDI3-7 Pagina Reverb Send Level ............................................................. Pagina 68
MIDI3-8 Pagina CC Number & Value ........................................................... Pagina 68
MIDI2-1 Pagina Tone Generator Switch ....................................................... Pagina 66
MIDI2-2 Pagina External MIDI Switch.......................................................... Pagina 66
Secties Pagina's met parameterinstellingen
MIDI-instellingengebied (MIDI)
62 Gebruikershandleiding
Berichttype selecteren
Als u op de knop [MIDI] drukt, wordt een pagina geopend waarop
u het type MIDI-bericht (MIDI1) kunt selecteren. Op deze pagina
kunt u het type MIDI-bericht selecteren dat aan elke pad wordt
toegewezen.
1Padnummer
Gebruik deze parameter om de pad te selecteren die u wilt
instellen. U kunt ook op een pad tikken om deze te selecteren.
BBerichttype
Gebruik deze parameter om het type MIDI-bericht in te
stellen dat wordt verzonden wanneer de pad, aangegeven
met 1, wordt aangeslagen.
note........... Er wordt een MIDI-noot verzonden. Gebruik
deze instelling als u een geluid wilt produceren
wanneer u op de pad tikt.
•CC............ Er wordt een besturingswijzigingsbericht
verzonden.
•PC............. Er wordt een programmawijzigingsbericht
verzonden.
strt............. Er wordt een SysEx FA Start-opdracht
verzonden.
cont........... Er wordt een SysEx FB Continue-opdracht
verzonden.
stop ........... Er wordt een SysEx FC Stop-opdracht
verzonden.
Berichten van het type 'note' worden gelijktijdig naar de interne
toongenerator van DTX-MULTI 12 en de aangesloten externe
MIDI-apparaten verzonden.
Andere berichttypen worden alleen naar de aangesloten externe
MIDI-apparaten verzonden.
Welke pagina's met parameterinstellingen u vanuit
de sectie MIDI1 kunt openen, is afhankelijk van het
type MIDI-bericht dat is geselecteerd.
•Pagina's met parameterinstellingen voor 'note'-berichten
worden op deze pagina toegelicht.
•Pagina's met parameterinstellingen voor 'CC'-berichten
worden op pagina 65 toegelicht.
•Pagina's met parameterinstellingen voor
'PC'-berichten worden op pagina 66 toegelicht.
1Padnummer
BAfspeelmodus
Gebruik deze parameter om Stack, Alternate of Hold in te
stellen als afspeelmodus voor de pad, aangegeven met 1.
Op de volgende pagina worden enkele veelvoorkomende
toepassingen van deze modi uitgelegd.
stack ......... Als de Stack-modus is geselecteerd, worden alle
noten die aan de pad zijn toegewezen,
gelijktijdig geactiveerd. In deze modus kunt
u bijvoorbeeld akkoorden produceren of met één
tik meerdere voorgeprogrammeerde voices of
golven activeren. Als u maar één geluid wilt
produceren, selecteert u deze modus en wijst
u maar één voice aan de pad toe.
alternate.... Als de Alternate-modus is geselecteerd, worden
de noten die aan de pad zijn toegewezen een
voor een afgespeeld telkens wanneer de pad
wordt aangeslagen. Gebruik deze modus
bijvoorbeeld om telkens wanneer u op de pad
tikt een ander geluid te produceren.
hold .......... Als de Hold-modus is geselecteerd, worden de
noten die aan de pad zijn toegewezen
afwisselend in- en uitgeschakeld telkens
wanneer de pad wordt aangeslagen. Als
bijvoorbeeld een aangehouden geluid is
toegewezen, wordt dit met de eerste tik op de
pad ingeschakeld, met de volgende weer
uitgeschakeld, enzovoort.
Als op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) geen nootnummers aan de
lagen van de pad (A t/m D) zijn toegewezen, wordt deze instelling
weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
MIDI1
Instellingen
01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17, FTSW
(voetschakelaar), HHCL (hi-hat sluiten) of
HHSP (hi-hat splash)
Instellingen note, CC, PC, strt, cont of stop
MIDI1≥-º¡-
MessageType=note
1
2
OPMERKING
MIDI1≥-º¡-
MessageType=note
MIDI1≥-º¡-
MessageType=CC
Pagina's met parameterinstellingen
voor 'note'-berichten
MIDI1-1 Pagina Playing Mode
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen stack, alternate of hold
MIDI1≥-º¡-
MessageType=PC
MIDI1-1≥-º¡-
≥Mode=alternate
1
2
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
MIDI-instellingengebied (MIDI)
Gebruikershandleiding 63
1Padnummer
BLaagnummer
Gebruik deze parameter om de laag te selecteren die u wilt
instellen.
CNoot
Gebruik deze parameter om een MIDI-noot te selecteren die
verzonden moet worden door de laag, aangegeven met 2.
U kunt ook een van de volgende twee speciale instellingen
kiezen.
•off..............Ongeacht de instelling op de pagina Playing
Mode (MIDI1-1), wordt geen MIDI-noot
verzonden wanneer de pad is aangeslagen.
skip............Als 'alternate' op de pagina Playing Mode
(MIDI1-1) is geselecteerd, wordt deze laag
overgeslagen. Dat wil zeggen dat geen MIDI-
noot wordt verzonden wanneer deze laag aan de
beurt is om te worden afgespeeld. Als op de
pagina Playing Mode (MIDI1-1) 'stack' of 'hold'
is ingesteld, heeft deze instelling echter
hetzelfde effect als 'off' hierboven (d.w.z. dat
voor deze laag geen MIDI-noot wordt
afgespeeld).
Noten buiten het bereik van General MIDI worden tussen haakjes
weergegeven, bijvoorbeeld (C#-2/1).
Noten op MIDI-kanaal 10 die al aan een laag zijn toegewezen, worden
met een sterretje gemarkeerd, bijvoorbeeld *C3. Als u de nootinstelling
wijzigt voor een pad die op deze manier is aangeduid, wordt de
nootinstelling voor de andere pad op dezelfde manier gewijzigd.
1Padnummer
BLaagnummer
CMIDI-kanaal (MIDI Ch)
Gebruik deze parameter om het MIDI-kanaal in te stellen
voor MIDI-noten die verzonden worden voor de laag,
aangegeven met 2.
Als op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) geen nootnummer aan de lagen
van de pad (A t/m D) is toegewezen, wordt deze instelling
weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
Veelvoorkomende toepassingen van
de modi Stack, Alternate en Hold
Op de pagina Playing Mode (MIDI1-1) kunt u selecteren hoe
de vier lagen van een pad worden afgespeeld. Pads kunnen
bijvoorbeeld zo worden ingesteld dat ze een akkoord
produceren door meerdere lagen tegelijk af te spelen, of dat bij
elke volgende tik een andere laag wordt afgespeeld. Hier
volgen enkele voorbeelden van hoe deze modi kunnen worden
gebruikt.
Maar één geluid afspelen wanneer een pad wordt
aangeslagen
Selecteer 'stack' op de pagina Playing Mode (MIDI1-1) en
wijs op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) alleen aan laag A
een MIDI-noot toe.
Twee geluiden gelijktijdig afspelen wanneer een pad
wordt aangeslagen
Selecteer 'stack' op de pagina Playing Mode (MIDI1-1) en
wijs op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) aan laag A en B
een verschillende MIDI-noot toe.
Twee geluiden afwisselend afspelen telkens wanneer
een pad wordt aangeslagen
Selecteer 'alternate' op de pagina Playing Mode (MIDI1-1)
en wijs op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) aan laag A en
B een verschillende MIDI-noot toe.
Laag A en laag B afwisselend afspelen en dempen,
telkens wanneer een pad wordt aangeslagen
Selecteer 'alternate' op de pagina Playing Mode (MIDI1-1)
en wijs op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) een MIDI-
noot toe of 'spring' als volgt naar de lagen A t/m D.
Drie aangehouden geluiden gelijktijdig afspelen
wanneer een pad wordt aangeslagen, en deze afbreken
wanneer de pad opnieuw wordt aangeslagen
Selecteer 'hold' op de pagina Playing Mode (MIDI1-1) en
wijs als volgt op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) MIDI-
noten toe aan de lagen A t/m C. Selecteer bovendien 'on' voor
de lagen A t/m C op de pagina Receive Key-Off (MIDI1-5).
Als een noot op MIDI-kanaal 10 is toegewezen, moet u ervoor
zorgen dat u op de pagina Receive Key-Off (MIDI1-5) 'on'
selecteert voor de lagen A t/m C.
Laag Nootnummer
AD1
B uit
C uit
D uit
Laag Nootnummer
AD1
BE2
C uit
D uit
Laag Nootnummer
AD1
BE2
C uit
D uit
Laag Nootnummer
AD1
Boverslaan
CE2
Doverslaan
Laag Nootnummer
AC3
BE3
CG3
D uit
OPMERKING
MIDI1-2 Pagina MIDI Note
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen A, B, C of D
Instellingen off, C#-2/1 t/m F#8/126, of skip
MIDI1-3 Pagina MIDI Channel
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen A, B, C of D
Instellingen 1 t/m 16
MIDI1-2≥-º¡-≥≥≥ç
Note=*≥C#-1/≥13 3
1 2
OPMERKING
MIDI1-3≥-º¡-≥≥≥ç
≥≥≥MIDI≥Ch=10 3
1 2
OPMERKING
MIDI-instellingengebied (MIDI)
64 Gebruikershandleiding
1Padnummer
BLaagnummer
COmschakeltijd
Gebruik deze parameter om een omschakeltijd in te stellen
voor MIDI-noten die verzonden worden voor de laag,
aangegeven met 2. Er wordt een MIDI-noot Aan-bericht
verzonden wanneer een pad is aangeslagen, en een korte tijd
later wordt het corresponderende Noot Uit-bericht verzonden.
De duur tussen de verzending van deze signalen wordt de
'omschakeltijd' genoemd, en door deze instelling aan te
passen, kunt u de duur van MIDI-noten regelen.
Als op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) geen nootnummers aan de lagen
van de pad (A t/m D) zijn toegewezen, wordt deze instelling
weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
Als op de pagina Playing Mode (MIDI1-1) 'hold' is geselecteerd, wordt
deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
MIDI-noot Uit-berichten worden niet verzonden voor pads die op de
pagina Receive Key-Off (MIDI1-5) zijn ingesteld op 'off'. Als u een
omschakeltijd wilt instellen, moet u er dus voor zorgen dat RcvKeyOff
op 'on' staat.
1Padnummer
BLaagnummer
CReceive key-off (RcvKeyOff)
Gebruik deze parameter om in te stellen of MIDI-noot Uit-
berichten worden verzonden voor de laag, aangegeven met 2.
De meeste drumvoices zijn one-shot geluiden die na een tijdje
geheel zijn uitgeklonken. Daarom hebt u MIDI-noot Uit-
berichten nodig om deze te stoppen. Daarom moet deze
parameter gewoonlijk worden ingesteld op 'off'. Als echter
een niet-wegstervend geluid aan een pad of laag wordt
toegewezen, kunt u deze parameter op 'on' instellen om ervoor
te zorgen dat het vereiste MIDI-noot Uit-bericht wordt
verzonden. Daarnaast kunt u met de pagina Gate Time
(MIDI1-4) de hoeveelheid tijd instellen die verstrijkt tussen
het aanslaan van de pad en het verzenden van MIDI-noot
Uit-berichten.
Als op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) geen nootnummers aan de
lagen van de pad (A t/m D) zijn toegewezen, wordt deze instelling
weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
De verzending van MIDI-noot Uit-berichten wordt automatisch
ingeschakeld wanneer een ander MIDI-kanaal dan 10 op de pagina
MIDI Channel (MIDI1-3) is geselecteerd. In dat geval wordt deze
instelling dus weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
1Padnummer
BLaagnummer
CLaagste snelheid
DHoogste snelheid
Gebruik deze parameters om het snelheidsbereik in te stellen
dat tot gevolg heeft dat de laag, aangegeven met 2, een MIDI-
nootbericht verzendt. De term 'snelheid' verwijst naar de
snelheid (of kracht) waarmee een pad wordt aangeslagen. Door
met deze parameters een hoogste en laagste snelheid in te
stellen, kunt u voorkomen dat geluiden worden geproduceerd
wanneer een pad te hard of te zacht wordt aangeslagen.
Als op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) geen nootnummers aan de
lagen van de pad (A t/m D) zijn toegewezen, worden deze instellingen
weergegeven als '---' en kunnen ze niet worden gewijzigd.
1Padnummer
BActiveringssnelheid (TrgVel)
Gebruik deze parameter om de snelheid te regelen van MIDI-
noten die worden verzonden wanneer de pad, aangegeven met
1, wordt aangeslagen.
•variable..... De waarden voor MIDI-snelheden drukken de
kracht uit waarmee de pad wordt aangeslagen.
•1 – 127...... Voor deze vaste snelheid worden MIDI-noten
verzonden, ongeacht hoe hard of zacht de pad
wordt aangeslagen.
Als op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) geen nootnummers aan de
lagen van de pad (A t/m D) zijn toegewezen, wordt deze instelling
weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
Er wordt geen geluid geproduceerd als TrgVel 2 is ingesteld op een
waarde buiten de limieten die op de pagina Velocity Limits (MIDI1-6)
zijn ingesteld.
MIDI1-4 Pagina Gate Time
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen A, B, C of D
Instellingen 0,0s to 9,9s
MIDI1-5 Pagina Receive Key-Off
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen A, B, C of D
Instellingen off of on
MIDI1-4≥-º¡-≥≥≥ç
≥GateTime=0.0s 3
1 2
OPMERKING
MIDI1-5≥-º¡-≥≥≥ç
≥RcvKeyOff=off 3
1 2
MIDI1-6 Pagina Velocity Limits
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen A, B, C of D
Instellingen 0 t/m 127
MIDI1-7 Pagina Trigger Velocity
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen variable of 1 t/m 127
OPMERKING
MIDI1-6≥-º¡-≥≥≥ç
VelLimit=≥≥0-127
3 4
1 2
OPMERKING
MIDI1-7≥-º¡-≥≥≥
TrgVel=variable
1
2
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
MIDI-instellingengebied (MIDI)
Gebruikershandleiding 65
1Padnummer
BMono/poly activeren (TrgMonoPoly)
Gebruik deze parameter om te regelen wat er gebeurt wanneer
de pad, aangegeven met 1, herhaaldelijk wordt aangeslagen.
mono ........ Het vorige geluid wordt gestopt voordat een
nieuw geluid start.
poly .......... Eerdere geluiden blijven doorklinken wanneer
een nieuw geluid start.
Als op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) geen nootnummers aan de
lagen van de pad (A t/m D) zijn toegewezen, wordt deze instelling
weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
MIDI-noot Uit-berichten worden niet verzonden als 'off' is geselecteerd
op de pagina Receive Key-Off (MIDI1-5). Als u eenstemmigheid wilt
instellen, moet u er dus voor zorgen dat deze parameter op 'on' staat.
U zorgt er zo voor dat Noot Uit-berichten worden verzonden om te
voorkomen dat voices elkaar overlappen.
1Padnummer
BAfwisselingsgroep activeren (TrgAltGrp)
Gebruik deze parameter om de pad, aangegeven met 1 toe te
wijzen aan een afwisselingsgroep, als dat nodig is.
Afwisselingsgroepen zijn eentonige padreeksen. Dat betekent
dat maar één pad tegelijk uit een afwisselingsgroep een geluid
kan produceren. Als een pad wordt aangeslagen terwijl een
andere pad uit dezelfde afwisselingsgroep al een geluid
produceert, wordt voor de eerste pad een MIDI-noot Uit-
bericht en voor de tweede pad een MIDI-noot Aan-bericht
verzonden. Om afwisselingsgroepen te kunnen gebruiken met
voices die op MIDI-kanaal 10 worden afgespeeld, moeten
MIDI-noot Uit-berichten zijn ingeschakeld. Daartoe stelt
u RcvKeyOff op de pagina Receive Key-Off (MIDI1-5) in op
'on'. U kunt op de DTX-MULTI 12 maximaal 32
afwisselingsgroepen instellen. Als geen pad aan een
afwisselingsgroep hoeft toe te wijzen, kunt u deze parameter
instellen op 'off'.
Als op de pagina MIDI Note (MIDI1-2) geen nootnummers aan de
lagen van de pad (A t/m D) zijn toegewezen, wordt deze instelling
weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
MIDI-noot Uit-berichten worden niet verzonden als 'off' is ingesteld op
de pagina Receive Key-Off (MIDI1-5). Als u afwisselingsgroepen wilt
gebruiken, moet u er dus voor zorgen dat deze parameter op 'on'
staat. U zorgt er zo voor dat Noot Uit-berichten worden verzonden om
te voorkomen dat voices elkaar overlappen.
1Padnummer
BBesturingswijzigingsnummer (CCNo)
Gebruik deze parameter om het type MIDI-
besturingswijzigingsbericht in te stellen dat wordt verzonden
wanneer de pad, aangegeven met 1, wordt aangeslagen.
CBesturingswijzigingswaarde (Val)
Gebruik deze parameter om een waarde voor het MIDI-
besturingswijzigingsbericht in te stellen dat wordt verzonden
wanneer de pad, aangegeven met 1, wordt aangeslagen.
•VARI .........De besturingswijzigingswaarde is afhankelijk
van hoe hard de pad wordt aangeslagen.
•0 – 127 ......Voor deze vaste snelheid worden
besturingswijzigingsberichten verzonden,
ongeacht hoe hard of zacht de pad wordt
aangeslagen.
•Voordat u Val 3 instelt op 'VARI', moet u de pagina Trigger Velocity
(MIDI1-7) met Message Type=note (MIDI1) openen en de parameter
TrgVel instellen op 'variable'.
1Padnummer
BMIDI-kanaal (MIDI Ch)
Gebruik deze parameter om een MIDI-kanaal in te stellen
voor de besturingswijzigingsberichten die worden verzonden
wanneer de pad, aangegeven met 1, wordt aangeslagen.
MIDI1-8 Pagina Trigger Polyphony
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen mono of poly
MIDI1-9 Pagina Trigger Alternate Group
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen off of 1 t/m 32
MIDI1-8≥-º¡-
TrgMonoPoly=poly
1
2
OPMERKING
MIDI1-9≥-º¡-≥≥
TrgAltGrp=off
1
2
OPMERKING
Pagina's met parameterinstellingen
voor 'CC'-berichten
MIDI1-1 Pagina Control Change
Number & Value
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen 1 t/m 95
Instellingen VARI of 0 t/m 127
MIDI1-2 Pagina MIDI Channel
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen 1 t/m 16
MIDI1-1≥-º¡-
CCNo=≥7/Val=VARI
1
23
OPMERKING
MIDI1-2≥-º¡-
≥≥≥MIDI≥Ch=10
1
2
MIDI-instellingengebied (MIDI)
66 Gebruikershandleiding
1Padnummer
BBankselectie MSB (M)
Gebruik deze parameter om een waarde voor MSB-
bankselectie in te stellen die wordt verzonden wanneer de
pad, aangegeven met 1, wordt aangeslagen.
CBankselectie LSB (L)
Gebruik deze parameter om een waarde voor LSB-bankselectie
in te stellen die wordt verzonden wanneer de pad, aangegeven
met 1, wordt aangeslagen.
DProgrammawijziging (PC)
Gebruik deze parameter om een programmawijzigingsnummer
in te stellen dat wordt verzonden wanneer de pad, aangegeven
met 1, wordt aangeslagen.
1Padnummer
BMIDI-kanaal (MIDI Ch)
Gebruik deze parameter om het MIDI-kanaal in te stellen
voor de programmawijzigingsberichten die worden verzonden
wanneer de pad, aangegeven met 1, wordt aangeslagen.
MIDI-bestemmingsschakelaars
Druk op de pagina TG/MIDI SWITCH (MIDI2) op de knop
[ENTER] om de twee pagina's met parameterinstellingen te
openen (MIDI2-1, MIDI2-2). Met de knoppen [B]/[C] kunt
u tussen deze pagina's schakelen.
1MIDI-kanaal (Ch)
Gebruik deze parameter om het MIDI-kanaal (1 t/m 16) te
selecteren dat u wilt instellen.
BToongeneratorschakelaar (TGSwitch)
Gebruik deze parameter om aan te geven of MIDI-berichten
die zijn geproduceerd door pads af te spelen en drumkits te
wijzigen, naar de interne toongenerator moeten worden
verzonden. (Kies 'on' als u berichten naar de toongenerator
wilt verzenden.)
1MIDI-kanaal (Ch)
Gebruik deze parameter om het MIDI-kanaal (1 t/m 16) te
selecteren dat u wilt instellen.
BExterne MIDI-schakelaar (MIDI Switch)
Gebruik deze parameter om aan te geven of MIDI-berichten
die zijn geproduceerd door pads af te spelen en drumkits te
wijzigen, naar een externe toongenerator moeten worden
verzonden via de MIDI OUT-aansluiting op het achterpaneel
of via de USB TO HOST-poort op het zijpaneel. (Kies 'on' om
de berichten te verzenden.)
Pagina's met parameterinstellingen
voor 'PC'-berichten
MIDI1-1 Pagina Program Change
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen 000 t/m 127
Instellingen 000 t/m 127
Instellingen 001 t/m 128
MIDI1-2 Pagina MIDI Channel
Instellingen 01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17,
FTSW, HHCL of HHSP
Instellingen 1 t/m 16
MIDI1-1≥-º¡-
M000/L000/PC001
1
32 4
MIDI1-2≥-º¡-
≥≥≥MIDI≥Ch=10
1
2
MIDI2 TG/MIDI-schakelaar
MIDI2-1 Pagina Tone Generator Switch
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen off of on
MIDI2-2 Pagina External MIDI Switch
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen off of on
MIDI2
≥TG/MIDI≥SWITCH
MIDI2-1≥≥≥≥≥Ch≥1
≥TG≥Switch=off
1
2
MIDI2-2≥≥≥≥≥Ch≥1
MIDI≥Switch=off
1
2
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
MIDI-instellingengebied (MIDI)
Gebruikershandleiding 67
Overige MIDI-instellingen
In de sectie OTHER kunt u diverse MIDI-berichten instellen die
worden verzonden wanneer de huidige kit is geselecteerd. Druk
op de pagina OTHER (MIDI3) op de knop [ENTER] om de acht
pagina's met parameterinstellingen te openen (MIDI3-1 t/m
MIDI3-8). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's
navigeren.
1MIDI-kanaal (Ch)
Gebruik deze parameter om het MIDI-kanaal (1 t/m 16) te
selecteren dat u wilt instellen.
BVerzenden
Gebruik deze parameter om aan te geven welke MIDI-
berichten worden verzonden wanneer de huidige kit is
geselecteerd.
•off ............. Er worden geen MIDI-berichten verzonden.
all ............. Alle relevante MIDI-berichten worden
verzonden. (Zie de beschrijvingen bij de
volgende pagina met parameterinstellingen voor
meer details.)
•PC............. Er worden alleen
programmawijzigingsberichten en MSB/LSB-
bankselectieberichten verzonden.
1MIDI-kanaal (Ch)
BVolume
Gebruik deze parameter om een volumewaarde in te stellen
die wordt verzonden wanneer de huidige kit is geselecteerd.
Als 'off' of 'PC' op de pagina Transmit (MIDI3-1) is geselecteerd, wordt
deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
1MIDI-kanaal (Ch)
BPan
Gebruik deze parameter om de panwaarde in te stellen die
wordt verzonden wanneer de huidige kit is geselecteerd.
Als 'off' of 'PC' op de pagina Transmit (MIDI3-1) is geselecteerd, wordt
deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
1MIDI-kanaal (Ch)
BBankselectie MSB (M)
Gebruik deze parameter om een MSB-bankselectiewaarde in
te stellen die wordt verzonden wanneer de huidige kit is
geselecteerd.
CBankselectie LSB (L)
Gebruik deze parameter om een LSB-bankselectiewaarde in
te stellen die wordt verzonden wanneer de huidige kit is
geselecteerd.
DProgrammawijziging (PC)
Gebruik deze parameter om een
programmawijzigingsnummer in te stellen dat wordt
verzonden wanneer de huidige kit is geselecteerd.
Als 'off' op de pagina Transmit (MIDI3-1) is geselecteerd, worden deze
instellingen weergegeven als '---' en kunnen ze niet worden gewijzigd.
MIDI3 OTHER
MIDI3-1 Pagina Transmit
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen off, all of PC
MIDI3-2 Pagina Volume
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen 0 t/m 127
MIDI3
≥≥≥≥≥OTHER
MIDI3-1≥≥≥≥≥Ch≥1
≥≥Transmit=all
1
2
MIDI3-2≥≥≥≥≥Ch≥1
≥≥≥Volume=100
1
2
OPMERKING
MIDI3-3 Pagina Pan
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen L63 t/m C t/m R63
MIDI3-4 Pagina Program Change
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen 000 t/m 127
Instellingen 000 t/m 127
Instellingen 001 t/m 128
MIDI3-3≥≥≥≥≥Ch≥1
≥≥≥≥Pan=≥C
1
2
OPMERKING
MIDI3-4≥≥≥≥≥Ch≥1
M000/L000/PC001
1
32 4
OPMERKING
MIDI-instellingengebied (MIDI)
68 Gebruikershandleiding
Op de pagina's Variation Send Level, Chorus Send Level en
Reverb Send Level kunt u het verzendniveau aanpassen dat moet
worden ingesteld voor elk van de corresponderende
effecteenheden wanneer de huidige kit is geselecteerd.
Als 'off' of 'PC' op de pagina Transmit (MIDI3-1) is geselecteerd, worden
deze instellingen weergegeven als '---' en kunnen ze niet worden gewijzigd.
Parameter 2 op elke pagina's wordt gebruikt om het
corresponderende verzendniveau aan te passen. Parameter 1 is
op de drie pagina's identiek.
[Instellingsvoorbeeld met de pagina Variation Send
Level (MIDI3-5)]
1MIDI-kanaal (Ch)
[MIDI3-5 Pagina Variation Send Level]
BVariation send-niveau (Var)
Gebruik deze parameter om het verzendniveau van het
Variation-effect in te stellen dat wordt verzonden wanneer
de huidige kit is geselecteerd.
Als het MIDI-kanaal 1 is ingesteld op 10, wordt deze instelling
weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
[MIDI3-6 Pagina Chorus Send Level]
2Chorus send-niveau (ChoSend)
Gebruik deze parameter om het verzendniveau van het
Chorus-effect in te stellen dat wordt verzonden wanneer
de huidige kit is geselecteerd.
[MIDI3-7 Pagina Reverb Send Level]
2Reverb Send-niveau (RevSend)
Gebruik deze parameter om het verzendniveau van het
Reverb-effect in te stellen dat wordt verzonden wanneer
de huidige kit is geselecteerd.
1MIDI-kanaal (Ch)
BBesturingswijzigingsnummer (CCNo)
Gebruik deze parameter om het type (of nummer) van het
MIDI-besturingswijzigingsbericht in te stellen dat wordt
verzonden wanneer de huidige kit is geselecteerd. Bij de
instelling 'off' worden geen besturingswijzigingsberichten
verzonden.
CBesturingswijzigingswaarde (Val)
Gebruik deze parameter om een waarde in te stellen voor de
MIDI-besturingswijzigingsberichten die worden verzonden
wanneer de huidige kit is geselecteerd.
Als 'off' of 'PC' op de pagina Transmit (MIDI3-1) is geselecteerd,
worden deze instellingen weergegeven als '---' en kunnen ze niet
worden gewijzigd.
Als het type MIDI-besturingswijzigingsbericht dat op deze pagina
(MIDI3-8) is ingesteld, overeenkomt met een van de
besturingswijzigingsberichttypen die op de volgende pagina's zijn
ingesteld, krijgt de instelling op deze pagina prioriteit: Volume (MIDI3-
2), Pan (MIDI3-3), Variation Send Level (MIDI3-5), Chorus Send Level
(MIDI3-6) of Reverb Send Level (MIDI3-7).
MIDI3-5 Pagina Variation Send Level
MIDI3-6 Pagina Chorus Send Level
MIDI3-7 Pagina Reverb Send Level
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen 0 t/m 127
Instellingen 0 t/m 127
Instellingen 0 t/m 127
OPMERKING
MIDI3-5≥≥≥≥≥Ch≥1
Var=≥≥0(Dry=127)
1
2
OPMERKING
MIDI3-8 Pagina CC Number & Value
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen off of 1 t/m 95
Instellingen 0 t/m 127
MIDI3-8≥≥≥≥≥Ch≥1
CCNo=off/Val=≥≥0
1
32
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Gebruikershandleiding 69
WAVE-instellingengebied (WAVE)
In deze sectie wordt het WAVE-instellingengebied beschreven, dat u kunt openen met de knop [WAVE]. Met de
DTX-MULTI 12 kunt u .aif- en .wav-audiobestanden uit diverse bronnen importeren. Deze bestanden ('waves'
genoemd) kunnen vervolgens op dezelfde manier worden gebruikt als de voorgeprogrammeerde voices en patronen
van het instrument. Het WAVE-instellingengebied wordt gebruikt om waves te importeren en te bewerken.
Indeling van het WAVE-instellingengebied
Het WAVE-instellingengebied bestaat uit de volgende vier secties (WAVE1 t/m WAVE4). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze
secties navigeren. Als een sectie pagina's met parameterinstellingen bevat, brandt de knop [ENTER]. Druk op de knop [ENTER] om deze
pagina's te openen. In bepaalde gevallen kunt u een aantal extra pagina's vanaf de pagina met parameterinstellingen openen, ook met de
opgelichte knop [ENTER]. Bovendien kunt u op de knop [EXIT] drukken als u terug wilt gaan in de richting van het begin van het
instellingengebied.
Zorg ervoor dat u geïmporteerde waves of instellingen die u hebt bewerkt, opslaat voordat u het instrument uitzet of een nieuwe kit selecteert.
(Zie pagina 45.)
LET OP
WAVE1
WV001:EmptyWave
WAVE2
≥≥≥≥≥COMMON
WAVE3
≥≥≥≥≥≥JOB
WAVE4
≥≥MEMORY≥INFO
Waves selecteren en afspelen ..................................................................... Pagina 70
WAVE4-1 Pagina Memory Info..................................................................... Pagina 73
WAVE2-1 Pagina Wave Playback Mode....................................................... Pagina 70
WAVE2-2 Pagina Trimming .......................................................................... Pagina 71
WAVE2-3 Pagina Wave Name ..................................................................... Pagina 71
WAVE3-1 Pagina Import All ......................................................................... Pagina 72
WAVE3-2 Pagina Normalize ........................................................................ Pagina 73
WAVE3-3 Pagina Delete .............................................................................. Pagina 73
WAVE3-4 Pagina Delete All ......................................................................... Pagina 73
WAVE3-5 Pagina Optimize Memory ............................................................ Pagina 73
Secties Pagina's met parameterinstellingen
WAVE-instellingengebied (WAVE)
70 Gebruikershandleiding
Waves selecteren en afspelen
Gebruik de pagina Select Wave (WAVE1) om waves te selecteren
en af te spelen. U kunt op deze pagina alleen waves selecteren die
in het interne geheugen van de DTX-MULTI 12 zijn opgeslagen
nadat ze zijn geïmporteerd (zie pagina 72). Met andere woorden,
audiobestanden die op een USB-geheugenapparaat zijn
opgeslagen, zijn niet onmiddellijk beschikbaar voor selectie
wanneer u het USB-apparaat aansluit.
Op de pagina Select Wave kunt u de geselecteerde wave bekijken
door de knop [WAVE] ingedrukt te houden. Laat de knop los om
het afspelen te stoppen.
AWavenummer: Wavenaam
Afspeelmodus, trimpunten en naam
In de sectie COMMON kunt u een afspeelmodus voor de
geselecteerde wave kiezen en andere gerelateerde handelingen
uitvoeren, zoals waves trimmen en een naam geven. Druk op de
pagina COMMON (WAVE2) op de knop [ENTER] om de drie
pagina's met parameters te openen (WAVE2-1 t/m WAVE2-3).
Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's navigeren.
Als de geselecteerde wave geen gegevens bevat, kunt u met de knop
[ENTER] geen parameterpagina's openen.
1Afspeelmodus (PlayMode)
Gebruik deze parameter om in te stellen hoe de geselecteerde
wave wordt afgespeeld wanneer deze aan een pad is
toegewezen. Voor details over het bewerken van begin-, eind-
en luspunten, raadpleegt u de beschrijving van de pagina
Trimming (WAVE2-2) hieronder.
oneshot ..... De wave wordt eenmaal vanaf het beginpunt tot
het eindpunt afgespeeld. Deze modus wordt
normaliter geselecteerd voor drums, speciale
effecten en andere niet-geluste geluiden.
loop .......... De wave wordt ononderbroken afgespeeld, eerst
van het beginpunt tot het eindpunt, en daarna
herhaaldelijk vanaf het luspunt tot het eindpunt.
WAVE1
Instellingen WV001 t/m WV500
WAVE2
WAVE1
WV001:My≥Wave
1
WAVE2
≥≥≥≥≥COMMON
OPMERKING
WAVE2-1 Pagina Wave Playback Mode
Instellingen oneshot of loop
WAVE2-1≥<COMMON>
PlayMode=oneshot 1
Startpunt Eindpunt
One-shot afspelen
Startpunt Eindpunt
Gelust afspelen
Luspunt
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
WAVE-instellingengebied (WAVE)
Gebruikershandleiding 71
Op de pagina Trimming kunt u de begin-, eind- en luspunten van
de geselecteerde wave bewerken. Druk op de pagina Trimming
(WAVE2-2) op de knop [ENTER] om de pagina met
triminstellingen te openen.
WAVE2-2-1 Pagina Trimming Settings
1Trimpunt
Gebruik deze parameter om het trimpunt te selecteren dat
u wilt instellen. Zoals u in het volgende diagram kunt zien,
kunt u drie verschillende trimpunten selecteren – begin,
lus en einde.
Start ........Dit is de positie waarop het afspelen begint.
Met andere woorden, gegevens vóór dit punt
(dus met een kleinere positiewaarde) worden niet
afgespeeld.
Loop ....... Dit is de positie waarop het lussen begint.
Als 'loop' op de pagina Wave Playback Mode
(WAVE2-1) is geselecteerd, wordt het afspelen
ononderbroken herhaald tussen dit punt en het
eindpunt.
End ......... Dit is de positie waarop het afspelen eindigt.
Met andere woorden, gegevens na dit punt
(dus met een grotere positiewaarde) worden
niet afgespeeld.
BPunt
Gebruik deze parameter om een positiewaarde van vijf cijfers
voor het geselecteerde trimpunt op te geven. Met de knoppen
[B]/[C] kunt u de cursor tussen cijfers verplaatsen, en met
de knoppen [-/DEC] en [+/INC] kunt u de corresponderende
waarde wijzigen.
Als u de wave met de huidige instellingen wilt beluisteren, drukt u op
de pagina Trimming Settings op de knop [WAVE].
Op de pagina Wave Name kunt u de geselecteerde wave een naam
geven. Druk op deze pagina op de knop [ENTER] om de pagina
Wave Name Settings te openen.
WAVE2-3-1 Pagina Wave Name Settings
Op de pagina Wave Name Settings kunt u een wavenaam van
maximaal 10 tekens instellen. Gebruik de knoppen [B]/[C]
om de knipperende cursor te verplaatsen naar het teken dat
u wilt wijzigen, en selecteer vervolgens een nieuw teken met
de knoppen [-/DEC] en [+/INC]. Een wavenaam mag de
volgende tekens bevatten.
[spatie]
Andere wave-gerelateerde taken
In de sectie JOB kunt u waves maken door .wav- of .aiff-
bestanden van een USB-geheugenapparaat naar het interne
geheugen van de DTX-MULTI 12 te importeren. U kunt ook een
aantal andere gerelateerde taken uit voeren. Druk op de pagina
JOB (WAVE3) op de knop [ENTER] om de vier pagina's met
parameterinstellingen te openen (WAVE3-1 t/m WAVE3-5). Met
de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's navigeren.
Telkens wanneer u op [ENTER] drukt om een bewerking in een
JOB-sectie uit te voeren, wordt u gevraagd deze handeling te
bevestigen. Druk nogmaals op [ENTER] om verder te gaan.
WAVE2-2 Pagina Trimming
Instellingen start, loop of end
Instellingen Vanaf 00000
WAVE2-2≥<COMMON>
≥≥≥≥Trimming
WAVE2-2-1≥≥start
≥≥Point=05000
1
2
Startpunt Eindpunt
Gelust afspelen
Luspunt
OPMERKING
WAVE2-3 Pagina Wave Name
WAVE3 JOB
WAVE2-3≥<COMMON>
≥≥≥≥≥≥Name
WAVE2-3-1
≥≥[MyWave≥1≥]
Wavenaam
!"#$%&'()*+,-./0123456789:;<=>?@
ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ[\]^_`
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz{|}ßå
WAVE3
≥≥≥≥≥≥JOB
≥≥≥Normalize
≥Are≥you≥sure?
WAVE-instellingengebied (WAVE)
72 Gebruikershandleiding
Op de pagina Import All kunt u alle .wav- of .aiff-bestanden van
een USB-geheugenstation in het interne geheugen van de
DTX-MULTI 12 importeren.
Bestanden kunnen ook afzonderlijk worden geïmporteerd. De procedures
hiervoor worden rechts beschreven.
Alleen .wav- en .aiff-bestanden kunnen worden geïmporteerd.
1Zorg ervoor dat de .wav- en .aiff-bestanden die u wilt
importeren, zich in de hoofdmap van het USB-
geheugenapparaat bevinden. U kunt ze eventueel
met een computer naar de hoofdmap verplaatsen.
2Sluit het USB-geheugenapparaat aan op de USB TO
DEVICE-poort van het instrument.
3Druk op de pagina JOB (WAVE3) op de knop
[ENTER] en indien nodig op de knoppen [B]/[C]
om de pagina Import All te openen (WAVE3-1).
4Druk nogmaals op de knop [ENTER].
U wordt gevraagd te bevestigen dat u alle bestanden wilt
importeren. U kunt dan op [EXIT] drukken om naar de vorige
pagina terug te keren zonder te importeren.
5Druk op de knop [ENTER] om te importeren.
Elke geïmporteerde wave krijgt automatisch een
wavenummer toegewezen.
U kunt op elk moment tijdens het importproces op [EXIT]
drukken om het proces te beëindigen. Bestanden die op dat
moment volledig zijn geïmporteerd, blijven in het interne
geheugen van de DTX-MULTI 12 staan.
Als er onvoldoende ruimte beschikbaar is in het interne geheugen van
het instrument, wordt het bericht 'Wave memory full' weergegeven, en
wordt het importproces beëindigd. Voordat u het importproces
herhaalt, dient u extra geheugen vrij te maken door waves die u niet
meer nodig hebt, te verwijderen via de pagina Delete (WAVE3-3) of de
pagina Delete All (WAVE3-4).
WAVE3-1 Pagina Import All
OPMERKING
WAVE3-1≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥Import≥All
≥≥≥Import≥All
≥Are≥you≥sure?
Now≥Importing...
[EXIT]≥to≥cancel
OPMERKING
Afzonderlijke audiobestanden
importeren
Ga als volgt te werk als u afzonderlijke .wav- en .aiff-
bestanden van een USB-geheugenapparaat wilt importeren in
het interne geheugen van de DTX-MULTI 12.
Alleen .wav- en .aiff-bestanden kunnen worden geïmporteerd.
1Zorg ervoor dat het .wav- of .aiff-bestand dat
u wilt importeren, zich in de hoofdmap van het
USB-geheugenapparaat bevindt. U kunt het
eventueel met een computer naar de hoofdmap
verplaatsen.
2Sluit het USB-geheugenapparaat aan op de USB
TO DEVICE-poort van het instrument.
3Houd de knop [SHIFT] ingedrukt en druk op
[WAVE] om de pagina IMPORT (zie hieronder)
te openen.
4Gebruik de knoppen [-/DEC] en [+/INC] om het
audiobestand te selecteren dat u wilt importeren.
5Druk op de knop [ENTER] om te importeren.
Wanneer het geselecteerde bestand is geïmporteerd, kunt
u het bestand vanaf de pagina IMPORT toewijzen aan een
pad in de geselecteerde kit.
Als er onvoldoende ruimte beschikbaar is in het interne geheugen
van het instrument, wordt het bericht 'Wave memory full'
weergegeven, en wordt het importproces beëindigd. Voordat u het
importproces herhaalt, dient u extra geheugen vrij te maken door
waves die u niet meer nodig hebt, te verwijderen via de pagina
Delete (WAVE3-3) of de pagina Delete All (WAVE3-4).
6Gebruik de knoppen [-/DEC] en [+/INC] om de pad
te selecteren waaraan u de wave wilt toewijzen.
De beschikbare opties zijn 01 t/m 13, 13R1, 13R2, 14 t/m
17, FTSW, HHCL en HHSP. U kunt een pad ook
selecteren door erop te tikken. U kunt ook 'off' selecteren
als u de geïmporteerde wave in het interne geheugen van
het instrument wilt opslaan zonder het op dat moment aan
een pad toe te wijzen.
7Nadat u de wave hebt toegewezen, drukt u op
[ENTER] om de procedure te voltooien.
OPMERKING
IMPORT
≥≥≥Surdo.WAV
IMPORT
≥≥≥FillX.AIF
Naam van het audiobestand dat u wilt importeren
OPMERKING
IMPORT
≥PadAssign=¡£Ω¡
Padnummer
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
WAVE-instellingengebied (WAVE)
Gebruikershandleiding 73
Op de pagina Normalize kunt u het volume van de geselecteerde
wave verhogen. Druk op deze pagina op de knop [ENTER] om de
pagina Ratio (WAVE3-2-1) te openen. Hier kunt u opgeven in
welke mate u het volume van de wave wilt verhogen.
WAVE3-2-1 Pagina Ratio
1Ratio
Gebruik deze parameter om op te geven in welke mate u het
volume van de wave wilt verhogen. In het algemeen wordt
een percentage van 100% of lager gebruikt. Bij de instelling
100% wordt het volume verhoogd tot het maximale niveau
zonder dat clipping plaatsvindt. (Het is mogelijk om
percentages hoger dan 100% op te geven, maar dan is het
mogelijk dat de wave wordt vervormd.)
Op de pagina Delete kunt u de wave verwijderen die op de pagina
Select Wave (WAVE1) is geselecteerd.
Druk op de pagina Delete op [ENTER], en druk nogmaals op
[ENTER] wanneer u wordt gevraagd of u verder wilt gaan.
Op de pagina Delete All kunt u alle waves uit het interne
geheugen van de DTX-MULTI 12 verwijderen.
Druk op de pagina Delete All op [ENTER], en druk nogmaals op
[ENTER] wanneer u wordt gevraagd of u verder wilt gaan.
Op de pagina Optimize Memory kunt u de hoeveelheid
ongebruikt wavegeheugen maximaliseren. Daartoe wordt de
inhoud van het interne wavegeheugen van de DTX-MULTI 12
opnieuw ingedeeld om meer geheugen vrij te maken.
Optimalisering kan een doeltreffende manier zijn om de
hoeveelheid beschikbaar geheugen voor waves te verhogen.
Status wavegeheugen
In de sectie MEMORY INFO kunt u de gebruiksstatus van het
wavegeheugen van de DTX-MULTI 12 weergeven. Als u de
status van het geheugengebruik wilt weergeven, gaat u naar de
sectie MEMORY INFO (WAVE4) en drukt u op [ENTER].
1Percentage geheugengebruik (%)
Dit geeft aan hoeveel procent van het totale wavegeheugen op
dat moment wordt gebruikt.
BGebruikt geheugen / Totaal geheugen
Dit geeft de hoeveelheid gebruikt geheugen en de totale
hoeveelheid wavegeheugen aan in megabyte (MB).
Bepaalde audiobestanden hebben meer geheugen van het instrument
nodig dan de corresponderende bestandsgrootte op uw computer
aangeeft.
WAVE3-2 Pagina Normalize
Instellingen 1 t/m 800
WAVE3-3 Pagina Delete
WAVE3-4 Pagina Delete All
WAVE3-2≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥Normalize
WAVE3-2-1
≥≥≥Ratio=100% 1
WAVE3-3≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥≥≥Delete
WAVE3-4≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥Delete≥All
WAVE3-5
Pagina Optimize Memory
WAVE4 MEMORY INFO
WAVE4-1 Pagina Memory Info
WAVE3-5≥≥≥≥<JOB>
Optimize≥Memory
WAVE4
≥≥MEMORY≥INFO
WAVE4-1≥≥≥≥≥0.0%
≥≥0.4MB≥/≥64.0MB
1
2
OPMERKING
74 Gebruikershandleiding
PATTERN-instellingengebied (PTN)
In deze sectie wordt het PATTERN-instellingengebied beschreven, dat u kunt openen met de knop [PTN]. In de
DTX-MULTI 12 zijn een enkele speciale voorgeprogrammeerde patronen voor afspelen (P001 t/m P128) ingebouwd,
naast de gebruikerspatronen die vrij opgenomen en bewerkt kunnen worden (U001 t/m U050). Gebruik het PATTERN-
gebied om deze patronen op te nemen en te bewerken.
De pagina's met parameterinstellingen in de sectie COMMON (PTN2), de sectie MIDI (PTN3) en de sectie JOB (PTN4) zijn niet toegankelijk als een
voorgeprogrammeerd patroon is geselecteerd. U kunt een voorgeprogrammeerd patroon echter bewerken door eerst een leeg gebruikerspatroon te selecteren
en vervolgens het voorgeprogrammeerde patroon naar het gebruikerspatroon te kopiëren met de pagina Copy Pattern (PTN4-5).
Indeling van het PATTERN-instellingengebied
Het PATTERN-instellingengebied bestaat uit vijf secties (PTN1 t/m PTN5). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze secties
navigeren. Als een sectie pagina's met parameterinstellingen bevat, brandt de knop [ENTER]. Druk op de knop [ENTER] om deze pagina's
te openen. In bepaalde gevallen kunt u een aantal extra pagina's vanaf de pagina met parameterinstellingen openen, ook met de opgelichte
knop [ENTER]. Bovendien kunt u op de knop [EXIT] drukken als u terug wilt gaan in de richting van het begin van het instellingengebied.
OPMERKING
Zorg ervoor dat u opgenomen patronen of instellingen die u hebt bewerkt, opslaat voordat u het instrument uitzet of een nieuwe kit selecteert.
(Zie pagina 45.)
LET OP
PTN1≥≥≥ƒ=120≥4/4
©P001:Demo≥01
PTN2≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥
≥≥≥≥≥COMMON≥≥≥≥≥
PTN3
≥≥≥≥≥≥MIDI
PTN4
≥≥≥≥≥≥JOB
PTN5
≥≥MEMORY≥INFO
Patroon selecteren ....................................................................................... Pagina 75
PTN4-1 Pagina Quantize Pattern................................................................. Pagina 78
PTN4-2 Pagina Merge Pattern ..................................................................... Pagina 79
PTN4-3 Pagina Clear Pattern....................................................................... Pagina 79
PTN4-4 Pagina Clear All Patterns................................................................ Pagina 79
PTN4-5 Pagina Copy Pattern....................................................................... Pagina 79
PTN4-6 Pagina Exchange Patterns ............................................................. Pagina 80
PTN4-7 Pagina Import SMF......................................................................... Pagina 80
PTN2-1 Pagina Pattern Loop ....................................................................... Pagina 75
PTN2-2 Pagina Pattern Tempo..................................................................... Pagina 75
PTN2-3 Pagina Pattern Name...................................................................... Pagina 76
PTN3-1 Pagina MIDI Transmit...................................................................... Pagina 76
PTN3-2 Pagina MIDI Volume ....................................................................... Pagina 77
PTN3-3 Pagina MIDI Pan............................................................................. Pagina 77
PTN3-4 Pagina Bank Select ........................................................................ Pagina 77
PTN3-5 Pagina Variation Send .................................................................... Pagina 77
PTN3-6 Pagina Chorus Send....................................................................... Pagina 78
PTN3-7 Pagina Reverb Send....................................................................... Pagina 78
PTN5-1 Pagina Memory Info........................................................................ Pagina 81
Secties Pagina's met parameterinstellingen
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
PATTERN-instellingengebied (PTN)
Gebruikershandleiding 75
Patroon selecteren
Op de pagina Select Pattern (PTN1) kunt u patronen selecteren en
afspelen en hun tempo en maatsoort instellen. Druk op de knop
[PTN] om deze pagina te openen, en druk indien nodig op de
knoppen [B]/[C]. Als u vanaf deze pagina nogmaals op [PTN]
drukt, wordt het geselecteerde patroon afgespeeld. U stopt het
afspelen door op de pagina Select Pattern (PTN1) nogmaals op de
knop [PTN] te drukken. Telkens wanneer u een patroon wilt
bewerken of opnemen, moet u eerst deze pagina selecteren.
1Tempo
Gebruik deze parameter om het tempo in te stellen waarin het
geselecteerde patroon moet worden afgespeeld.
•Telkens wanneer u een nieuw patroon selecteert, wordt het tempo
automatisch ingesteld.
De instelling van de parameter Tempo is 'ext' en kan niet worden
gewijzigd als 'ext' op de pagina MIDI Sync (UTIL6-6) van het UTILITY-
gebied is geselecteerd, of als 'auto' op die pagina is geselecteerd en
MIDI-klokberichten van een extern apparaat worden ontvangen.
BMaatsoort
Gebruik deze parameter om de maatsoort voor het afspelen
van het geselecteerde patroon in te stellen.
•Telkens wanneer u een nieuw patroon selecteert, wordt de maatsoort
automatisch ingesteld.
CPatrooncategorie
Met deze parameter kunt u de patrooncategorie Preset (P) of
User (U) selecteren.
DPatroonnummer: Patroonnaam
Gebruik deze parameters om het patroon te selecteren dat
moet worden afgespeeld, opgenomen of verwerkt.
Als een demopatroon (P001 t/m P003) wordt afgespeeld,
wordt een pagina zoals die hieronder weergegeven, en kan het
tempo of de maatsoort niet worden gewijzigd.
Het afspelen van de clicktrack of van patronen die aan pads zijn
toegewezen, wordt gestopt wanneer het afspelen van een
demopatroon wordt gestart.
•U kunt het afspelen van demopatronen stoppen door op een andere
knop dan [SHIFT] te drukken.
Lussen, tempo en patroonnamen
In de sectie COMMON kunt u opgeven of het geselecteerde
patroon herhaaldelijk als een lus moet worden afgespeeld, en kunt
u het tempo en de naam van het patroon instellen. Druk op de
pagina COMMON (PTN2) op de knop [ENTER] om de drie
pagina's met parameters te openen (PTN2-1 t/m PTN2-3). Met de
knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's navigeren.
Deze sectie kan alleen met gebruikerspatronen worden gebruikt. Als een
voorgeprogrammeerd patroon is geselecteerd, kunt u met de knop
[ENTER] geen parameterpagina openen.
Op de pagina Pattern Loop kunt u opgeven of het geselecteerde
patroon herhaaldelijk als een lus moet worden afgespeeld.
De selectie op deze pagina wordt toegepast, ongeacht of het
patroon wordt afgespeeld met de knop [A] of door een
pad aan te slaan waaraan het patroon is toegewezen.
1Lus
Als deze parameter is ingesteld op 'on', wordt het patroon,
nadat het is geëindigd, opnieuw vanaf het begin gestart (d.w.z.
gelust afspelen). Als deze waarde is ingesteld op 'off', wordt
het patroon eenmaal helemaal afgespeeld en daarna gestopt
(d.w.z. one-shot afspelen).
1Tempo
Gebruik deze parameter om een tempo voor het afspelen van
het geselecteerde patroon in te stellen.
Als het patroon aan een kit is toegewezen, krijgt de tempo-instelling
van de kit (zie pagina 47) voorrang op deze instelling.
PTN1
Instellingen 30 t/m 300
Instellingen 1/4 t/m 16/4, 1/8 t/m 16/8 of 1/16 t/m 16/16
Instellingen P of U
Instellingen
Als 'P' (Preset-patroon) is geselecteerd:
001 t/m 128
Als 'U' (User-patroon) is geselecteerd:
001 t/m 050
PTN1≥≥≥ƒ=120≥4/4
©P001:Demo≥01
3
12
4
OPMERKING
OPMERKING
≥<<Demo≥01>>
P001:PercsMaster
OPMERKING
PTN2 COMMON
PTN2-1 Pagina Pattern Loop
Instellingen off of on
PTN2-2 Pagina Pattern Tempo
Instellingen 30 t/m 300
PTN2
≥≥≥≥≥COMMON
OPMERKING
PTN2-1≥≥<COMMON>
≥≥≥≥Loop=off 1
PTN2-2≥≥<COMMON>
≥≥≥Tempo=120 1
OPMERKING
PATTERN-instellingengebied (PTN)
76 Gebruikershandleiding
Druk op de pagina Pattern Name op [ENTER] als u de naam van
het geselecteerde patroon wilt wijzigen.
PTN2-3-1 Pagina Pattern Name Setting
Op de pagina Pattern Name Setting (PTN2-3-1) kunt u een
willekeurige patroonnaam van maximaal tien tekens opgeven.
Gebruik de knoppen [
B
]/[C] om de knipperende cursor te
verplaatsen naar het teken dat u wilt wijzigen, en selecteer
vervolgens een nieuw teken met de knoppen [-/DEC] en
[+/INC]. Patroonnamen mogen de volgende tekens bevatten.
[spatie]
MIDI-instellingen voor patronen
In de sectie MIDI kunt u de MIDI-berichten configureren die door
het geselecteerde patroon op elk afzonderlijk MIDI-kanaal
worden verzonden. Deze instellingen hebben invloed op MIDI-
berichten die worden verzonden naar zowel de interne
toongenerator van DTX-MULTI 12 als de externe MIDI-
apparaten. Druk op de pagina MIDI (PTN3) op de knop [ENTER]
om de zeven pagina's met parameterinstellingen te openen
(PTN3-1 t/m PTN3-7). Met de knoppen [
B
]/[
C
] kunt u tussen
deze pagina's navigeren.
Deze sectie kan alleen met gebruikerspatronen worden gebruikt. Als een
voorgeprogrammeerd patroon is geselecteerd, kunt u met de knop
[ENTER] geen parameterpagina openen.
1MIDI-kanaal (Ch)
Gebruik deze parameter om het MIDI-kanaal (1 t/m 16) te
selecteren dat u wilt instellen.
BVerzenden
Met deze parameter kunt u opgeven welke MIDI-berichten
door het geselecteerde patroon op het MIDI-kanaal,
aangegeven door 1, naar de interne toongenerator en externe
MIDI-apparaten worden verzonden.
•off ............. Er worden geen MIDI-berichten verzonden.
all.............. Alle relevante MIDI-berichten worden
verzonden.
•PC............. Alleen MIDI-programmawijzigingsberichten
(waaronder MSB-/LSB-bankselectie) worden
verzonden.
PTN2-3 Pagina Pattern Name
PTN2-3≥≥<COMMON>
≥≥≥≥≥≥Name
PTN2-3-1
≥≥[Pattern≥1≥]≥≥
Patroonnaam
!"#$%&'()*+,-./0123456789:;<=>?@
ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ[\]^_`
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz{|}ßå
PTN3 MIDI
PTN3-1 Pagina MIDI Transmit
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen off, all of PC
PTN3
≥≥≥≥≥≥MIDI
OPMERKING
PTN3-1≥≥≥≥≥≥Ch≥1
≥≥Transmit=all
1
2
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
PATTERN-instellingengebied (PTN)
Gebruikershandleiding 77
1MIDI-kanaal (Ch)
BVolume
Gebruik deze parameter om het MIDI-volume
(controlewijziging 7) in te stellen dat wordt verzonden door
het geselecteerde patroon op het MIDI-kanaal, aangegeven
door 1. Met betrekking tot de interne toongenerator heeft
deze waarde invloed op alle voices die op dat kanaal worden
afgespeeld.
Als 'off' of 'PC' op de pagina MIDI Transmit (PTN3-1) is geselecteerd,
wordt deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden
gewijzigd.
Als u de volume-instelling voor MIDI-kanaal 10 wijzigt, neemt
de instelling op de pagina Kit Volume (KIT2-1) deze nieuwe
instelling ook over.
1MIDI-kanaal (Ch)
BPan
Gebruik deze parameter om de stereo-panning
(controlewijziging 10) in te stellen die wordt verzonden door
het geselecteerde patroon op het MIDI-kanaal, aangegeven
door 1. Met betrekking tot de interne toongenerator heeft
deze waarde invloed op alle voices die op dat kanaal worden
afgespeeld.
Als 'off' of 'PC' op de pagina MIDI Transmit (PTN3-1) is geselecteerd,
wordt deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden
gewijzigd.
1MIDI-kanaal (Ch)
BBankselectie MSB (M)
Gebruik deze parameter om een MSB-bankselectiewaarde
te selecteren.
CBankselectie LSB (L)
Gebruik deze parameter om een LSB-bankselectiewaarde
te selecteren.
DProgrammawijziging (PC)
Gebruik deze parameter om een programmawijzigingsnummer
in te stellen dat wordt verzonden door het geselecteerde
patroon op het MIDI-kanaal, aangegeven door 1.
Als 'off' op de pagina MIDI Transmit (PTN3-1) is geselecteerd, wordt
deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
Als u een DTX-MULTI 12-drumkit wilt selecteren, gaat u als
volgt te werk om parameters voor MIDI-kanaal 10 in te stellen.
•Voorgeprogrammeerde kits:
MSB = 125, LSB = 000, PC = Nummer van
voorgeprogrammeerde kit
Gebruikerskits tussen U001 en U100:
MSB = 125, LSB = 001, PC = 001 t/m 100
Gebruikerskits tussen U101 en U200:
MSB = 125, LSB = 002, PC = 001 t/m 100
Als een programmawijzigingsinstelling wordt doorgevoerd
voor MIDI-kanaal 10, wordt de huidige drumkit onmiddellijk
gewijzigd.
1MIDI-kanaal (Ch)
BVariation send-niveau (Var)
Gebruik deze parameter om het verzendniveau van het
Variation-effect in te stellen dat door het geselecteerde
patroon is verzonden.
Als 'off' of 'PC' op de pagina MIDI Transmit (PTN3-1) is geselecteerd,
wordt deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden
gewijzigd.
Als MIDI-kanaal 10 is geselecteerd, wordt deze instelling
weergegeven als '---' en kan deze niet worden gewijzigd.
PTN3-2 Pagina MIDI Volume
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen 0 t/m 127
PTN3-3 Pagina MIDI Pan
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen L64 t/m C t/m R63
PTN3-4 Pagina Bank Select
Instellingen 1 t/m 16
PTN3-2≥≥≥≥≥≥Ch≥1
≥≥≥Volume=100
1
2
OPMERKING
PTN3-3≥≥≥≥≥≥Ch≥1
≥≥≥≥Pan=≥C
1
2
OPMERKING
PTN3-4≥≥≥≥≥≥Ch≥1
M000/L000/PC001
1
24
3
Instellingen 000 t/m 127
Instellingen 000 t/m 127
Instellingen 001 t/m 128
PTN3-5 Pagina Variation Send
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen 0 t/m 127
OPMERKING
PTN3-5≥≥≥≥≥≥Ch≥1
Var=≥≥0(Dry=127)
1
2
OPMERKING
PATTERN-instellingengebied (PTN)
78 Gebruikershandleiding
1MIDI-kanaal (Ch)
BChorus send-niveau (ChoSend)
Gebruik deze parameter om het verzendniveau van het
Chorus-effect in te stellen dat door het geselecteerde patroon
is verzonden.
Als 'off' of 'PC' op de pagina MIDI Transmit (PTN3-1) is geselecteerd,
wordt deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden
gewijzigd.
Als u het verzendniveau van het Chorus-effect voor MIDI-kanaal
10 wijzigt, neemt de instelling op de pagina Chorus Send (KIT3-1)
voor de geselecteerde kit deze nieuwe instelling ook over.
1MIDI-kanaal (Ch)
BReverb Send-niveau (RevSend)
Gebruik deze parameter om het verzendniveau van het
Reverb-effect in te stellen dat door het geselecteerde patroon
is verzonden.
Als 'off' of 'PC' op de pagina MIDI Transmit (PTN3-1) is geselecteerd,
wordt deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden
gewijzigd.
Als u het verzendniveau van het Reverb-effect voor MIDI-kanaal
10 wijzigt, neemt de instelling op de pagina Reverb Send (KIT3-2)
voor de geselecteerde kit deze nieuwe instelling ook over.
Patroonkwantificering en beheer
In de sectie JOB kunt u het geselecteerde gebruikerspatroon
kwantificeren, SMF-bestanden importeren en andere gerelateerde
handelingen uitvoeren. Druk op de pagina JOB (PTN4) op de
knop [ENTER] om de zeven pagina's met parameterinstellingen
te openen (PTN4-1 t/m PTN4-7). Met de knoppen [
B
]/[
C
]
kunt u tussen deze pagina's navigeren.
Deze sectie kan alleen met gebruikerspatronen worden gebruikt. Als een
voorgeprogrammeerd patroon is geselecteerd, kunt u met de knop
[ENTER] geen parameterpagina openen.
Op de pagina Quantize Pattern kunt u onregelmatigheden
corrigeren in de timing van noten waaruit het geselecteerde
gebruikerspatroon bestaat. Dit wordt kwantificering genoemd.
Druk op deze Quantize-pagina op de knop [ENTER] om de
pagina Quantize Pattern Setting te openen.
PTN4-1-1 Pagina Quantize Pattern Setting
1Quantize
Gebruik deze parameter om de kwantificeringsresolutie als
een onderverdeling van een hele noot op te geven. Hoe lager
de resolutie, hoe fijner de correctie van de timing.
PTN3-6 Pagina Chorus Send
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen 0 t/m 127
PTN3-7 Pagina Reverb Send
Instellingen 1 t/m 16
Instellingen 0 t/m 127
PTN3-6≥≥≥≥≥≥Ch≥1
≥≥ChoSend=≥≥0
1
2
OPMERKING
PTN3-7≥≥≥≥≥≥Ch≥1
≥≥RevSend=≥40
1
2
OPMERKING
PTN4 JOB
PTN4-1 Pagina Quantize Pattern
Instellingen
Als de maatsoort op PTN1 of van de
opname 3/8, 6/8, 9/8, 12/8 of 15/8 is:
16 triolen
16 noten
8 triolen
8 noten
4 noten
Gepunctueerde 4 noten
Als de maatsoort op PTN1 of van de opname
een andere is dan hierboven genoemd:
16 triolen
16 noten
8 triolen
8 noten
4 triolen
4 noten
Het natuurlijke ritme van een opname kan verloren gaan als gevolg
van kwantificering. Let wel: wanneer een patroon eenmaal is
gekwantificeerd, kunt u deze procedure niet meer terugdraaien.
PTN4
≥≥≥≥≥≥JOB
OPMERKING
PTN4-1≥≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥≥Quantize
PTN4-1-1
≥≥Quantize=ƒ 1
˙3
S
eptiem
˙
S
eptiem
©3
S
eptiem
©
S
eptiem
ƒ
S
eptiem
¨
S
eptiem
˙3
S
eptiem
˙
S
eptiem
©3
S
eptiem
©
S
ept
i
em
ƒ3
S
ept
i
em
ƒ
S
ept
i
em
LET OP
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
PATTERN-instellingengebied (PTN)
Gebruikershandleiding 79
Op de pagina Merge Pattern kunt u twee patronen samenvoegen
en het resultaat als een gebruikerspatroon opslaan. Om te
beginnen, selecteert u een gebruikerspatroon en behoudt u het
samengevoegde patroon op de pagina Select Pattern (PTN1).
Vervolgens gaat u naar de pagina Merge Pattern en drukt u op
[ENTER] om de pagina Merge Pattern Settings te openen.
PTN4-2-1 Pagina Merge Pattern Settings
1Samenvoegpatroon 1
BSamenvoegpatroon 2
Gebruik de twee bovengenoemde patronen om de patronen op
te geven die u tot één patroon wilt samenvoegen.
Als het gebruikerspatroon dat is geselecteerd voordat de pagina
Merge Pattern wordt geopend, al gegevens bevat, wordt dit
overschreven door het samengevoegde patroon.
Het tempo en de maatsoort van samenvoegpatroon 1 worden
ingesteld als het tempo en de maatsoort van het samengevoegde
patroon. Als samenvoegpatroon 1 echter leeg is, worden het tempo en
de maatsoort van samenvoegpatroon 2 gebruikt.
De kanaalspecifieke MIDI-instellingen van samenvoegpatroon 1
worden als die van het samengevoegde patroon gebruikt. In het geval
echter van MIDI-kanalen waarvoor samenvoegpatroon 1 geen
instellingen bevat, worden alle relevante instellingen uit
samenvoegpatroon 2 toegepast.
Dus eigenlijk mogen alleen patronen met soortgelijke tempo's,
maatsoorten en MIDI-voice-instellingen worden samengevoegd.
•U kunt geen demopatronen selecteren om samen te voegen.
Op de pagina Clear Pattern kunt u alle gegevens uit het
geselecteerde gebruikerspatroon verwijderen. Daartoe drukt u op
de pagina Clear Pattern op [ENTER], en wanneer u om
bevestiging wordt gevraagd, drukt u nogmaals op [ENTER].
Op de pagina Clear All Patterns kunt u gegevens uit alle
gebruikerspatroon verwijderen. Daartoe drukt u op de pagina
Clear All Patterns op [ENTER], en wanneer u om bevestiging
wordt gevraagd, drukt u nogmaals op [ENTER].
Op de pagina Copy Pattern kunt u een patroon naar het
geselecteerde gebruikerspatroon kopiëren. Druk op de pagina
Copy Pattern op de knop [ENTER] om de pagina Copy Pattern
Setting te openen.
PTN4-2 Pagina Merge Pattern
Instellingen P004 t/m P128 of U001 t/m U050
Voorbeeld van hoe kwantificering werkt
Deze opgenomen noten zijn niet exact in de maat gespeeld.
Door kwantificering zijn de noten dichter bij de juiste positie geplaatst.
Exacte positie
PTN4-2≥≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥≥≥Merge
PTN4-2-1≥<Samenvoegen>
≥©P004≥+≥©P005
12
OPMERKING
PTN4-3 Pagina Clear Pattern
•Wanneer een gebruikerspatroon op bovenstaande wijze is gewist,
worden de gegevens volledig uit het patroongeheugen van het
instrument gewist. Zorg er daarom voor dat u belangrijke gegevens
altijd op een USB-geheugenapparaat of dergelijke opslaat, voordat
u gaat verwijderen.
PTN4-4 Pagina Clear All Patterns
•Wanneer gebruikerspatronen op bovenstaande wijze worden
gewist, worden hun gegevens volledig uit het patroongeheugen van
het instrument gewist. Zorg er daarom voor dat u belangrijke
gegevens altijd op een USB-geheugenapparaat of dergelijke
opslaat, voordat u gaat verwijderen.
PTN4-5 Pagina Copy Pattern
LET OP
PTN4-3≥≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥≥≥Clear
LET OP
PTN4-4≥≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥Clear≥All
PTN4-5≥≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥≥≥≥Copy
PATTERN-instellingengebied (PTN)
80 Gebruikershandleiding
PTN4-5-1 Pagina Copy Pattern Setting
Druk op de pagina Copy Pattern Setting op [ENTER] en druk,
wanneer u wordt gevraagd of u verder wilt gaan, nogmaals op
[ENTER].
1Te kopiëren patroon
Gebruik deze parameter om het patroon te selecteren dat
u naar het geselecteerde gebruikerspatroon wilt kopiëren.
Demopatronen kunnen niet worden gekopieerd.
Op de pagina Exchange Patterns kunt u twee gebruikerspatronen
verwisselen. Druk op de pagina Exchange Patterns op de knop
[ENTER] om de pagina Exchange Patterns Settings te openen.
PTN4-6-1 Pagina Exchange Patterns Settings
Druk op de pagina Exchange Patterns Settings op [ENTER] en
druk, wanneer u wordt gevraagd of u verder wilt gaan, nogmaals
op [ENTER].
1Uitwisselingspatroon 1
BUitwisselingspatroon 2
Gebruik deze parameters om het twee gebruikerspatronen te
selecteren die u wilt verwisselen.
Vanaf de pagina Import SMF kunt u een standaard-MIDI-bestand
(SMF) van een USB-geheugenapparaat in de DTX-MULTI 12
importeren om als gebruikerspatroon te gebruiken. SMF's bevatten
MIDI-gegevenssequensen en hebben de bestandsextensie .mid. Let
wel: de DTX-MULTI 12 ondersteunt alleen Format 0 SMF's.
PTN4-7-1
Pagina Import SMF Setting
1
SMF-bestandsnaam
Gebruik deze parameter om de te importeren SMF te selecteren.
1
Sluit een USB-geheugenapparaat met de Format-0
SMF die u wilt importeren, aan op de USB TO
DEVICE-poort op het zijpaneel van de DTX-MULTI 12.
2
Ga naar de pagina Import SMF (PTN4-7) en druk
op [ENTER] om de hierboven weergegeven pagina
Import SMF Setting (PTN4-7-1) te openen. Selecteer
de SMF die u wilt importeren en druk nogmaals
op [ENTER].
U wordt gevraagd te bevestigen of u wilt doorgaan.
3
Druk op [ENTER] om de geselecteerde SMF te
importeren. U kunt ook op [EXIT] drukken om naar de
vorige pagina terug te keren zonder te importeren.
Als het geselecteerde gebruikerspatroon al patroongegevens bevat,
worden deze overschreven door de geïmporteerde gegevens.
Het bericht 'Now importing...' wordt tijdens het importeren
weergegeven.
•U kunt alleen standaard-MIDI-bestanden met Format 0 importeren.
In bepaalde gevallen, waarin een gebruikerspatroon dat van een
geïmporteerde SMF is gemaakt, wordt gelust, is het mogelijk dat voices
niet veranderen zoals u verwacht, wanneer het afspelen van het einde
naar het begin teruggaat. In dat geval worden soms de voice-
instellingen van het einde van het patroon aangehouden. Dit gebeurt
met name wanneer programmawijzigingsgegevens uit de kop van de
SMF niet worden gelezen wanneer naar het begin van het patroon
wordt teruggekeerd. Om een dergelijke ongewenste situatie te
voorkomen, plaatst u alle programmawijzigingsberichten iets vóór de
kop van de SMF om ervoor te zorgen dat ze correct worden gelezen.
Instellingen P004 t/m P128 of U001 t/m U050
Het geselecteerde gebruikerspatroon wordt door deze procedure
overschreven. Zorg er daarom voor dat u belangrijke gegevens altijd
op een USB-geheugenapparaat of dergelijke opslaat, voordat
u patronen kopieert.
PTN4-6 Pagina Exchange Patterns
Instellingen U001 t/m U050
PTN4-5-1≥≥<Copy>
≥©P004≥-ßCurrent
1
LET OP
OPMERKING
PTN4-6≥≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥≥Exchange
PTN4-6-1≥<Exchg>
≥©U001≥åß≥©U002
12
PTN4-7 Pagina Import SMF
Instellingen
Elk SMF-bestand met de extensie .mid
dat is opgeslagen in de basismap van
het USB-geheugenapparaat.
•Koppel het USB-geheugenapparaat niet los van de USB TO
DEVICE-poort en zet het USB-geheugenapparaat of de
DTX-MULTI 12 niet uit terwijl gegevens worden geïmporteerd.
Als u deze voorzorgsmaatregel niet in acht neemt, kan dit tot
gevolg hebben dat het USB-geheugenapparaat of de
DTX-MULTI 12 permanent wordt beschadigd.
PTN4-7≥≥≥≥≥<JOB>
≥≥≥Import≥SMF
PTN4-7-1<Import>
≥≥pattern1.mid 1
≥≥≥Import≥SMF≥≥
≥Are≥you≥sure?
OPMERKING
LET OP
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
PATTERN-instellingengebied (PTN)
Gebruikershandleiding 81
Patroongeheugenstatus
In de sectie MEMORY INFO kunt u de gebruiksstatus van het
DTX-MULTI 12-geheugen voor gebruikerspatronen controleren.
Daartoe gaat u naar deze sectie (PTN5) en drukt u op [ENTER].
1Percentage geheugengebruik (%)
Dit geeft aan hoeveel procent van het totale geheugen voor
gebruikerspatronen op dat moment wordt gebruikt.
BGebruikt geheugen / Totaal geheugen (kB)
Dit geeft de hoeveelheid gebruikt geheugen en de totale
hoeveelheid geheugen aan in kilobyte (KMB).
PTN5 MEMORY INFO
PTN5-1 Pagina Memory Info
PTN5
≥≥MEMORY≥INFO
PTN5-1≥≥≥≥≥≥0.0%
≥≥≥0.4KB/896.0KB
1
2
82 Gebruikershandleiding
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
In deze sectie wordt het VOICE-instellingengebied beschreven, dat u kunt openen met de knop [UTILITY]. In dit gebied
kunt u parameters voor het hele instrument instellen en diverse bestandsbeheerbewerkingen uitvoeren.
Indeling van het UTILITY-instellingengebied
Het UTILITY-instellingengebied bestaat uit drie secties (UTIL1 t/m UTIL3). Met de knoppen [
B
]/[
C
] kunt u tussen deze secties
navigeren. Als een sectie pagina's met parameterinstellingen bevat, brandt de knop [ENTER]. Druk op de knop [ENTER] om deze pagina's
te openen. In bepaalde gevallen kunt u een aantal extra pagina's vanaf de pagina met parameterinstellingen openen, ook met de opgelichte
knop [ENTER]. Bovendien kunt u op de knop [EXIT] drukken als u terug wilt gaan in de richting van het begin van het instellingengebied.
Zorg ervoor dat u instellingen die u hebt bewerkt, opslaat voordat u het instrument uitzet. (Zie pagina 45.)
LET OP
UTIL1
≥≥≥≥GENERAL
UTIL2
≥≥≥≥≥CLICK
UTIL3
≥≥≥MASTER≥EQ
UTIL4
≥≥≥≥≥≥PAD
UTIL5
≥≥≥≥≥HI-HAT
UTIL6
≥≥≥≥≥≥MIDI
UTIL7
≥≥≥≥≥≥FILE
UTIL8
≥≥FACTORY≥SET
Secties Pagina's met parameterinstellingen
UTIL1-1 Pagina Master Volume ................................................................... Pagina 83
UTIL1-2 Pagina Master Tune ....................................................................... Pagina 83
UTIL1-3 Pagina Startup Kit .......................................................................... Pagina 83
UTIL1-4 Pagina Startup Pattern................................................................... Pagina 83
UTIL1-5 Pagina Startup Trigger ................................................................... Pagina 83
UTIL1-6 Pagina Effect Bypass ..................................................................... Pagina 83
UTIL1-7 Pagina Pan Depth .......................................................................... Pagina 84
UTIL1-8 Pagina Auxiliary Output.................................................................. Pagina 84
UTIL4-1 Pagina Pad Function ...................................................................... Pagina 88
UTIL4-2 Pagina Foot Switch Input ............................................................... Pagina 89
UTIL4-3 Pagina Pad 10-12 Switch ............................................................... Pagina 89
UTIL2-1 Pagina Click-track Voice ................................................................. Pagina 84
UTIL2-2 Pagina Click-track Master Volume.................................................. Pagina 84
UTIL2-3 Pagina Click-track Beat Volume ..................................................... Pagina 84
UTIL2-4 Pagina Click-track Output............................................................... Pagina 84
UTIL2-5 Pagina Click-track MIDI.................................................................. Pagina 85
UTIL3-1 Pagina Gain, Frequency & Bandwidth ........................................... Pagina 87
UTIL3-2 Pagina EQ Shape .......................................................................... Pagina 87
UTIL3-3 Pagina Master EQ Bypass ............................................................. Pagina 87
UTIL5-1 Pagina Close Position .................................................................... Pagina 89
UTIL5-2 Pagina Splash Sensitivity ............................................................... Pagina 89
UTIL5-3 Pagina Send Hi-hat Controller ....................................................... Pagina 89
UTIL6-1 Pagina Channel-10 Receive........................................................... Pagina 90
UTIL6-2 Pagina Program Change Receive.................................................. Pagina 90
UTIL6-3 Pagina Channel-10 Program Change Receive .............................. Pagina 90
UTIL6-4 Pagina Polyphonic Aftertouch Status ............................................. Pagina 90
UTIL6-5 Pagina Local Control ...................................................................... Pagina 90
UTIL6-6 Pagina MIDI Sync .......................................................................... Pagina 91
UTIL6-7 Pagina Clock Out ........................................................................... Pagina 91
UTIL6-8 Pagina Sequencer Control ............................................................. Pagina 91
UTIL6-9 Pagina MIDI In/Out......................................................................... Pagina 91
UTIL6-10 Pagina MIDI Thru Port.................................................................. Pagina 91
UTIL6-11 Pagina MIDI Merge ...................................................................... Pagina 92
UTIL6-12 Pagina Device Number ................................................................ Pagina 92
UTIL7-1 Pagina Save File ............................................................................ Pagina 93
UTIL7-2 Pagina Load File ............................................................................ Pagina 94
UTIL7-3 Pagina Rename File....................................................................... Pagina 96
UTIL7-4 Pagina Delete File .......................................................................... Pagina 97
UTIL7-5 Pagina Format................................................................................ Pagina 97
UTIL7-6 Pagina Memory Info ....................................................................... Pagina 98
Instrument resetten ...................................................................................... Pagina 98
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
Gebruikershandleiding 83
Systeeminstellingen
In de sectie GENERAL kunt u parameters instellen die gelden
voor het gehele systeem. Druk op de pagina GENERAL (UTIL1)
op de knop [ENTER] om de acht pagina's met parameterin-
stellingen te openen (UTIL1-1 t/m UTIL1-8). Met de knoppen
[B]/[C] kunt u tussen deze pagina's navigeren.
1Mastervolume
Gebruik deze parameter om het mastervolume van de interne
toongenerator van het instrument in te stellen. Als hier een
lage waarde wordt ingesteld, heeft de draaiknop VOLUME op
het voorpaneel slechts weinig effect op het verhogen van het
uitvoervolume.
1Master tune (M.Tune)
Gebruik deze parameter om de interne toongenerator te
stemmen (d.w.z. de basistoonhoogte in te stellen). De waarde
tussen haakjes toont de corresponderende toonhoogte (van de
A boven de centrale C) in Hertz.
De term 'cent' verwijst naar één honderdste van een halve toon (d.w.z.
100 cent = 1 halve toon).
1StartupKit
Gebruik deze parameter om de kit op te geven die
automatisch geselecteerd moet worden wanneer de
DTX-MULTI 12 wordt aangezet. Kits worden geïdentificeerd
met een categorie (P voor Preset, U voor User) en een getal. U
kunt de cursor met de knoppen [B]/[C] verplaatsen om
deze afzonderlijk in te stellen.
1Opstartpatroon (StartupPtn)
Gebruik deze parameter om het patroon te selecteren dat
automatisch moet worden ingesteld wanneer de DTX-MULTI
12 wordt aangezet. Patronen worden geïdentificeerd met een
categorie (
e
P voor Preset,
e
U voor User) en een getal. U kunt
de cursor met de knoppen [B]/[C] verplaatsen om deze
afzonderlijk in te stellen.
1Startup trigger (StartupTrg)
Gebruik deze parameter om de triggerinstelling te selecteren
die automatisch geselecteerd moet worden wanneer de
DTX-MULTI 12 wordt aangezet. Triggerinstellingen worden
geïdentificeerd met een categorie (P voor Preset, U voor User)
en een getal. U kunt de cursor met de knoppen [B]/[C]
verplaatsen om deze afzonderlijk in te stellen.
1Variation-effect (var)
BChorus-effect (cho)
CReverb-effect (rev)
Met deze parameters kunt u op geven welke effecten worden
genegeerd wanneer Effect Bypass vanaf het voorpaneel is
geactiveerd (met de knoppen [SHIFT] en [KIT]). Als '---' voor
een type effect is geselecteerd, wordt dit effect niet genegeerd.
UTIL1 GENERAL
UTIL1-1 Pagina Master Volume
Instellingen 0 t/m 127
UTIL1-2 Pagina Master Tune
Instellingen -102.4 t/m +0.0 t/m +102.3
UTIL1-3 Pagina Startup Kit
Instellingen P001 t/m P050 of U001 t/m U200
UTIL1
≥≥≥≥GENERAL
UTIL1-1<GENERAL>
MasterVolume=127 1
UTIL1-2≥≥M.Tune=
+≥≥0.0(440.0Hz)
1
OPMERKING
UTIL1-3<GENERAL>
StartupKit=P001 1
UTIL1-4 Pagina Startup Pattern
Instellingen eP001 t/m eP128 of eU001 t/m eU050
UTIL1-5 Pagina Startup Trigger
Instellingen P01 t/m P05 of U01 t/m U10
UTIL1-6 Pagina Effect Bypass
Instellingen ---/var, ---/cho, of ---/rev
UTIL1-4<GENERAL>
StartupPtn=©P001 1
UTIL1-5<GENERAL>
≥StartupTrg=P01 1
UTIL1-6≥≥FXByps=
≥≥var/cho/rev
1 2 3
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
84 Gebruikershandleiding
1Pandiepte
Met deze parameter kunt u de breedte instellen van het
algehele stereo-panning veld van het instrument, met behoud
van de afzonderlijke paninstellingen voor de geluiden van
drum en muziekinstrumenten.
1AUX OUT-selectie (AuxOutSel)
Met deze parameter kunt u aangeven waar audio-invoer via de
AUX IN-aansluiting wordt uitgevoerd.
L&R+ph ............. AUX IN-audio wordt uitgevoerd via
zowel de OUTPUT- (L/MONO en R) als
de PHONES-aansluiting.
phones ................ AUX IN-audio wordt alleen via de
PHONES-aansluiting uitgevoerd.
Clicktrack-instellingen
In de sectie CLICK kunt u parameters instellen voor de
clicktrack. U kunt bijvoorbeeld het type geluid instellen dat wordt
gebruikt, het volume en waar de clicktrack moet worden
uitgevoerd. Hier kunt u ook MIDI-parameters voor de clicktrack
instellen. Druk op de pagina CLICK (UTIL2) op de knop
[ENTER] om de vijf pagina's met parameterinstellingen te
openen (UTIL2-1 t/m UTIL2-5). Met de knoppen [B]/[C] kunt
u tussen deze pagina's navigeren.
1Clicktrack-voice
Gebruik deze parameter om uit een reeks verschillende
geluiden het geluid voor de clicktrack te selecteren.
1Clicktrack mastervolume
Gebruik deze parameter om het mastervolume voor
clicktrack-geluiden in te stellen.
1Clicktrack beatvolumes
Gebruik deze parameters om volumes voor verschillende
beat-timings in de clicktrack in te stellen. Hieronder vindt
u de betekenis van de symbolen op deze pagina.
Voorbeeld: Beat-timings voor vier beats per maat
Als de maataanduiding uit het PATTERN-instellingengebied of voor
patroonopname 3/8, 6/8, 9/8, 12/8 of 15/8 is, worden op deze pagina
ACC, gepunctueerde kwartnoten, achtste noten en zestiende noten
weergegeven.
1Clicktrack-uitvoerselectie (ClkOutSel)
Met deze parameter kunt u opgeven waar de clicktrack wordt
uitgevoerd wanneer deze is geactiveerd. Bijvoorbeeld, in een
live situatie wilt u gewoonlijk dat de clicktrack alleen via de
hoofdtelefoon wordt uitgevoerd, in welk geval u hier 'phones'
moet selecteren.
L&R+ph ............. De clicktrack wordt uitgevoerd via zowel
de OUTPUT- (L/MONO en R) als de
PHONES-aansluiting.
phones ................ De clicktrack wordt alleen via de
PHONES-aansluiting uitgevoerd.
UTIL1-7 Pagina Pan Depth
Instellingen 1 t/m 127
UTIL1-8 Pagina Auxiliary Output
Instellingen L&R+ph of phones
UTIL2 CLICK
UTIL2-1 Pagina Click-track Voice
Instellingen Metronome1, Metronome2, Cowbell, Stick,
Human
UTIL1-7<GENERAL>
≥≥PanDepth=≥64 1
UTIL1-8<GENERAL>
AuxOutSel=L&R+ph 1
UTIL2
≥≥≥≥≥CLICK
UTIL2-1≥≥<CLICK>
Voice=Metronome1 1
UTIL2-2
Pagina Click-track Master Volume
Instellingen 0 t/m 127
UTIL2-3 Pagina Click-track Beat Volume
Instellingen 0 t/m 9
UTIL2-4 Pagina Click-track Output
Instellingen L&R+ph, phones
UTIL2-2≥≥<CLICK>
≥≥≥Volume=127 1
UTIL2-3≥A…=9≥ƒ=9
≥≥≥≥∫=0≥ææ=0≥ø=0
1
1
Accenten
4 noten
S
ept.
8 noten
S
ept.
16 noten
S
ept.
8 triolen
S
ept.
OPMERKING
UTIL2-4≥≥<CLICK>
ClkOutSel=phones 1
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
Gebruikershandleiding 85
Op de pagina Click-track MIDI (UTIL2-5) kunt u een reeks
MIDI-parameters voor de clicktrack instellen. Druk op deze
pagina op de knop [ENTER] om de vier extra pagina's met
parameterinstellingen te openen (UTIL2-5-1 t/m UTIL2-5-4).
Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's navigeren.
UTIL2-5-1 Pagina Click-track MIDI In
1MIDI IN
Met deze parameter kunt u opgeven of clicktrack-geluiden
geproduceerd moeten worden op basis van MIDI-noot Aan-
berichten die via de MIDI IN-aansluiting worden ontvangen.
Bij de instelling 'on' werkt de DTX-MULTI 12 als volgt:
Er wordt een clicktrack-accentgeluid geproduceerd bij de
ontvangst van een MIDI-noot waarvoor het nootnummer is
ingesteld op de pagina Accent Note Number (UTIL2-5-3).
Er wordt een geluid van een kwart-clicktrack-noot
geproduceerd bij de ontvangst van een MIDI-noot
waarvoor het nootnummer is ingesteld op de pagina
Quarter-Note Note Number (UTIL2-5-4).
UTIL2-5-2 Pagina Click-Track MIDI Out
1MIDI OUT
Met deze parameter kunt u de uitvoer van clicktrack-MIDI-
gebeurtenissen (d.w.z. MIDI-noot Aan-berichten) in- en
uitschakelen. Bij de instelling 'on' werkt de DTX-MULTI 12
als volgt:
•Voor elk geluid van een clicktrack-accent wordt een MIDI-
noot geproduceerd met het nootnummer dat is ingesteld op
de pagina Accent Note Number (UTIL2-5-3).
•Voor elk geluid van een kwart-clicktrack-noot wordt een
MIDI-noot geproduceerd met het nootnummer dat
is ingesteld op de pagina Quarter-Note Note Number
(UTIL2-5-4).
Ongeacht de instelling van deze parameter, kunnen geen MIDI-noot
Aan-berichten worden geproduceerd voor andere clicktrack-geluiden
dan accenten en kwartnoten.
UTIL2-5-3 Pagina Accent Note Number
1Accentnootnummer (NoteAcc)
Gebruik deze parameter om een MIDI-nootnummer aan
clicktrack-accentgeluiden toe te wijzigen.
Als op de pagina Click-track MIDI In (UTIL2-5-1) 'on' is
geselecteerd, wordt een clicktrack-accentgeluid
geproduceerd telkens wanneer een MIDI-noot is ontvangen
waarvoor hier het nootnummer is ingesteld.
Als op deze pagina (UTIL2-5-3) 'off' is geselecteerd, worden geen
clicktrack-accentgeluiden geproduceerd wanneer MIDI-noten worden
ontvangen.
Als op deze pagina (UTIL2-5-3) en op de pagina Quarter-Note Note
Number (UTIL2-5-4) dezelfde waarde wordt ingesteld, wordt voor alle
beat-timings hetzelfde geluid geproduceerd.
Als op de pagina Click-Track MIDI Out (UTIL2-5-2) 'on' is
geselecteerd, wordt voor elk clicktrack-accentgeluid een
MIDI-noot Aan-bericht geproduceerd met het nootnummer
dat hier is ingesteld.
Als op deze pagina (UTIL2-5-3) en op de pagina Quarter-Note Note
Number (UTIL2-5-4) 'off' is geselecteerd, worden geen MIDI-noot Aan-
berichten voor clicktrack-geluiden uitgevoerd. Als op deze pagina
(UTIL2-5-3) echter 'off' is geselecteerd en op de pagina Quarter-Note
Note Number (UTIL2-5-4) een andere instelling dan 'off', worden voor
alle clicktrack-geluiden MIDI-noot Aan-berichten met het
corresponderende nootnummer geproduceerd.
UTIL2-5-4 Pagina Quarter-Note Note Number
1Nootnummer kwartnoot (Noteqq
qq)
Gebruik deze parameter om een MIDI-nootnummer aan
kwart-clicktrack-noten toe te wijzigen.
Als op de pagina Click-track MIDI In (UTIL2-5-1) 'on' is
geselecteerd, wordt een kwart-clicktrack-geluid
geproduceerd telkens wanneer een MIDI-noot is ontvangen
waarvoor hier het nootnummer is ingesteld.
Als op deze pagina (UTIL2-5-4) 'off' is geselecteerd, worden geen
clicktrack-geluiden van een kwarttoon geproduceerd wanneer MIDI-
noten worden ontvangen.
Als op de pagina Click-Track MIDI Out (UTIL2-5-2) 'on' is
geselecteerd, wordt voor elk geluid van een kwart-
clicktrack-toon een MIDI-noot Aan-bericht geproduceerd
met het nootnummer dat hier is ingesteld.
Als op deze pagina (UTIL2-5-4) 'off' is geselecteerd, worden geen
MIDI-noot Aan-berichten geproduceerd voor clicktrack-geluiden van
een kwartnoot.
UTIL2-5 Pagina Click-track MIDI
Instellingen off of on
Instellingen off of on
UTIL2-5
≥≥≥Click≥MIDI
UTIL2-5-1<CLICK>
≥≥MIDI≥IN=off 1
UTIL2-5-2<CLICK>
≥≥MIDI≥OUT=off 1
OPMERKING
Instellingen off of C#-2 t/m F#8
Instellingen off of C#-2 t/m F#8
UTIL2-5-3<CLICK>
NoteA…=C#-1/≥13 1
OPMERKING
OPMERKING
UTIL2-5-4<CLICK>
≥Noteƒ=C#-1/≥13 1
OPMERKING
OPMERKING
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
86 Gebruikershandleiding
Masterequalizer
In de sectie MASTER EQ kunt u de parameters voor de
masterequalizer aanpassen, die de toon van alle
voorgeprogrammeerde voices, patronen en waves regelen.
Druk op de pagina MASTER EQ (UTIL3) op [ENTER] om de
drie pagina's met parameterinstellingen te openen (UTIL3-1 t/m
UTIL3-3). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's
navigeren.
De DTX-MULTI 12 is uitgerust met een vijfbands
masterequalizer waarmee het signaalniveau vrij kan worden
versterkt of kan worden afgekapt rond een middenfrequentie die
voor elk van de banden is opgegeven. Daarnaast kunnen de 'lage'
'hoge' frequentiebanden worden ingesteld op shelving- of
peaking-equalization.
Masterequalisation heeft geen effect op signalen uit de AUX IN-aansluiting.
(Zie pagina 36)
Masterequalisation heeft geen effect op signalen die worden uitgevoerd via
de PHONES-aansluiting. (Zie pagina 36)
Tempo tikken
Met de functie Tap Tempo kunt u het tempo voor patronen en
de clicktrack instellen door gewoon op pads te tikken. Op deze
manier kunt u eenvoudig en gevoelsmatig het gewenste tempo
instellen.
1Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op
de knop [EE
EE] (click).
De pagina Tap Tempo wordt geopend en de huidige
tempo-instelling wordt weergegeven.
2Tik meerdere keren op een of meer pads in het
gewenste tempo.
De DTX-MULTI 12 bepaalt het tempo automatisch op
basis van de snelheid waarmee u op de pads tikt. Dit
tempo wordt in het scherm weergegeven.
3Als u het tempo wilt controleren, drukt u op de
knop [EE
EE] (click) om de clicktrack te starten.
De clicktrack wordt afgespeeld in het tempo dat met de
functie Tap Tempo is ingesteld. Telkens wanneer u het
tempo met deze functie verandert, wordt de nieuwe
instelling onmiddellijk toegepast op de clicktrack en alle
patronen die worden afgespeeld.
•U kunt ook de knoppen [-/DEC] en [+/INC] gebruiken om het
tempo op de pagina Tap Tempo in te stellen.
Als Func voor een van de pads op de pagina Pad Function
(UTIL4-1) van het UTILITY-gebied is ingesteld op 'tap tempo', kan
die pad op elk moment worden gebruikt om het tempo te tikken
zonder dat u de pagina Tap Tempo moet openen (zie pagina 88).
Als 'ext' op de pagina MIDI Sync (UTIL 6-6) van het UTILITY-
gebied is geselecteerd of als 'auto' op deze pagina is
geselecteerd en MIDI-klokberichten worden ontvangen uit een
externe bron, wordt de tempowaarde weergegeven als 'ext' en
wordt het afspelen op de DTX-MULTI 12 gesynchroniseerd met
de aangesloten MIDI-apparaten of DAW-toepassing.
Als 'int' is geselecteerd op de pagina MIDI Sync (UTIL 6-6) van
het UTILITY-gebied of als 'auto' op deze pagina is geselecteerd
en geen MIDI-klokberichten uit een externe bron worden
ontvangen, wordt afgespeeld in het tempo dat op de DTX-MULTI
12 is ingesteld (zie pagina 91).
TAP≥TEMPO
≥≥≥≥≥ƒ=120
TAP≥TEMPO
≥≥≥≥≥ƒ=158
Tempo: 30 t/m 300
OPMERKING
UTIL3 MASTER EQ
UTIL3
≥≥≥MASTER≥EQ
low highhighMidmidlowMid
+
0
Q (bandbreedte)
Vijf EQ-banden
Gain (G)
F (frequentie)
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
Gebruikershandleiding 87
1Frequentieband
Gebruik deze parameter om de master-EQ-frequentieband in
te stellen.
BGain (G)
Met deze parameter kunt u opgeven in welke mate het
signaalniveau in de frequentieband, aangegeven met 1,
wordt versterkt of afgekapt.
CFrequentie (F)
Gebruik deze parameter om de frequentie op te geven in de
band, aangegeven met 1, waarbij het signaalniveau wordt
afgekapt of versterkt. Als de 'low'-band is geselecteerd,
is het bereik van beschikbare frequenties afhankelijk van het
EQ-type dat met de parameter Shape is ingesteld op de pagina
EQ Shape (UTIL3-2).
DBandbreedte (Q)
Gebruik deze parameter om een breedte voor de band met
frequenties op te geven die versterkt of afgekapt moet
worden. Als u een hoge waarde instelt, wordt een smallere
frequentieband beïnvloed en zal de toon rond de
middenfrequentie opmerkelijk veranderen. Als u een lagere
waarde instelt, wordt een bredere frequentieband beïnvloed en
zal de toon rond de middenfrequentie geleidelijk veranderen.
Als 'low' of 'high' is aangegeven met 1 en 'shelving' met de parameter
Shape is ingesteld op de pagina EQ Shape (UTIL3-2), wordt de instelling
voor de bandbreedte (Q) weergegeven als '---' en kan deze niet worden
gewijzigd.
Op de pagina EQ Shape kunt u een EQ-type instellen voor elke
'low' en 'high' band.
1Frequentieband
Gebruik deze parameter om de master-EQ-frequentieband in
te stellen.
BVorm
Gebruik deze parameter om een EQ-type in te stellen.
shelving:
Signalen op alle frequenties boven of onder de opgegeven
frequentie worden versterkt of afgekapt.
peaking:
Signalen binnen een band met frequenties rond de opgegeven
frequentie worden versterkt of afgekapt.
1Master-EQ bypass (MEQBypass)
Gebruik deze parameter om op te geven of de master-EQ
wordt genegeerd ('on') of toegepast ('off').
UTIL3-1 Pagina Gain, Frequency
& Bandwidth
Instellingen low, lowMid, mid, highMid of high
Instellingen -12 t/m +0 t/m +12
Instellingen
low: 32 t/m 2.0k voor 'shelving'
63 t/m 2.0k voor 'peaking'
lowMid, mid en highMid: 100 t/m 10k
high: 500 t/m 16k
Instellingen 0,1 t/m 12,0
UTIL3-1≥≥≥≥≥≥mid
G+12/F2.0k/Q≥0.1
1
24
3
+
0
Q = 0.1
Q = 12.0
F (frequentie)
Frequentie
OPMERKING
UTIL3-2 Pagina EQ Shape
Instellingen low of high
Instellingen shelving of peaking
UTIL3-3 Pagina Master EQ Bypass
Instellingen off of on
UTIL3-2≥≥≥≥≥≥low
≥Shape=shelving
1
2
+
0
+
0
EQ low EQ high
G (versterking)
F (frequentie)
G (versterking)
F
(frequentie)
Frequentie Frequentie
+
0
G (versterking)
F (frequentie)
Frequentie
UTIL3-3
≥MEQ≥Bypass=off 1
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
88 Gebruikershandleiding
Padhulpprogramma's
In de sectie PAD kunt u functies toewijzen aan pads en externe
controllers, kunt u het type controller opgeven dat op de FOOT
SW-aansluiting is aangesloten, en kunt u rimpads 10 t/m 12 in- of
uitschakelen. Druk op de pagina PAD (UTIL4) op [ENTER] om
de drie pagina's met parameterinstellingen te openen (UTIL4-1
t/m UTIL4-3). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze
pagina's navigeren.
Op de pagina Pad Function kunt u bewerkingen opgeven die
moeten worden uitgevoerd wanneer bepaalde pads of externe
controllers worden aangeslagen of bediend.
1Padnummer
Gebruik deze parameter om de in te stellen pad of externe
controller te selecteren. U kunt ook op een pad tikken om
deze te selecteren.
BPadfunctie (Func)
Gebruik deze parameter om de bewerking in te stellen die
moet worden uitgevoerd wanneer de pad of externe controller,
aangegeven met 1, wordt aangeslagen of bediend.
•off ........................ Voices worden op de gebruikelijke wijze
afgespeeld.
inc kitNo.............. Het kitnummer wordt verhoogd met 1.
dec kitNo ............. Het kitnummer wordt verlaagd met 1.
inc ptnNo............. Het patroonnummer wordt verhoogd met 1.
dec ptnNo ............ Het patroonnummer wordt verlaagd met 1.
inc tempo............. Het tempo wordt verhoogd met 1 bpm.
dec tempo ............ Het tempo wordt verlaagd met 1 bpm.
tap tempo............. De pad of externe controller kan worden
gebruikt om het tempo te tikken.
clickOn/Off.......... De clicktrack wordt in- of uitgeschakeld.
CC01 t/m CC95... Er wordt een MIDI-besturingswijzigings-
bericht verzonden naar de interne
toongenerator en de aangesloten externe
MIDI-apparaten.
Als een MIDI-besturingswijzigingsbericht (CC01 t/m CC95)
als padfunctie is opgegeven, worden waarden voor
besturingswijzigingen en het MIDI-zendkanaal als
volgt ingesteld.
CBesturingswijzigingswaarde
Gebruik deze parameter om een waarde in te stellen voor het
MIDI-besturingswijzigingsbericht, aangegeven met 2.
Als een pad of externe controller wordt ingesteld op een
andere waarde dan 'FTSW': Deze waarde wordt
verzonden wanneer de pad of externe controller wordt
aangeslagen of bediend.
Als de instellingen 'FTSW' en 'ftSw' op de pagina Foot
Switch Input (UTIL4-2) zijn geselecteerd: 3-a is de
waarde die wordt verzonden wanneer de voetschakelaar
wordt losgelaten, en 3-b is de waarde die wordt verzonden
wanneer de voetschakelaar wordt ingedrukt.
Als de instellingen 'FTSW' en 'ftSw' op de pagina Foot
Switch Input (UTIL4-2) niet zijn geselecteerd: In dit
geval kan geen specifieke besturingswijzigingswaarde
worden opgegeven. In plaats daarvan wordt een waarde
tussen 0 en 127 verzonden op basis van de mate waarin de
hi-hatcontroller of voetcontroller wordt bediend.
DBesturingswijzigings-zendkanaal
Gebruik deze parameter om een MIDI-kanaal in te stellen
voor de verzending van het MIDI-
besturingswijzigingsbericht, aangegeven met 2.
UTIL4 PAD
UTIL4-1 Pagina Pad Function
Instellingen
01 t/m 12, 13, 13R1, 13R2, 14 t/m 17, FTSW
(voetschakelaar), HHCL (hi-hat sluiten) of
HHSP (hi-hat splash)
Instellingen
off, inc kitNo, dec kitNo, inc ptnNo, dec
ptnNo, inc tempo, dec tempo, tap tempo,
clickOn/Off of CC01 t/m CC95
UTIL4
≥≥≥≥≥≥PAD
UTIL4-1≥-º¡-
Func=clickOn/Off 2
1
Instellingen 0 t/m 127
Instellingen 1 t/m 16
UTIL4-1≥-º¡-≥≥†”
Func=CC01/127
4
2 3
UTIL4-1≥-√¤‘’-†”
Func=CC01/≥0-127
4
23-a 3-b
UTIL4-1≥-√¤‘’-†”
Func=CC01
4
2
Als een pad of externe controller wordt ingesteld op een andere
waarde dan 'FTSW':
Als de instellingen 'FTSW' en 'ftSw' op de pagina
Foot Switch Input (UTIL4-2) zijn geselecteerd:
Als de instellingen 'FTSW' en 'ftSw' op de pagina
Foot Switch Input (UTIL4-2) niet zijn geselecteerd:
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
Gebruikershandleiding 89
1Voetschakelaar-invoerselectie (FootSwInsel)
Met deze parameter kunt u opgeven of een voetschakelaar
('ftSw'), een hi-hatcontroller ('HH65') of een voetcontroller
('FC7') is aangesloten op de FOOT SW-aansluiting.
De snelheden die worden verzonden wanneer een hi-hatcontroller of
een voetcontroller wordt aangesloten, zijn afhankelijk van de instelling
op de pagina Trigger Velocity (MIDI1-7).
De snelheden die worden verzonden wanneer een voetschakelaar is
aangesloten, zijn eveneens afhankelijk van de instelling op de pagina
Tr igger Velocity (MIDI1-7). Als op die pagina echter 'variable' is
geselecteerd, worden snelheden verzonden met de vaste waarde 100.
1Pad10-12
Met deze parameter kunt u rimpads 10 t/m 12 inschakelen
('enable') of uitschakelen ('disable'). Deze functie kan handig
zijn om te voorkomen dat voices die aan deze rimpads zijn
toegewezen, worden afgespeeld wanneer ze per ongeluk
worden aangeslagen in plaats van de pads 7 t/m 9.
enable ................. De rimpads werken op de gebruikelijke
wijze.
disable ................ Functies die aan deze rimpads zijn
toegewezen, worden uitgeschakeld.
Wanneer ze worden aangeslagen, werkt
de DTX-MULTI 12 net als wanneer de
corresponderende hoofdpads (7 t/m 9)
zouden zijn aangeslagen.
Hi-hatinstelling
In de sectie HI-HAT kunt u parameters instellen voor de hi-hats.
Druk op de pagina HI-HAT (UTIL5) op [ENTER] om de drie
pagina's met parameterinstellingen te openen (UTIL5-1 t/m
UTIL5-3). Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's
navigeren.
1Sluitpositie (ClosePosi)
Met deze parameter kunt u de positie aanpassen waarop
de hi-hat schakelt van geopend naar gesloten wanneer een
hi-hatcontroller wordt ingedrukt. Hoe lager de waarde,
des te kleiner de virtuele opening tussen de bovenste
en onderste hi-hats is.
1Splash-gevoeligheid (SplashSens)
Met deze parameter kunt u de mate van gevoeligheid instellen
voor de detectie van hi-hat voetsplashes. Hoe hoger de
waarde, des te gemakkelijker is het om met de hi-
hatcontroller voetsplash-geluiden te produceren. Hoge
waarden kunnen echter tot gevolg hebben dat splashgeluiden
onbedoeld worden geproduceerd wanneer u de hi-
hatcontroller bijvoorbeeld een klein beetje indrukt om de
maat te houden. U wordt aangeraden deze parameter in te
stellen op ‘off als u geen foot-splashes wilt afspelen.
1Hi-hatcontroller verzenden (SendHH)
Met deze parameter kunt u de verzending van MIDI-berichten
die overeenkomen met de voortdurende beweging van de
hi-hatcontroller tussen de geopende en gesloten posities
inschakelen ('on') of uitschakelen ('off').
Als op de pagina Hi-Hat Function (KIT7-3) 'hi-hat' is geselecteerd,
worden alleen MIDI-berichten verzonden als deze parameter is
ingesteld op 'on'.
Als op de pagina Hi-Hat Function (KIT7-3) 'MIDI' is geselecteerd,
worden altijd MIDI-berichten verzonden, ongeacht of deze parameter
is ingesteld op 'on' of 'off'.
UTIL4-2 Pagina Foot Switch Input
Instellingen ftSw, HH65 of FC7
UTIL4-3 Pagina Pad 10-12 Switch
Instellingen enable of disable
UTIL5 HI-HAT
UTIL4-2≥≥≥≥<PAD>
FootSwInSel=ftSw 1
OPMERKING
UTIL4-3≥≥≥≥<PAD>
Pad10-12=enable 1
UTIL5
≥≥≥≥≥HI-HAT
UTIL5-1 Pagina Close Position
Instellingen -32 t/m +0 t/m +32
UTIL5-2 Pagina Splash Sensitivity
Instellingen off of 1 t/m 127
UTIL5-3 Pagina Send Hi-hat Controller
Instellingen off of on
UTIL5-1≥<HI-HAT>
≥ClosePosi=+10 1
UTIL5-2≥<HI-HAT>
≥SplashSens=127 1
UTIL5-3≥<HI-HAT>
≥≥≥SendHH=on 1
OPMERKING
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
90 Gebruikershandleiding
MIDI-instelling van instrument
In de sectie MIDI kunt u MIDI-parameters instellen die gelden
voor het gehele DTX-MULTI 12-systeem. Druk op de pagina
MIDI (UTIL6) op [ENTER] om de twaalf pagina's met
parameterinstellingen te openen (UTIL6-1 t/m UTIL6-12).
Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen deze pagina's navigeren.
1Ontvangst kanaal-10 (Rcv10ch)
Met deze parameter kunt u de ontvangst inschakelen ('on') of
uitschakelen ('off') van MIDI-berichten die zijn verzonden
door externe apparaten op kanaal 10. Als deze parameter is
ingesteld op 'off', speelt de interne toongenerator alleen voices
op kanaal 10 af als reactie op invoer afkomstig van de pads op
de DTX-MULTI 12 of van pads die zijn aangesloten via de
PAD-aansluitingen.
1Ontvangst programmawijziging (RcvPC)
Met deze parameter kunt u de ontvangst inschakelen ('on') of
uitschakelen ('off') van MIDI-programmawijzigingsberichten.
Als deze parameter is ingesteld op 'off' en een nieuwe drumkit
is geselecteerd, worden voices alleen gewijzigd op basis van
instelling die zijn gedaan voor de voorgeprogrammeerde
voices van die kit. Stel deze parameter in op 'on' als u wilt dat
voices op alle MIDI-kanalen veranderen in overeenstemming
met patroonsettings of als reactie op signalen van externe
MIDI-apparaten.
1Ontvangst programmawijziging kanaal
10 (RcvPC10ch)
Met deze parameter kunt u de ontvangst inschakelen ('on') of
uitschakelen ('off') van MIDI-programmawijzigingsberichten
die zijn verzonden op kanaal 10. Selecteer 'on' als u wilt dat
kits op alle MIDI-kanalen veranderen in overeenstemming
met patroonsettings of als reactie op signalen van externe
MIDI-apparaten. Let wel: deze instelling werkt alleen als ook
op de pagina Program Change Receive (UTIL6-2) de
instelling 'on' is geselecteerd.
1Status meerstemmige aftertouch (PolyAfter)
Met deze parameter kunt u de uitwisseling inschakelen ('on')
of uitschakelen ('off') van meerstemmige aftertouch-berichten
met externe MIDI-apparaten.
1Lokale besturing (LocalCtrl)
Met deze parameter kunt u het afspelen van de interne
toongenerator met DTX-MULTI 12-pads en –patronen
inschakelen ('on') of uitschakelen ('off'). Gewoonlijk is deze
parameter ingesteld op 'on', wat inhoudt dat de toongenerator
lokaal wordt bestuurd. Als deze parameter is ingesteld op 'off',
worden de pads en externe controllers in feite losgekoppeld
van de interne toongenerator. Dat betekent dat de DTX-MULTI
12 geen geluid produceert wanneer u op pads tikt.
Zelfs als lokale besturing op deze pagina is uitgeschakeld (dus is
ingesteld op 'off'), kan de interne toongenerator van de DTX-MULTI 12
geluid produceren als reactie op MIDI-berichten die binnenkomen via
de MIDI IN-aansluiting en de USB TO HOST-poort. Bovendien zullen
MIDI-berichten, geproduceerd door pads, patronen en externe
controllers worden uitgevoerd via de MIDI OUT-aansluiting.
UTIL6 MIDI
UTIL6-1 Pagina Channel-10 Receive
Instellingen off of on
UTIL6-2 Pagina Program Change
Receive
Instellingen off of on
UTIL6
≥≥≥≥≥≥MIDI
UTIL6-1≥≥≥<MIDI>
≥≥Rcv10ch=on 1
UTIL6-2≥≥≥<MIDI>
≥≥≥RcvPC=on 1
UTIL6-3
Pagina Channel-10 Program
Change Receive
Instellingen off of on
UTIL6-4 Pagina Polyphonic Aftertouch
Status
Instellingen off of on
UTIL6-5 Pagina Local Control
Instellingen off of on
UTIL6-3≥≥≥<MIDI>
≥RcvPC10ch=on 1
UTIL6-4≥≥≥<MIDI>
≥PolyAfter=on 1
UTIL6-5≥≥≥<MIDI>
≥LocalCtrl=on 1
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
Gebruikershandleiding 91
1MIDI-synchronisatie (MIDISync)
Met deze parameter kunt u opgeven of patronen en de
clicktrack afgespeeld moeten worden in het tempo dat is
ingesteld voor de DTX-MULTI 12, of gesynchroniseerd
moeten worden met externe MIDI-apparaten op basis van
MIDI-klokberichten (d.w.z. F8 Timing Clock) die van deze
apparaten zijn ontvangen.
int ........ Patronen en de clicktrack worden afgespeeld met
de huidige DTX-MULTI 12-tempo-instelling.
Gebruik 'int' wanneer dit instrument alleen of als de
master-clockbron voor andere apparatuur wordt
gebruikt.
•ext........ De DTX-MULTI 12 wordt gesynchroniseerd met
MIDI-klokberichten die zijn ontvangen via MIDI.
Gebruik 'ext' als een extern MIDI-apparaat als
masterklokbron gebruikt moet worden voor
gesynchroniseerd afspelen.
auto...... MIDI-klokberichten die via MIDI worden
ontvangen, krijgen voorrang op het huidige tempo
van de DTX-MULTI 12. Dat wil zeggen dat het
afspelen met MIDI-klokberichten wordt
gesynchroniseerd wanneer ze worden ontvangen,
en dat in alle andere gevallen het interne tempo
wordt gehanteerd.
Om de DTX-MULTI 12 goed te kunnen synchroniseren wanneer deze
parameter is ingesteld op 'ext' of 'auto', moet het aangesloten externe
MIDI-apparaat of de computer zijn ingesteld om MIDI-klokberichten te
verzenden.
1Klok uit
Met deze parameter kunt u de verzending van MIDI-
klokberichten (d.w.z. F8 Timing Clock) via de MIDI OUT-
aansluiting inschakelen ('on') of uitschakelen ('off').
1Sequencer-besturing (SeqCtrl)
Met deze parameter kunt u opgeven of System Realtime-
berichten (d.w.z. FA Start, FB Continue en FC Stop) via MIDI
worden verzonden en ontvangen.
•off.........Er worden geen System Realtime-berichten
verzonden of ontvangen.
•in..........Er worden wel System Realtime-berichten
ontvangen, maar niet verzonden.
out ........Er worden wel System Realtime verzonden, maar
niet ontvangen.
in/out....Er worden System Realtime verzonden
en ontvangen.
Als 'strt', 'cont' of 'stop' is ingesteld op de pagina MIDI Message
(MIDI1), heeft de instelling SeqCtrl 1 geen effect en wordt het
respectievelijke bericht (FA Start, FB Continue of FC Stop) uitgevoerd.
1MIDI IN/OUT
Gebruik deze parameter om op te geven of de uitwisseling
van MIDI-berichten met externe apparaat moet worden
uitgevoerd via de MIDI-aansluitingen of de USB TO HOST-
poort.
1MIDI Thru-poort (ThruPort)
Als de DTX-MULTI 12 MIDI-berichten ontvangt van een
computer die via USB is aangesloten, kunnen deze berichten
die via een specifieke poort zijn ontvangen, worden
doorgestuurd naar de MIDI OUT-aansluiting zodat ze naar
andere externe MIDI-apparaten kunnen worden uitgevoerd.
Gebruik deze parameter om die poort op te geven.
UTIL6-6 Pagina MIDI Sync
Instellingen int, ext of auto
UTIL6-7 Pagina Clock Out
Instellingen off of on
UTIL6-6≥≥≥<MIDI>
≥MIDI≥Sync=int 1
OPMERKING
UTIL6-7≥≥≥<MIDI>
≥≥ClockOut=on 1
UTIL6-8 Pagina Sequencer Control
Instellingen off, in, out of in/out
UTIL6-9 Pagina MIDI In/Out
Instellingen MIDI of USB
UTIL6-10 Pagina MIDI Thru Port
Instellingen 1 of 2
UTIL6-8≥≥≥<MIDI>
≥SeqCtrl=in/out 1
OPMERKING
UTIL6-9≥≥≥<MIDI>
MIDI≥IN/OUT=MIDI 1
UTIL6-10≥≥<MIDI>
≥≥≥ThruPort=1 1
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
92 Gebruikershandleiding
1MIDI samenvoegen
Met de functie MIDI Merge kunt u MIDI-berichten die
worden ontvangen via de MIDI IN-aansluiting samenvoegen
met speeldata die worden geproduceerd door de DTX-MULTI
12 te bespelen, en kunt u deze gecombineerde MIDI-data
uitvoeren via de MIDI OUT-aansluiting. Stel deze parameter
in op 'on' als u het samenvoegen van MIDI-berichten wilt
inschakelen.
Als 'USB' op de pagina MIDI In/Out (UTIL6-9) is geselecteerd,
wordt deze instelling weergegeven als '---' en kan deze niet worden
gewijzigd.
1Apparaatnummer
Gebruik deze parameter om een MIDI-apparaatnummer voor
de DTX-MULTI 12 in te stellen. Om bulkdata,
parameterwijzigingen en andere niet-systeem MIDI-berichten
te kunnen uitwisselen, moet deze instelling overeenkomen
met het apparaatnummer van het externe MIDI-apparaat.
all......... Niet-systeemberichten voor alle MIDI-
apparaatnummers worden ontvangen. Daarnaast
geeft de DTX-MULTI 12 berichten door met
apparaatnummer 1.
•off ........ Niet-systeemberichten, zoals bulk dump en
parameterwijzigingen worden niet doorgegeven en
niet ontvangen. Er wordt een foutbericht
weergegeven als u probeert een dergelijke
bewerking uit te voeren.
Bestandsbeheer
In de sectie FILE kunt u diverse bestandsbeheerbewerkingen
uitvoeren. Druk op de pagina FILE (UTIL7) op de knop
[ENTER] om de zes pagina's met parameterinstellingen te openen
(UTIL7-1 t/m UTIL7-6). Met de knoppen [B]/[C] kunt u
tussen deze pagina's navigeren.
In de volgende beschrijvingen worden bepaalde termen gebruikt
met betrekking tot bestandsbeheerfuncties en -bewerkingen.
Gelieve even de tijd te nemen om u vertrouwd te maken met hun
betekenis zodat u deze functies en bewerkingen beter begrijpt.
Bestand
De term 'bestand' wordt gebruikt om een reeks gegevens te
definiëren die op een USB-geheugenapparaat of in het interne
geheugen van de DTX-MULTI 12 zijn opgeslagen.
De uitwisseling van gegevens met USB-geheugenapparaten
wordt uitgevoerd in de vorm van bestanden.
Bestandsnaam
Net als met uw computer, kan de DTX-MULTI 12 afzonderlijke
bestanden namen geven. Deze namen worden gebruikt om
bestanden van elkaar te onderscheiden. Daarom mogen twee
bestanden in een specifieke map niet dezelfde naam hebben.
Hoewel u op computers heel lange bestandsnamen mag
gebruiken, zelfs namen met vreemde tekens, hebben de
bestandsnamen op de DTX-MULTI 12 een beperking van acht
alfanumerieke tekens.
Bestandsextensie
De drie letters achter de punt aan het einde van een bestandsnaam,
bijvoorbeeld '.mid' en '.wav', vormen de bestandsextensie. Deze
bestandsextensie geeft het type gegevens aan dat in het bestand is
opgeslagen. Hoewel dit instrument bestandsextensies aan
bestandsnamen toewijst, worden deze niet in het scherm
weergegeven om de beschikbare ruimte zo optimaal te
kunnen gebruiken.
Bestandsgrootte
De hoeveelheid geheugen die nodig is om een bestand op te slaan,
wordt aangegeven met de bestandsgrootte. Deze grootten en ook
de capaciteit van geheugenapparaten wordt weergegeven in de
standaardcomputernotatie met B (bytes), kB (kilobyte),
MB (megabyte) en GB (gigabyte). (1 kB is gelijk aan 1.024 bytes,
1 MB is gelijk aan 1.024 kB en 1 GB is gelijk aan 1.024 MB.)
USB-geheugenapparaat
De term 'USB-geheugenapparaat' wordt gebruikt om te verwijzen
naar vaste schijven en andere externe USB-geheugeneenheden die
worden gebruikt om bestanden op te slaan en op te halen.
UTIL6-11 Pagina MIDI Merge
Instellingen off of on
UTIL6-12 Pagina Device Number
Instellingen 1 t/m 16, all of off
UTIL6-11≥≥<MIDI>
≥≥≥Merge=off 1
OPMERKING
UTIL6-12≥≥<MIDI>
≥DeviceNo.=all 1
UTIL7-bestand
Bestandsgerelateerde termen
UTIL7
≥≥≥≥≥≥FILE
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
Gebruikershandleiding 93
Directory
Op geheugenapparaten wordt een hiërarchisch mappensysteem
gebruikt om bestanden op type of toepassing te groeperen. In dat
opzicht is een 'directory' hetzelfde als een map op een computer.
Net als bestanden, kunt u ook directory's een naam geven.
Bestandsbewerkingen worden binnen een reeks speciale directory's
uitgevoerd, die als volgt in een USB-geheugenapparaat gemaakt
worden nadat het apparaat op de pagina Format (UTIL7-5) voor
gebruik is geformatteerd. De DTX-MULTI 12 geeft deze
directorystructuur niet in het scherm weer.
Formatteren
Het initialiseren van een USB-geheugenapparaat wordt
'formatteren' genoemd. Wanneer u een USB-geheugenapparaat
met dit instrument formatteert, worden eerder gemaakte
bestanden en directory's (of mappen) gewist en worden de
hierboven genoemde speciale directory's gemaakt.
Opslaan en laden
De term 'opslaan' betekent het schrijven van gegevens die op de
DTX-MULTI 12 zijn gemaakt, naar een USB-geheugenapparaat
om deze te bewaren, terwijl 'laden' verwijst naar het lezen van
bestanden van het geheugenapparaat in het interne geheugen van
het instrument. Ga op de pagina Save File als volgt te werk om
bestanden op een USB-geheugenapparaat op te slaan.
Ga op de pagina Save File als volgt te werk om bestanden op een
USB-geheugenapparaat op te slaan.
1Sluit een USB-geheugenapparaat die op de pagina
Format (UTIL7-5) is geformatteerd voor gebruik met
de DTX-MULTI 12 aan op de USB TO DEVICE-poort
op het zijpaneel van het instrument.
2Ga naar de pagina Save File (UTIL7-1) en druk op
[ENTER].
De pagina Type (UTIL7-1-1) wordt geopend.
De parameter type geeft het type op van het bestand dat wordt
opgeslagen.
All .......................Alle gebruikersgegevens, dus
gebruikerskits, alle waves, alle
gebruikerspatronen, alle
gebruikerstriggers en alle
hulpprogramma-instellingen.
AllKit ..................Alle gebruikerskitgegevens
AllWave ..............Alle wavegegevens
AllPattern............Alle gebruikerspatroongegevens
AllTrigger ...........Alle gebruikerstriggergegevens
• Utility..................Hulpprogramma-instellingen
Als u 'AllPattern' selecteert terwijl er nog geen gebruikerspatronen zijn
gemaakt, wordt een 'No Data'-foutbericht weergegeven en worden
geen gegevens opgeslagen.
Als u 'AllWave' selecteert terwijl alle waves leeg zijn, wordt een
'No Wave Data'-foutbericht weergegeven en worden geen gegevens
opgeslagen.
3Geef met de parameter Type een bestandstype op en
druk o [ENTER].
De pagina Name (UTIL7-1-2) wordt geopend. Geef een naam
op voor het bestand dat u wilt opslaan.
Met de knoppen [B]/[C] kunt u de knipperende cursor
verplaatsen, en met de knoppen [-/DEC] en [+/INC] kunt
u door de beschikbare tekens bladeren. Bestandsnamen
kunnen uit maximaal acht tekens bestaan.
Alle spaties in bestandsnamen worden automatisch door een '_'
(onderstreepteken) vervangen.
\YAMAHA
DTXMULTI
ALL All
ALLKIT AllKit
ALLWAV AllWave
ALLPTN AllPattern
ALLTRG AllTrigger
UTL Utility
UTIL7-1 Pagina Save File
Instellingen All, AllKit, AllWave, AllPattern, AllTrigger of
Utility
UTIL7-1≥≥≥<FILE>
≥≥≥Save≥File
UTIL7-1-1≥<FILE>
Type=All
Bestandstype
OPMERKING
UTIL7-1-2≥<FILE>
Name=[ALL_DATA]
Bestandsnaam
OPMERKING
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
94 Gebruikershandleiding
4Druk op [ENTER] als u een bestandsnaam
hebt ingesteld.
U wordt gevraagd te bevestigen dat de gegevens worden
opgeslagen. Druk op [ENTER] om verder te gaan. U kunt
ook op [EXIT] drukken om naar stap 3 terug te keren zonder
op te slaan.
Als er al een bestand met die naam bestaat, wordt u gevraagd
of u dat bestand wilt overschrijven (zie hieronder). Als u een
andere bestandsnaam wilt instellen zodat het bestand niet
wordt overschreven, drukt u op [EXIT] om naar de pagina
Name (UTIL7-1-2) terug te gaan.
5Druk op de [ENTER] om het bestand op te slaan.
Het volgende bericht wordt weergegeven wanneer de
gegevens worden opgeslagen. Als u op dat moment op [EXIT]
drukt, wordt het opslagproces afgebroken en keert u naar de
pagina Name (UTIL7-1-2) terug.
Wanneer het bestand is opgeslagen, wordt de pagina Save File
(UTIL7-1) opnieuw weergegeven.
Ga op de pagina Load File als volgt te werk om bestanden die
u eerder op een USB-geheugenapparaat hebt opgeslagen, op de
DTX-MULTI 12 te laden.
1Sluit het USB-geheugenapparaat met de vereiste
bestanden aan op de USB TO DEVICE-poort op het
zijpaneel van de DTX-MULTI 12.
2Ga naar de pagina Load File (UTIL7-2) en druk
op [ENTER].
De pagina Type (UTIL7-2-1) wordt geopend.
De parameter type geeft het type op van het bestand dat wordt
geladen.
All ...............Alle gebruikersgegevens, dus gebruikerskits,
alle waves, alle gebruikerspatronen, alle
gebruikerstriggers en alle hulpprogramma-
instellingen.
AllKit ..........Alle gebruikerskitgegevens
Kit ...............Een enkele gebruikerskit
AllWave.......Alle wavegegevens
•Wave............Een enkele wave
AllPattern ....Alle gebruikerspatroongegevens
•Pattern ......... Een enkel patroon
AllTrigger....Alle gebruikerstriggergegevens
•Trigger.........een enkele gebruikerstriggerinstelling
Utility .......... Hulpprogramma-instellingen
3Geef met de parameter Type een bestandstype op en
druk o [ENTER].
De pagina File (UTIL7-2-2) wordt geopend.
Selecteer het bestand dat u wilt laden met de knoppen [-/DEC]
en [+/INC]. Alleen de bestanden die overeenkomen met uw
selectie op de pagina Type (UTIL7-2-1) worden weergegeven
om te kunnen laden. Als u één enkel bestand laadt, moet u eerst
het All-bestand selecteren dat dit bestand bevat (als u
bijvoorbeeld een enkele drumkit wilt laden, moet u eerst een
bestand van het type 'AllKit' selecteren). Het is echter niet
mogelijk om een enkel bestand te laden als een All-type voor
laden is geselecteerd.
•Koppel het USB-geheugenapparaat niet los van de USB TO
DEVICE-poort en zet het geheugenapparaat of de DTX-MULTI
12 niet uit terwijl gegevens worden opgeslagen. Als u deze
voorzorgsmaatregel niet in acht neemt, kan dit tot gevolg
hebben dat het geheugenapparaat of de DTX-MULTI 12
permanent wordt beschadigd.
≥≥≥Save≥File
≥Are≥you≥sure?
≥≥≥Save≥File
≥≥≥Overwrite?
≥Now≥saving...
[EXIT]≥to≥cancel
LET OP
UTIL7-1≥≥≥<FILE>
≥≥≥Save≥File
UTIL7-2 Pagina Load File
Instellingen All, AllKit, Kit, AllWave, Wave, AllPattern,
Pattern, AllTrigger, Trigger of Utility
UTIL7-2≥≥≥<FILE>
≥≥≥Load≥File
UTIL7-2-1≥<FILE>
Type=All
Bestandstype
UTIL7-2-2≥<FILE>
≥File=ALL_DATA
Bestandsnaam
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
Gebruikershandleiding 95
4Druk op [ENTER] als u het bestand hebt
geselecteerd die u wilt laden.
Als 'All', 'AllKit', 'AllWave', 'AllPattern', 'AllTrigger' of
'Utility' is geselecteerd:
De relevante pagina uit stap 8 hieronder wordt weergegeven.
Als 'Kit', 'Wave', 'Pattern' of 'Trigger' is geselecteerd:
De relevante pagina uit stap 5 hieronder wordt weergegeven.
5Selecteer het vereiste pakket gegevens in het
geselecteerde bestand.
Met de knoppen [-/DEC] en [+/INC] kunt u door de
beschikbare gegevens bladeren.
6Druk op [ENTER] als u het bestand hebt
geselecteerd die u wilt laden.
7Selecteer een bestemming voor de gegevens
die u wilt laden.
Met de knoppen [-/DEC] en [+/INC] kunt u het nummer van
de gebruikerskit, wave, het gebruikerspatroon of de
gebruikerstrigger selecteren die u met de geladen gegevens
wilt overschrijven.
8Druk op [ENTER] als u het bestand hebt
geselecteerd die u wilt laden.
U wordt gevraagd te bevestigen dat de gegevens worden
geladen.
9Druk op [ENTER] om verder te gaan.
Het volgende bericht wordt weergegeven wanneer de
gegevens worden geladen.
Wanneer de gegevens zijn geladen, wordt de pagina Load File
(UTIL7-2) opnieuw weergegeven.
Instellingen
Kit: U001 t/m U200
Wave: WV001 t/m WV500
Patroon: eU001 t/m eU050
Tr igger: U01 t/m U10
UTIL7-2-3≥≥<Src>
U001:MyKit
UTIL7-2-3≥≥<Src>
WV001:MyWave
UTIL7-2-3≥≥<Src>
©U001:MyPtn
UTIL7-2-3≥≥<Src>
U01:MyTrigger
Als 'Kit' is geselecteerd:
Als 'Wave' is geselecteerd:
Als 'Pattern' is geselecteerd:
Als 'Trigger' is geselecteerd:
Instellingen
Kit: U001 t/m U200
Wave: WV001 t/m WV500
Patroon: eU001 t/m eU050
Tr igger: U01 t/m U10
•Koppel het USB-geheugenapparaat niet los van de USB TO
DEVICE-poort en zet het geheugenapparaat of de DTX-MULTI
12 niet uit terwijl gegevens worden geladen. Als u deze
voorzorgsmaatregel niet in acht neemt, kan dit tot gevolg
hebben dat het geheugenapparaat of de DTX-MULTI 12
permanent wordt beschadigd.
UTIL7-2-4≥≥<Dst>
U001:User≥Kit
UTIL7-2-4≥≥<Dst>
WV001:Empty≥Wave
UTIL7-2-4≥≥<Dst>
©U001:Empty≥Ptn
UTIL7-2-4≥≥<Dst>
U01:User≥Trigger
Als 'Kit' is geselecteerd:
Als 'Wave' is geselecteerd:
Als 'Pattern' is geselecteerd:
Als 'Trigger' is geselecteerd:
≥≥≥Load≥File
≥Are≥you≥sure?
Now≥loading.....
[EXIT]≥to≥cancel
LET OP
UTIL7-2≥≥≥<FILE>
≥≥≥Load≥File
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
96 Gebruikershandleiding
Ga op de pagina Rename File als volgt te werk om bestanden die
u eerder op een USB-geheugenapparaat hebt opgeslagen, een
andere naam te geven.
1
Sluit het USB-geheugenapparaat aan op de USB TO
DEVICE-poort op het zijpaneel van de DTX-MULTI 12.
2Ga naar de pagina Rename File (UTIL7-2) en druk op
[ENTER] om de pagina Type (UTIL7-3-1) te openen.
Gebruik de parameter Type om het bestandstype aan te geven
van het bestand waarvan u de naam wilt wijzigen.
All................Alle gebruikersgegevens, dus alle
gebruikerskits, alle gebruikerswaves, alle
gebruikerspatronen, alle gebruikerstriggers en
alle hulpprogramma-instellingen.
AllKit...........Alle gebruikerskitgegevens
AllWave.......Alle wavegegevens
AllPattern ....Alle gebruikerspatroongegevens
AllTrigger....Alle gebruikerstriggergegevens
Utility ..........Hulpprogramma-instellingen
3Druk op [ENTER] om de pagina Rename From
(UTIL7-3-2) te openen.
Selecteer het bestand waarvan u de naam wilt wijzigen met de
knoppen [-/DEC] en [+/INC].
Alleen de bestanden die overeenkomen met uw selectie op de
pagina Type (UTIL7-3-1) worden voor een naamwijziging
weergegeven.
4Druk op [ENTER] om de pagina Rename To (UTIL7-3-
3) te openen.
Met de knoppen [B]/[C] kunt u de knipperende cursor
verplaatsen, en met de knoppen [-/DEC] en [+/INC] kunt
u door de beschikbare tekens bladeren. Bestandsnamen
kunnen uit maximaal acht tekens bestaan.
Alle spaties in bestandsnamen worden automatisch door een '_'
(onderstreepteken) vervangen.
5Druk op [ENTER] als u de nieuwe bestandsnaam
hebt ingesteld.
U wordt gevraagd te bevestigen dat het bestand een andere
naam wilt geven.
6Druk op de [ENTER] om het bestand een andere
naam te geven.
Het volgende bericht wordt weergegeven wanneer het bestand
een andere naam krijgt.
Wanneer het naamwijzigingsproces is voltooid, wordt het
bericht 'Completed.' weergegeven. Daarna keert u terug naar
de pagina Save File (UTIL7-3).
UTIL7-3 Pagina Rename File
Instellingen All, AllKit, AllWave, AllPattern, AllTrigger of
Utility
UTIL7-3≥≥≥<FILE>
≥≥Rename≥File
UTIL7-3-1≥<FILE>
Type=All
Bestandstype
UTIL7-3-2≥<From>
≥File=ALL_DATA
Bestandsnaam
•Koppel het USB-geheugenapparaat niet los van de USB TO
DEVICE-poort en zet het geheugenapparaat of de DTX-MULTI
12 niet uit terwijl gegevens een andere naam krijgen. Als u deze
voorzorgsmaatregel niet in acht neemt, kan dit tot gevolg
hebben dat het geheugenapparaat of de DTX-MULTI 12
permanent wordt beschadigd.
UTIL7-3-3≥≥≥<To>
Name=MyData
OPMERKING
≥≥Rename≥File
≥Are≥you≥sure?
Executing...
LET OP
UTIL7-3≥≥≥<FILE>
≥≥Rename≥File
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
Gebruikershandleiding 97
Ga op de pagina Delete File als volgt te werk om bestanden te
verwijderen die u eerder op een USB-geheugenapparaat hebt
opgeslagen.
1Sluit de USB-geheugenapparaat met de bestanden
die u wilt verwijderen, aan op de USB TO DEVICE-
poort op het zijpaneel van de DTX-MULTI 12.
2Ga naar de pagina Delete File (UTIL7-4) en druk op
[ENTER].
De pagina Type (UTIL7-4-1) wordt geopend.
De parameter type geeft het type op van het bestand dat wordt
verwijderd.
All ...............Alle gebruikersgegevens, dus gebruikerskits,
alle waves, alle gebruikerspatronen, alle
gebruikerstriggers en alle hulpprogramma-
instellingen.
AllKit ..........Alle gebruikerskitgegevens
AllWave.......Alle wavegegevens
AllPattern .... Alle gebruikerspatroongegevens
AllTrigger....Alle gebruikerstriggergegevens
Utility .......... Hulpprogramma-instellingen
3Geef met de parameter Type een bestandstype op en
druk o [ENTER].
De pagina File (UTIL7-4-2) wordt geopend.
Selecteer het bestand dat u wilt verwijderen met de knoppen
[-/DEC] en [+/INC]. Alleen bestanden die voldoen aan uw
selectie op de pagina Type (UTIL7-4-1) zijn beschikbaar voor
selectie.
4Druk op [ENTER] als u het bestand hebt
geselecteerd die u wilt verwijderen.
U wordt gevraagd te bevestigen dat het bestand wilt
verwijderen.
5Druk op [ENTER] om verder te gaan.
Het volgende bericht wordt weergegeven wanneer
de gegevens worden verwijderd.
Wanneer het verwijderingsproces is voltooid, wordt het
bericht 'Completed.' weergegeven. Daarna keert u terug naar
de pagina Delete File (UTIL7-4).
Bepaalde typen USB-geheugen moeten worden geformatteerd
voordat deze door de DTX-MULTI 12 kunnen worden gebruikt.
Ga als volgt te werk om een dergelijk apparaat te formatteren.
In bepaalde gevallen worden USB-geheugenapparaten die op een
computer zijn geformatteerd, niet herkend door de DTX-MULTI 12.
Zorg er daarom voor dat u de geheugenapparaten die u met dit
instrument wilt gebruiken, ook met dit apparaat formatteert.
1
Sluit het USB-geheugenapparaat aan op de USB TO
DEVICE-poort op het zijpaneel van de DTX-MULTI 12.
2
Ga naar de pagina Format (UTIL7-5) en druk
op [ENTER].
U wordt gevraagd te bevestigen dat het USB-geheugenapparaat
wilt formatteren.
UTIL7-4 Pagina Delete File
Instellingen All, AllKit, AllWave, AllPattern, AllTrigger of
Utility
UTIL7-4≥≥≥<FILE>
≥≥Delete≥File
UTIL7-4-1≥<FILE>
Type=All
Bestandstype
UTIL7-4-2≥<FILE>
≥File=ALL≥DATA
Bestandsnaam
≥≥Delete≥File
≥Are≥you≥sure?
•Koppel het USB-geheugenapparaat niet los van de USB TO
DEVICE-poort en zet het geheugenapparaat of de DTX-MULTI
12 niet uit terwijl gegevens worden verwijderd. Als u deze
voorzorgsmaatregel niet in acht neemt, kan dit tot gevolg
hebben dat het geheugenapparaat of de DTX-MULTI 12
permanent wordt beschadigd.
UTIL7-5
Pagina Format
Alle gegevens op het USB-geheugenapparaat worden tijdens
het formatteringsproces verwijderd. Zorg er vóór het
formatteren van een geheugenapparaat voor dat u een back-up
hebt gemaakt van eventuele belangrijke gegevens op dat
apparaat.
Executing...
LET OP
UTIL7-4≥≥≥<FILE>
≥≥Delete≥File
UTIL7-5≥≥≥<FILE>
≥≥≥≥≥Format
LET OP
OPMERKING
≥≥≥≥Format
≥Are≥you≥sure?
UTILITY-instellingengebied (UTIL)
98 Gebruikershandleiding
3Druk op [ENTER] om verder te gaan.
Het volgende bericht wordt weergegeven wanneer het
geheugenapparaat wordt geformatteerd.
Wanneer het formatteringsproces is voltooid, wordt het
bericht 'Completed.' weergegeven. Daarna keert u terug naar
de pagina Format (UTIL7-5).
Op de pagina Memory Info kunt u de status van het
geheugengebruik van een USB-geheugenapparaat controleren.
Daartoe gaat u naar de pagina Memory Info (UTIL7-6) en drukt
u op [ENTER].
1Percentage geheugengebruik (%)
Dit geeft aan hoeveel procent van het totale geheugen van het
USB-geheugenapparaat voor gebruikerspatronen op dat
moment wordt gebruikt.
BGebruikt geheugen / Totaal geheugen
Dit geeft afzonderlijk de hoeveelheid gebruikt geheugen en
het totale geheugen aan. Welke eenheden hier worden
gebruikt, is afhankelijk van de corresponderende
geheugenomvang (kB voor kilobytes, MB voor
megabytes en GB voor gigabytes).
Instrument resetten
In de sectie FACTORY SET kunt u alle gebruikersgegevens van de
DTX-MULTI 12 (alle gebruikerskits, waves, gebruikerspatronen,
gebruikerstriggers en hulpprogrammaparameters) terugzetten op
de standaardinstellingen.
1Ga naar de pagina Factory Set (UTIL8) en druk op
[ENTER].
U wordt gevraagd te bevestigen dat u een Factory Set-
bewerking wilt uitvoeren.
2Druk op [ENTER] om verder te gaan. U kunt ook
op [EXIT] drukken om het proces te annuleren.
Tijdens het Factory Set-proces wordt de berichten
'Executing...' en 'Please keep power on.' weergegeven.
Wanneer het proces is voltooid, wordt het bericht 'Completed.'
weergegeven. Daarna keert u terug naar de pagina Factory
Set (UTIL8).
•Koppel het USB-geheugenapparaat tijdens het formatteren niet
los van de USB TO DEVICE-poort en het geheugenapparaat en
de DTX-MULTI 12 mogen niet worden uitgeschakeld. Als u deze
voorzorgsmaatregel niet in acht neemt, kan dit tot gevolg
hebben dat het geheugenapparaat of de DTX-MULTI 12
permanent wordt beschadigd.
UTIL7-6 Pagina Memory Info
Executing...
LET OP
UTIL7-5≥≥≥<FILE>
≥≥≥≥≥Format
UTIL7-6≥≥≥<FILE>
≥≥Memory≥Info
UTIL7-6-1≥≥≥6.5%
≥≥≥8.4MB/128.0MB
1
2
UTIL8 FACTORY SET
•Telkens wanneer het instrument op deze manier wordt gereset,
worden alle door u opgegeven instellingen overschreven door de
corresponderende standaardinstellingen. Sla daarom op voorhand
alle belangrijke door u gedefinieerde gegevens op een USB-
geheugenapparaat op (zie pagina 93).
UTIL8
≥≥FACTORY≥SET
LET OP
≥≥Factory≥Set
≥Are≥you≥sure?
Executing...
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
Gebruikershandleiding 99
TRIGGER-instellingengebied (TRG)
In deze sectie wordt het TRIGGER-instellingengebied beschreven, dat u kunt openen door gelijktijdig op de knoppen
[SHIFT] en [UTILITY] te drukken. De kenmerken van de uitvoer van triggersignalen van pads wanneer deze worden
afgespeeld, zijn afhankelijk van allerhande factoren, bijvoorbeeld of ze met sticks of met de hand worden bediend, en -
in het geval van externe pads – van het ontwerp van de pads zelf. In het TRIGGER-instellingengebied kunt u de
triggersignalen van elke pad optimaliseren voor de verwerking door de DTX-MULTI 12 en om deze instellingen als
trigger-instellingsgegevens op te slaan.
Indeling van het TRIGGER-instellingengebied
Het TRIGGER-instellingengebied bestaat uit vier secties (TRG1 t/m TRG4). Met de knoppen [
B
]/[
C
] kunt u tussen deze secties
navigeren. Als een sectie pagina's met parameterinstellingen bevat, brandt de knop [ENTER]. Druk op de knop [ENTER] om deze pagina's
te openen. In bepaalde gevallen kunt u een aantal extra pagina's vanaf de pagina met parameterinstellingen openen, ook met de opgelichte
knop [ENTER]. Bovendien kunt u op de knop [EXIT] drukken als u terug wilt gaan in de richting van het begin van het instellingengebied.
Zorg ervoor dat u instellingen die u hebt bewerkt, opslaat voordat u het instrument uitzet of nieuwe triggerinstellingen selecteert. (Zie pagina 45.)
LET OP
TRG1≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥˛¸
P1:Stick≥Wide
TRG2≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥˛¸
≥≥≥≥≥≥PAD
TRG3
≥≥≥≥≥≥NAME
TRG4
≥≥≥≥COPY≥PAD
TRG1 Triggerinstellingen selecteren .......................................................... Pagina 100
TRG4-1 Pagina Trigger Setup Copy........................................................... Pagina 104
TRG2-1 Pagina Pad Type........................................................................... Pagina 100
TRG2-2 Pagina Crosstalk Prevention ........................................................ Pagina 102
TRG3-1 Pagina Trigger Setup Name ......................................................... Pagina 104
Secties Pagina's met parameterinstellingen
TRIGGER-instellingengebied (TRG)
100 Gebruikershandleiding
Triggerinstellingen selecteren
Gebruik deze parameters om de triggerinstellingen te selecteren
die u wilt toepassen of bewerken.
ATriggerinstellingencategorie
Met deze parameter kunt u de triggercategorie Preset (P) of
User (U) selecteren.
BNummer van triggerinstelling: Naam van
triggerinstelling
Gebruik deze parameters om de triggerinstellingen te
selecteren die u wilt toepassen of bewerken.
P01: Stick Wide ......... Triggerinstellingen, gespeeld met
sticks, met een dynamisch breed
bereik, waarmee de zachtheid en
hardheid van het spel eenvoudig tot
uitdrukking kan worden gebracht.
P02: Stick Normal...... Triggerinstelling, gespeeld met sticks,
met een standaard en evenwichtige
respons.
P03: Stick Narrow...... Triggerinstellingen, met sticks
gespeeld, met een smal dynamisch
bereik voor uiterst consistente
slagdetectie. Bij deze instellingen heeft
de zachtheid of hardheid van het spel
minder effect, zodat volumeverschillen
kunnen worden vervaagd.
P04: Hand .................. Triggerinstellingen, met de hand
gespeeld.
P05:Finger.................. Triggerinstellingen, met de hand
gespeeld, die ook bespelen met
vingertoppen ondersteunt.
U01 t/m U10 .............. Gebruikerstriggers.
Vrij configureerbare
triggerinstellingen voor uw eigen
unieke triggerbehoeften.
CInvoerniveau-indicator
Visuele voorstelling van het invoerniveau voor de aangeslagen
pad(s).
Op de pagina Trigger Setup Link (KIT7-6) kunt u de volledige
triggerinstellingen voor de huidige kit opgeven. (Zie pagina 52)
Padinstelling
In de sectie PAD kunt u parameters instellen die betrekking
hebben op de gevoeligheid, uitvoer en andere kenmerken van de
pads die in de DTX-MULTI 12 zijn ingebouwd en op de externe
pads die via de PAD-aansluitingen zijn aangesloten. Druk op de
pagina PAD (TRG2) op de knop [ENTER] om de
parameterpagina's Pad Type (TRG2-1) en Crosstalk Prevention
(TRG2-2) te openen. Met de knoppen [B]/[C] kunt u tussen
deze pagina's schakelen.
1Pad
Gebruik deze parameter om de pad(s) te selecteren die u wilt
instellen.
UP Bovenste rij ingebouwde rimpads (d.w.z. 1 t/m 3)
MID Middelste rij ingebouwde pads (d.w.z. 4 t/m 9)
LOW Onderste rij ingebouwde rimpads (d.w.z. 10 t/m 12)
01 Ingebouwde pad 1
: :
12 Ingebouwde pad 12
13 Externe pad, aangesloten op PAD M-aansluiting
: :
17 Externe pad, aangesloten op PAD Q-aansluiting
Indeling van ingebouwde pads
Selectie door slaan is beperkt tot padgroepen (UP, MID of LOW) en de
externe pads (13 t/m 17).
TRG1
Instellingen P of U
Instellingen
Als 'P' (voorgeprogrammeerde
triggerinstelling) is geselecteerd:
01 t/m 05
Als 'U' (door gebruiker gedefinieerde
triggerinstelling) is geselecteerd:
01 t/m 10
TRG1≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥˛¸
P01:Stick≥Wide
12
3
OPMERKING
TRG2 PAD
TRG2-1 Pagina Pad Type
01 02 03 UP
04 05 06
MID
07 08 09
10 11 12 LOW
Instellingen UP, MID, LOW of 01 t/m 17
TRG2≥≥≥≥≥≥≥≥≥≥˛¸
≥≥≥≥≥≥PAD
2
1
3
TRG2-1≥-MID-≥≥˛¸
Type=StickDyna
Voorpaneel
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
TRIGGER-instellingengebied (TRG)
Gebruikershandleiding 101
BPadtype
Gebruik deze parameter om een padtype in te stellen voor de
pad(s), aangegeven met 1. Hieronder vindt u de beschikbare
opties. Deze zijn afhankelijk van het feit of u een of meer
ingebouwde pads (d.w.z. UP, MID, LOW of 01 t/m 12) of
een van de externe pads (d.w.z. 13 t/m 17) hebt geselecteerd
met 1 hierboven.
CInvoerniveau-indicator
Visuele voorstelling van het invoerniveau voor de aangeslagen
pad(s).
Druk terwijl op de pagina Pad Type (TRG2-1) een pad en een
padtype is geselecteerd, op de knop [ENTER] om de vijf pagina's
met parameterinstellingen te openen (TRG2-1-1 t/m TRG2-1-5)
voor de triggerinstellingen van dat padtype. Gebruik de knoppen
[B]/[C] om tussen deze pagina's te navigeren.
Als u de padgroep UP, MID of LOW hebt geselecteerd, komen de
waarden die in eerste instantie voor elke parameterinstelling worden
weergegeven, overeen met die van respectievelijk Pad 4 en 10. In dat
geval hebben wijzigingen in een van deze parameters ook effect op
alle pads in de groep.
De padindicator en invoerniveau-indicator in de bovenste tekstrij op de
vijf parameterpagina's (TRG2-1-1 t/m TRG2-1-5) komen overeen met
die op de pagina Pad Type (TRG2-1). Ze worden daarom verder niet
meer beschreven.
Als een van de ingebouwde pads is ingesteld op 'HandDyna',
'HandNorm' of 'HandR', wordt het handje ( ) weergegeven op de
pagina Select Kit (KIT1).
TRG2-1-1 Pagina Input Gain
1Versterking
Gebruik deze parameter om het versterkingsniveau
(de versterking) in te stellen die wordt toegepast op het
invoersignaal van de geselecteerde pad(s) voordat dit naar een
triggersignaal wordt geconverteerd. Bij een hoge instelling
worden alle invoersignalen boven een bepaald niveau versterkt
tot hetzelfde niveau (het maximumniveau). Dat betekent dat
variaties in de zachtheid of hardheid waarmee de pad wordt
aangesloten, kunnen vervlakken. Wanneer daarentegen een
lage instelling wordt gehanteerd, is het mogelijk dat de
zachtheid of hardheid van het spel in veel grotere mate worden
gereflecteerd in het uitgevoerde triggersignaal, waardoor
expressievere voordrachten mogelijk zijn.
TRG2-1-2 Pagina Velocity Curve
1Snelheidscurve (VelCurve)
Gebruik deze parameter om een snelheidscurve voor de
geselecteerde pad(s) te selecteren. Een snelheidscurve bepaalt
hoe de relatieve kracht van het spel het geproduceerde signaal
beïnvloedt. Bijvoorbeeld, bij de hieronder getoonde
snelheidscurve 'loud2', kunnen relatief harde geluiden
(dus hoge snelheden) worden geproduceerd terwijl toch
vrij zacht wordt gespeeld. De curve 'hard2' daarentegen
produceert alleen harde geluiden wanneer de desbetreffende
pad vrij hard wordt aangeslagen.
TRG2-1-3 Pagina Input Level Range
1Niveau
Gebruik deze parameter om het bereik van invoersignalen (als
een percentage) in te stellen, dat naar triggersignalen wordt
geconverteerd. Alle invoersignalen op of onder het
minimumniveau worden niet naar een triggersignaal
geconverteerd en produceren dus geen geluid. En
invoersignalen op of boven het maximumniveau genereren
triggersignalen met de maximumsnelheid die is ingesteld op
de pagina Velocity Range (TRG2-1-4).
Instellingen
Voor ingebouwde pads
StickDyna, StickNorm, StickNarrow,
HandDyna, HandNorm of Hand
Voor externe pads
KP125, KP65, TP120/100Sn, TP120/100Tm,
TP65S Snare, TP65S Tom, TP65S HiHat,
TP65, PCY155, PCY135, PCY150S,
PCY130SC, PCY130S/130, PCY65S/65,
RHH135, RHH130, DT Snare, DT HiTom,
DT LoTom, DT Kick, TRG Snare 1, TRG
Snare 2, TRG Snare 3, TRG HiTom 1, TRG
HiTom 2, TRG LoTom 1, TRG LoTom 2, TRG
Kick 1 of TRG Kick 2
Instellingen 0 t/m 63
OPMERKING
ˇÁ
TRG2-1-1≥-MID-˛¸
≥≥≥≥Gain=30 1
Instellingen loud2, loud1, normal, hard1 of hard2
Instellingen Minimumniveau: 0% t/m 99%
Maximumniveau: 1% t/m 100%
TRG2-1-2≥-MID-˛¸
VelCurve=normal 1
loud2 loud1 norm hard1 hard2
Aanslagsnelheid
Tr iggerinvoerniveau (d.w.z. kracht van het spel)
TRG2-1-3≥-MID-˛¸
Level=≥≥≥0%-100% 1
TRIGGER-instellingengebied (TRG)
102 Gebruikershandleiding
TRG2-1-4 Pagina Velocity Range
1Aanslagsnelheid
Gebruik deze parameters om de maximum- en
minimumaanslagsnelheden op te geven die corresponderen met
de instellingen op de pagina Input Level Range (TRG2-1-3).
Wanneer de geselecteerde pads worden aangeslagen,
produceren ze geluiden binnen dit aanslagsnelheidsbereik.
TRG2-1-5 Pagina Double Trigger Prevention
Wanneer u een pad aanslaat met een stick of klopper, is het
mogelijk dat het stick of de klopper terugkaatst en de pad
nogmaals raakt, waardoor een tweede triggersignaal wordt
gegenereerd en een voice tweemaal klinkt. Dit wordt een 'dubbele
trigger' genoemd. Met behulp van een Reject Time-instelling kunt
u dubbele triggers voorkomen. De DTX-MULTI 12 zal alle
tweede invoersignalen negeren die binnen deze ingestelde
periode voorkomen.
1Reject Time
Gebruik deze parameter om de tijd na het aanslaan van een
pad op te geven, gedurende welke een tweede invoersignaal
wordt genegeerd. Hoe groter deze waarde, des te langer duurt
de periode waarin geen tweede geluid wordt geproduceerd.
Dubbele triggers worden niet geweigerd wanneer de selectie van het
padtype op de pagina Pad Type (TRG2-1) geen pad is uit de DT-reeks
en het invoerniveau van de tweede slag binnen de Reject Time
minstens tweemaal zo hard is als die van de eerste slag.
De term 'overspraak' verwijst naar de uitvoer van triggersignalen
van een andere pad die de pad die is ingedrukt als het resultaat van
een trilling of interferentie tussen pads. Op de pagina Crosstalk
Prevention kunt u de invoerniveaus instellen waaronder geen
triggersignalen worden geproduceerd, en overspraak dus wordt
voorkomen. Druk op deze pagina op [ENTER] om de pagina's
Global Crosstalk Level (TRG2-2-1) en Individual Crosstalk Level
(TRG2-2-2) te openen. Met de knoppen [
B
]/[
C
] kunt u tussen
deze pagina's met parameterinstellingen schakelen.
De invoerniveau-indicator in de bovenste tekstrij van de pagina's met
overspraakniveaus (TRG2-2-1, TRG2-2-2) komen overeen met die op
de pagina Pad Type (TRG2-1). Deze wordt daarom verder niet meer
beschreven.
TRG2-2-1 Pagina Global Crosstalk Level
1Pad
Gebruik deze parameter om de pad(s) te selecteren waarvoor
een overspraakniveau moet worden ingesteld. U kunt ook op
een pad tikken om deze te selecteren.
Selectie middels aanslag is beperkt tot padgroepen (d.w.z. UP, MID of
LOW) en de externe pads (d.w.z. 13 t/m 17).
BOverspraakniveau
Gebruik deze parameter een overspraakniveau op te geven
voor alle andere pads van de DTX-MULTI 12. Als het
invoerniveau dat wordt geproduceerd door de pad,
aangegeven met 1, lager is dan dit niveau wanneer een van
de andere pads wordt aangeslagen, wordt het beschouwd als
overspraak en wordt geen triggersignaal gegenereerd. Hoewel
hogere waarden doeltreffender zijn om overspraak te
voorkomen, is het in dat geval moeilijk om meerdere pads
tegelijkertijd te bedienen.
Instellingen Minimumaanslagsnelheid: 0 t/m 126
Maximumaanslagsnelheid: 1 t/m 127
Instellingen 4ms t/m 500ms
TRG2-1-4≥-MID-˛¸
Velocity=≥≥0-127 1
TRG2-1-5≥-MID-˛¸
RejectTime=500ms 1
OPMERKING
TRG2-2 Pagina Crosstalk Prevention
Instellingen UP, MID, LOW of 01 t/m 17
Instellingen 0% t/m 99%
TRG2-2≥≥≥≥≥≥≥≥˛¸
≥≥≥Crosstalk
OPMERKING
TRG2-2-1≥-¡£-≥˛¸
Level=≥25%(ALL)
1
2
OPMERKING
TRIGGER ReferentieKITMIDI VOICEUTILITY WAVEPATTERN
TRIGGER-instellingengebied (TRG)
Gebruikershandleiding 103
TRG2-2-2 Pagina Individual Crosstalk Level
1Pad
Gebruik deze parameter om de pad(s) te selecteren waarvoor
een overspraakniveau moet worden ingesteld. U kunt ook op
een pad tikken om deze te selecteren.
Selectie middels aanslag is beperkt tot padgroepen (d.w.z. UP, MID of
LOW) en de externe pads (d.w.z. 13 t/m 17).
BOverspraakbron
Gebruik deze parameter om een pad of groep met pads op te
geven die overspraak veroorzaken in de pad(s), aangegeven
met 1. U kunt ook op een pad tikken om deze te selecteren.
COverspraakniveau
Gebruik deze parameter een overspraakniveau op te geven
voor de pad(s), aangegeven met 2. Als het invoerniveau dat
wordt geproduceerd door de pad, aangegeven met 1, lager is
dan dit niveau wanneer de pad, aangegeven met 2 wordt
aangeslagen, wordt het beschouwd als overspraak en wordt
geen triggersignaal gegenereerd. Hoewel hogere waarden
doeltreffender zijn om overspraak te voorkomen, is het in dat
geval moeilijk om meerdere pads tegelijkertijd te bedienen.
Instellingen UP, MID, LOW of 01 t/m 17
Instellingen UP, MID, LOW of 01 t/m 17
Instellingen 0% t/m 99%
Veelvoorkomende voorbeelden van
overspraak - Instellingen om te
voorkomen – nr. 1
Ga als volgt te werk wanneer de padgevoelig-
heid zo is ingesteld dat handmatig spelen of het
aanslaan van een van de pads in de MID-groep
(d.w.z. 4 t/m 9) tot gevolg heeft dat een andere
pad uit die groep een signaal produceert.
1Ga naar de pagina Individual Crosstalk Level
(TRG2-2-2) en stel de parameter als volgt in.
1
: MID (d.w.z. pads 4 t/m 9),
2
: MID (d.w.z. pads 4 t/m 9)
2Houd de knop [SHIFT] ingedrukt en druk op [UP/
DOWN] om de invoervergrendeling te activeren.
( verandert in .)
De invoervergrendeling moet hier geactiveerd worden om te
voorkomen dat de selectie verandert wanneer een van de andere
pads in de MID-groep (d.w.z. 4 t/m 9) in de volgende stap wordt
aangeslagen.
TRG2-2-2≥-¡¢-≥˛¸
Level=≥25%(¡£)
1
32
OPMERKING
-MID- [MID]
OPMERKING
3
Terwijl u een van de pads in de MID-groep (d.w.z. 4
t/m 9) aanslaat, verhoogt u het niveau,
aangegeven met 3 tot de andere pads in die
groep geen geluid meer maken.
4Druk op de knop [STORE] om de pagina Trigger
Store te openen, en sla de triggerinstellingen
vervolgens op zoals is beschreven op pagina 45.
Veelvoorkomende voorbeelden van
overspraak - Instellingen om te
voorkomen – nr. 2
Ga als volgt te werk als de padgevoeligheid zo
is ingesteld dat handmatig spelen en,
bijvoorbeeld, het aanslaan van pad 4, tot
gevolg heeft dat ook pad 5 geluid produceert.
1Ga naar de pagina Individual Crosstalk Level
(TRG2-2-2) en stel de parameter als volgt in.
1: 05 (d.w.z. Pad 5), 2: 04 (d.w.z. Pad 4)
2Houd de knop [SHIFT] ingedrukt en druk op [UP/
DOWN] om de invoervergrendeling te activeren.
( verandert in .)
De invoervergrendeling moet hier geactiveerd worden om te
voorkomen dat de selectie verandert van Pad 5 in Pad 4 wanneer
Pad 4 in de volgende stap wordt aangeslagen.
3Terwijl u Pad 4 aanslaat, verhoogt u het niveau,
aangegeven met 3 tot Pad 5 geen voice meer
veroorzaakt (d.w.z. geen triggersignaal meer
produceert).
Als dit niveau te hoog is, produceert Pad 5 misschien geen geluid
wanneer deze samen met Pad 4 vrij zacht wordt aangeslagen.
4Druk op de knop [STORE] om de pagina Trigger
Store te openen, en sla de triggerinstellingen
vervolgens op zoals is beschreven op pagina 45.
TRG2-2-2≥[MID]˛¸
Level=≥28%(MID)
1
23
-º∞- [º∞]
OPMERKING
OPMERKING
TRG2-2-2≥[º∞]≥˛¸
Level=≥28%(04)
1
32
TRIGGER-instellingengebied (TRG)
104 Gebruikershandleiding
Namen van triggerinstellingen
In de sectie NAME kunt u een naam van maximaal 12 tekens aan
triggerinstellingen geven. Druk op de pagina NAME op [ENTER]
om de pagina Trigger Setup Name (TRG3-1) te openen.
Op deze pagina kunt u de huidige triggerinstelling een naam
van maximaal 12 tekens geven. Gebruik de knoppen [
B
]/
[
C
] om de knipperende cursor te verplaatsen naar het teken
dat u wilt wijzigen, en selecteer vervolgens een teken met de
knoppen [-/DEC] en [+/INC]. Patroonnamen mogen de
volgende tekens bevatten.
[spatie]
Copy Trigger-parameters
In de sectie COPY PAD kunt u gegevens voor de geselecteerde
triggerinstelling per pad kopiëren en vervangen. Druk op de
pagina COPY PAD op [ENTER] om de pagina Trigger Setup
Copy (TRG4-1) te openen.
1Te kopiëren pad
Gebruik deze parameter om de pad in te stellen waarvan u de
instellingen wilt kopiëren. U kunt ook op een pad tikken om
deze te selecteren.
BTe vervangen pad
Gebruik deze parameter om de pad in te stellen waarvan u de
instellingen wilt vervangen. U kunt ook op een pad tikken om
deze te selecteren.
•U kunt alleen maar triggerinstellingsgegevens kopiëren tussen
ingebouwde pads (1 t/m 12) of tussen de externe pads (13 t/m 17).
Als u probeert te kopiëren tussen een ingebouwde en een externe
pad, veranderen de bovengenoemde parameters automatisch (in Pad
1 of Pad 13) om te voorkomen dat dit gebeurt.
Druk op [ENTER] als u de pads hebt geselecteerd die u wilt
kopiëren. Wanneer wordt gevraagd of u verder wilt gaan,
drukt u nogmaals op [ENTER] om dit te bevestigen.
Zorg er daarom voor dat u op voorhand de knop [STORE]
gebruikt om de pagina Trigger Store te openen en belangrijke
informatie in het instrument te slaan (zie pagina 45).
TRG3 NAME
TRG3-1 Pagina Trigger Setup Name
TRG3
≥≥≥≥≥≥NAME
TRG3-1
≥[HandPercus≥≥]
Naam van triggerinstelling
!"#$%&'()*+,-./0123456789:;<=>?@
ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ[\]^_`
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz{|}ßå
TRG4 COPY PAD
TRG4-1 Pagina Trigger Setup Copy
Instellingen 01 t/m 17
Instellingen 01 t/m 17
•Telkens wanneer triggerinstellingsgegevens worden gekopieerd,
worden alle triggerinstellingsgegevens voor de pad, aangegeven
met 2, vervangen.
TRG4
≥≥≥≥COPY≥PAD
TRG4-1≥≥≥≥<COPY>
≥≥º¡≥≥≥-ß≥≥º™
1 2
OPMERKING
LET OP
Appendix
Gebruikershandleiding 105
Problemen oplossen
Ga als volgt te werk om de verbindingen van het systeem
te controleren.
Zorg ervoor dat hoofdtelefoon of een extern audiosysteem,
zoals een versterker en luidsprekers, correct zijn aangesloten
(zie pagina 10.)
Controleer of de kabels die u gebruikt in goede staat verkeren.
Controleer het volgende en controleer of hun
volumeniveau niet te laag is.
De versterker en/of luidsprekers die op de DTX-MULTI 12 zijn
aangesloten.
De VOLUME-draaiknop op het voorpaneel. (Zie pagina 8.)
De pagina Volume voor de huidige kit ([KIT] KIT2 KIT2-1).
(Zie pagina 47.)
De pagina Voice Volume voor de voices die aan de
verschillende pads zijn toegewezen ([VOICE] VCE2
VCE2-2). (Zie pagina 57.)
De pagina Master Volume voor het gehele instrument
([UTILITY] UTIL1 UTIL1-1). (Zie pagina 83.)
Ga als volgt te werk om de activeringsinstellingen te
controleren.
Open de pagina Select Trigger Setup ([SHIFT] + [UTILITY]
TRG1) en controleer of de triggers correct zijn ingesteld voor uw
afspeelstijl en eventuele gebruikte externe pads.
(Zie pagina 100.)
Open de pagina's Input Gain en Velocity Curve voor de triggers
van de pads ([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-1
TRG2-1-1, TRG2-1-2) en controleer of de parameters Gain en
VelCurve correct zijn ingesteld. (Zie pagina 101.)
Open de pagina Input Level Range voor de triggers van de pads
([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-1 TRG2-1-3) en
controleer of de laagste instelling van de parameter Level niet te
hoog is. Bij hoge instellingen produceren pads mogelijk geen
geluid. (Zie pagina 101.)
Controleer de effect- en filterinstellingen.
Onthoud dat filters van nature tot gevolg hebben dat al het geluid
bij bepaalde afkapfrequentie-instellingen wordt afgebroken.
Open de pagina's Attack Time en Decay Time voor de voices die
aan de pads ([VOICE] VCE3 VCE3-1, VCE3-2) zijn
toegewezen, en controleer of de parameters Attack en Decay niet
zo zijn ingesteld dat voices worden gedempt. (Zie pagina 58.)
Ga als volgt te werk om de MIDI-instellingen te controleren.
Open de pagina MIDI Message voor de pads ([MIDI] MIDI1)
en zorg ervoor dat 'note' is geselecteerd. Voor alle andere
instellingen op deze pagina wordt geen geluid geproduceerd.
Nadat u op de pagina MIDI Message hebt gecontroleerd of de
pads zijn ingesteld om noten af te spelen (zie hierboven), opent
u de pagina Select Voice ([VOICE] VCE1) en controleert
u dat een andere voice dan 'no assign' is geselecteerd.
Pads die zijn ingesteld op 'no assign' produceren geen geluid.
(Zie pagina 56, 62.)
Open de pagina Velocity Limits voor de pads ([MIDI] MIDI1
MIDI1-6) en controleer of de laagste instelling van de parameter
Level niet te hoog is. Bij hoge instellingen produceren pads
alleen geluid wanneer ze heel hard worden aangeslagen.
(Zie pagina 64.)
Open de pagina Trigger Velocity voor de pads ([MIDI] MIDI1
MIDI1-7) en controleer of de instelling van de parameter
TrgVel niet te laag is (waardoor het volume erg laag is).
(Zie pagina 64.)
Open de pagina Local Control ([UTILITY] UTIL6 UTIL6-5)
en controleer of de parameter LocalCtrl is ingesteld op 'on'.
(Zie pagina 90.)
Open de pagina MIDI Note voor de pads ([MIDI] MIDI1
MIDI1-2) en controleer of alle lagen zijn ingeschakeld.
(Zie pagina 63.)
Ga als volgt te werk om de padinstellingen te controleren.
Open de pagina Pad Function voor de pads ([UTILITY]
UTIL4 UTIL4-1) en controleer of de parameter Func is
ingesteld op 'off'. (Zie pagina 88.)
Open de pagina Pad 10-12 Switch ([UTILITY] UTIL4
UTIL4-3) en zorg dat de parameter Pad10-12 is ingesteld op
'enable'. (Zie pagina 89.)
Controleer het volgende als de externe toongeneratoren
geen geluid produceren.
Controleer of de MIDI-kabels correct zijn aangesloten.
(Zie pagina 12.)
Open de pagina MIDI In/Out ([UTILITY] UTIL6 UTIL6-9)
en controleer of de juiste interface is ingesteld voor de
verzending van MIDI-gegevens. Als de parameter MIDI IN/OUT
is ingesteld op 'USB', worden MIDI-gegevens niet verzonden
naar externe MIDI-apparaten die via MIDI-kabels zijn
aangesloten. (Zie pagina 91.)
Controleer of de DTX-MULTI 12 gegevens verzendt op het
MIDI-kanaal waarop de externe toongenerator is ingesteld om
deze te ontvangen. Zie pagina 61 voor informatie over de
instellingen in het MIDI-instellingengebied. Zie bovendien
pagina 76 voor meer informatie over MIDI-instellingen met
betrekking tot het afspelen van patronen.
Open de pagina External MIDI Switch ([MIDI] MIDI2
MIDI2-2) en controleer of de parameter MIDI Switch is ingesteld
op 'on'. Als de externe MIDI-schakelaar is uitgeschakeld,
worden geen MIDI-berichten verzonden en kunt u dus geen
externe MIDI-berichten afspelen met de DTX-MULTI 12.
(Zie pagina 66.)
Controleer of er geen padfunctie is toegewezen aan de
desbetreffende pads. Daartoe opent u de pagina Pad Function
voor de pads ([UTILITY] UTIL4 UTIL4-1) en controleert
u of de parameter Func is ingesteld op 'off'. Bij een
functietoewijzing zal een pad geen intern of extern geluid
produceren. (Zie pagina 88.)
Open de pagina Pad 10-12 Switch ([UTILITY] UTIL4
UTIL4-3) en zorg dat de parameter Pad10-12 is ingesteld op
'enable'. (Zie pagina 89.)
Open de pagina MIDI Message voor de pads ([MIDI] MIDI1)
en zorg ervoor dat 'note' is geselecteerd. Voor alle andere
instellingen op deze pagina wordt geen intern of extern geluid
geproduceerd. (Zie pagina 62.)
Open de pagina Velocity Limits voor de pads ([MIDI] MIDI1
MIDI1-6) en controleer of de laagste instelling van de parameter
Level niet te hoog is. Bij hoge instellingen produceren pads
alleen geluid wanneer ze heel hard worden aangeslagen.
(Zie pagina 64.)
Open de pagina Input Level Range voor de triggers van de pads
([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-1 TRG2-1-3) en
controleer of de laagste instelling van de parameter Level niet te
hoog is. Bij hoge instellingen produceren pads mogelijk geen
geluid. (Zie pagina 101.)
Er wordt geen geluid geproduceerd wanneer pad
worden aangesloten of het volume lager dan verwacht.
Problemen oplossen
106 Gebruikershandleiding
Controleer het volgende als onverwachte geluiden worden
geproduceerd wanneer u een externe toongenerator
afspeelt.
Ga naar de MIDI-kanaalinstellingen van het instrument en
controleer of deze overeenkomen met het MIDI-kanaal waarop
de DTX-MULTI 12 gegevens verzendt.
Controleer het volgende als alle pads een veel te hard
geluid produceren (of met hoge snelheden).
Open de pagina Input Gain voor de pads ([SHIFT] +
[UTILITY] TRG2 TRG2-1 TRG2-1-1) en controleer of
de parameter Gain niet te hoog is ingesteld. (Zie pagina 101.)
Open de pagina Velocity Curve voor de pads ([SHIFT] +
[UTILITY] TRG2 TRG2-1 TRG2-1-2) en controleer of de
parameter VelCurve correct is ingesteld. (Zie pagina 101.)
Open de pagina Trigger Velocity voor de pads ([MIDI]
MIDI1 MIDI1-7) en controleer of de parameter TrgVel correct
is ingesteld. Als deze parameter bijvoorbeeld is ingesteld op
'127', worden hoge snelheden geproduceerd, zelfs wanneer
de pad slechts licht wordt aangeslagen. (Zie pagina 64.)
Controleer of u alleen de aanbevolen externe Yamaha-pads
gebruikt. Producten van andere fabrikanten kunnen extreem
grote signalen uitvoeren.
Controleer het volgende als de geluidsuitvoer van
de DTX-MULTI 12 vervormd wordt.
Controleer of effecten correct zijn ingesteld. Geluid kan worden
vervormd bij bepaalde combinaties van type effect en
parameterinstellingen. (Zie pagina's 48, 49, 50, 59, 68, 78.)
Open de pagina Filter voor voices die zijn toegewezen aan de
pads ([VOICE] VCE3 VCE3-4) en controleer of die filters
correct zijn ingesteld. Afhankelijk van het type geluid dat wordt
gefilterd, kunnen bepaalde resonantie-instellingen (Q)
vervorming produceren. (Zie pagina 58.)
Controleer of de MASTER-draaiknop niet op een te hoog
volume staat, waardoor clipping ontstaat.
Controleer het volgende als voices continu worden
afgespeeld en niet stoppen.
Open de pagina Receive Key-Off ([MIDI] MIDI1 MIDI1-5) en
controleer de instelling van de parameter RcvKeyOff. Als deze
parameter is ingesteld op 'off', worden bepaalde typen voices
eindeloos afgespeeld wanneer ze worden geactiveerd. (Zie
pagina 64.) U kunt alle voices tegelijkertijd doen stoppen door
[SHIFT] ingedrukt te houden terwijl u op de knop [MIDI] drukt.
Controleer het volgende als geluiden tijdens roffels en riffs
onverwacht stoppen.
Open de pagina's Playing Mode en MIDI Note ([MIDI]
MIDI1 MIDI1-1, MIDI1-2) voor de desbetreffende pads
en controleer hun instellingen. Verwijder overbodige
noottoewijzingen voor het afspelen van akkoorden
of afwisselend afspelen.
Open de pagina Mono/Poly ([VOICE] VCE5 VCE5-1) en
controleer of de parameter Mono/Poly is ingesteld op 'poly'.
(Zie pagina 60.)
Open de pagina Double Trigger Prevention voor desbetreffende
pad ([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-1 TRG2-1-5)
en verlaag de instelling voor de parameter RejectTime.
(Zie pagina 102.)
Controleer het volgende als geen geluid wordt geproduceerd
wanneer de pads handmatig worden afgespeeld.
Open de pagina Select Trigger Setup ([SHIFT] + [UTILITY]
TRG1) en controleer of 'P04:Hand' of 'P05:Finger' is
geselecteerd. (Zie pagina 100.)
Open de pagina Pad Type voor elke pad ([SHIFT] + [UTILITY]
TRG2 TRG2-1) en controleer of de parameter Type is
ingesteld op handmatig afspelen. (Zie pagina 100.)
Controleer het volgende als de DTX-MULTI 12 vals klinkt of
de verkeerde noot lijkt te spelen.
Open de pagina Master Tune ([UTILITY] UTIL1 UTIL1-2)
en controleer of de instelling voor de parameter M.Tune niet de
ver van '0' af ligt. (Zie pagina 83.)
Als u bezorgd bent over de toonhoogte van een wave, opent u
de pagina Voice Tuning voor die wave ([VOICE] VCE2
VCE2-1) en zorgt u dat de instelling voor de parameter Tune
niet te ver van '+ 0.00' af ligt. (Zie pagina 57.)
Als u bezorgd bent over de toonhoogte van een patroon, opent
u de pagina Transpose voor dat patroon ([VOICE] VCE2
VCE2-1) en zorgt u dat de instelling voor de parameter
Transpose niet te ver van '+ 0' af ligt. (Zie pagina 57.)
Controleer het volgende als effecten geen wijzigingen
produceren in het geluid.
Controleer of de bypass-schakelaars voor het effect niet zijn
ingeschakeld. (Zie pagina 83.)
Open de pagina Effect Bypass voor het hele instrument
([UTILITY] UTIL1 UTIL1-6) en controleer of de toegepaste
effecten niet worden genegeerd. (Zie pagina 83.)
Open de pagina Master EQ Bypass ([UTILITY] UTIL3
UTIL3-3) en controleer of de parameter MEQ Bypass is
ingesteld op 'off'. (Zie pagina 87.)
Open de pagina's Variation Send, Chorus Send en Reverb Send
voor afzonderlijke voices ([VOICE] VCE4 VCE4-1,
VCE4-2, VCE4-3) en controleer of de juiste effect-
verzendniveaus voor elk effect zijn ingesteld. (Zie pagina 59.)
Open de pagina's Chorus Send en Reverb Send voor de
geselecteerde kit ([KIT] KIT3 KIT3-1, KIT3-2) en
controleer of de juiste effect-verzendniveaus voor elk effect zijn
ingesteld. (Zie pagina 48.)
Controleer het volgende als het afspelen van patronen niet
start wanneer op de knop [
A
] wordt gedrukt.
Controleer of er geen leeg patroon is geselecteerd.
Open de pagina MIDI Sync ([UTILITY] UTIL6 UTIL6-6) en
controleer of MIDI Sync correct is ingesteld. Als deze parameter
is ingesteld op 'ext', worden patronen alleen afgespeeld wanneer
MIDI-klokberichten van een externe MIDI-sequencer of computer
worden ontvangen. Als MIDI Sync is ingesteld op 'auto', wordt het
afspelen gesynchroniseerd met MIDI-klokberichten wanneer
deze worden ontvangen. (Zie pagina 91.)
Voer het volgende uit als een patroon eindeloos wordt
herhaald en niet stopt.
Stop alle voices tegelijkertijd door [SHIFT] ingedrukt te houden
terwijl u op de knop [MIDI] drukt. U kunt deze actie op elk
moment uitvoeren.
Houd rekening met het volgende met betrekking tot
afspeelsnelheden van waves.
Waves hebben een vast tempo. Ze worden altijd afgespeeld in
het tempo van het oorspronkelijke geïmporteerde bestand,
ongeacht het tempo van de drumkit en andere soortgelijke
instellingen.
Voer het volgende uit als de waarden worden weergegeven
als '---' en niet gewijzigd kunnen worden.
Open de pagina Pad Function (UTIL4-1) voor de desbetreffende
pad en controleer of de parameter Func is ingesteld op 'off'.
(Zie pagina 88.)
Open de pagina MIDI Note (MIDI1-2) voor de desbetreffende
pad en controleer of de parameter Note voor alle lagen
(A t/m D) niet is ingesteld op 'off'. (Zie pagina 63.)
Controleer het volgende als u de pads 10 t/m 12 niet kunt
instellen.
Open de pagina Pad 10-12 Switch ([UTILITY] UTIL4
UTIL4-3) en zorg dat de parameter Pad10-12 is ingesteld op
'enable'. (Zie pagina 89.)
Geluiden stoppen niet, zijn vervormd of worden
onderbroken, haperen, enzovoort.
Waarden kunnen niet worden ingesteld, knoppen
werken niet, enzovoort.
Problemen oplossen
Appendix
Gebruikershandleiding 107
Voer het volgende uit als meerdere geluiden worden
geproduceerd door de aangeslagen pad (dus als dubbele
triggers worden geproduceerd).
Als de externe pads en triggers over uitvoer- of gevoeligheids-
controllers beschikken, verlaagt u de uitvoer of gevoeligheid tot
een geschikter niveau.
Open de pagina Input Gain voor de trigger van de pad ([SHIFT] +
[UTILITY] TRG2 TRG2-1 TRG2-1-1) en controleer of de
parameter Gain niet te hoog is ingesteld. (Zie pagina 101.)
Controleer of u alleen de aanbevolen externe Yamaha-
drumtriggers of triggersensoren gebruikt. Producten van andere
fabrikanten kunnen extreem grote signalen uitvoeren, die tot
dubbele triggers kunnen leiden.
Zorg dat de koppen niet op onregelmatige wijze trillen en verwissel
ze indien nodig.
Controleer of de drumtriggers zijn aangesloten in de nabijheid van
de rand en niet vlakbij het midden van de kop.
Controleer of de drumtrigger niet door andere objecten wordt
aangeraakt.
Open de pagina Double Trigger Prevention voor desbetreffende
pad(s) ([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-1 TRG2-1-5) en
verhoog de instelling voor de parameter RejectTime. Vermijd een
te lange Reject Time, aangezien riffs, roffels en dergelijke dan niet
meer nauwkeurig gedetecteerd kunnen worden. (Zie pagina 102.)
Voer het volgende uit als geluiden eveneens worden
geproduceerd door andere pads dan de pad die is
aangeslagen (dus als overspraak plaatsvindt).
Voer de stappen uit die worden beschreven in de sectie Voorbeeld
van instellingen om overspraak te voorkomen op pagina 103.
Open de pagina's Global Crosstalk Level en Individual Crosstalk
Level ([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-2 TRG2-2-1,
TRG2-2-2) en controleer of de Level-parameters correct zijn
ingesteld. (Zie pagina's 102, 103.)
Als u een afzonderlijk aangeschafte pad met niveau-installatie-
functie gebruikt, controleert u of deze correct is ingesteld.
Open de pagina Input Level Range voor de desbetreffende pad(s)
([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-1 TRG2-1-3) en
controleer of de laatste instelling van de parameter Level op een
correcte waarde is ingesteld. (Zie pagina 101.)
Als u handmatig afspeelt, opent u de pagina Select Trigger Setup
([SHIFT] + [UTILITY] TRG1) en controleert u of voor de drumkit
de juiste trigger is ingesteld. (Zie pagina 100.)
Als u met sticks speelt, opent u de pagina Pad Type voor de
desbetreffende pad(s) ([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-1)
en controleert u of de parameter Type is ingesteld op handmatig
afspelen. (Zie pagina 100.)
Voer de volgende handelingen alleen uit als één voice wordt
geproduceerd terwijl twee pads gelijktijdig worden
aangeslagen.
Open de pagina Input Gain voor de pad die geen geluid
produceert ([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-1
TRG2-1-1) en verhoog de instelling voor de parameter Gain.
(Zie pagina 101.)
Open de pagina Level Range voor de pad die geen geluid
produceert ([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-1
TRG2-1-3) en verlaag de laagste instelling voor de parameter
Level. (Zie pagina 101.)
Open de pagina Alternate Group voor elke pad ([VOICE]
VCE5 VCE5-2) en controleer of ze niet aan dezelfde
afwisselingsgroep zijn toegewezen. (Zie pagina 60.)
Open de pagina Trigger Alternate Group voor elke pad ([MIDI]
MIDI1 MIDI1-9) en controleer of TrgAltGrp voor beide is
ingesteld op 'uit'. (Zie pagina 65.)
Voer de volgende controles uit als er geen consistente,
betrouwbare triggersignalen met een akoestische drum
geproduceerd kunnen worden.
Controleer of een drumtrigger van hogere kwaliteit, zoals de DT20,
stevig op zijn plaats is bevestigd is met zelfklevende tape.
(Verwijder eventuele oude tape.)
Voer de controles uit die zijn beschreven in de sectie 'Er wordt
geen geluid geproduceerd wanneer pad worden aangesloten of
het volume lager dan verwacht'.
Controleer of de signaalkabel stevig is aangesloten op de
aansluiting van de DT20 of andere drumtrigger.
Controleer het volgende als gesloten hi-hatgeluiden niet
afgespeeld kunnen worden.
Open de pagina Pad Type voor elke pad ([SHIFT] + [UTILITY]
TRG2 TRG2-1) en controleer of een geschikt type is
geselecteerd. Als u een hi-hatcontroller van het type Yamaha
RHH130 of RHH135 gebruikt, moet het padtype zijn ingesteld op
'RHH130' of 'RHH135'. (Zie pagina 100.)
Controleer het volgende als de rand- en komgeluiden niet
afgespeeld kunnen worden of als de choking-techniek niet
werkt met een cimbaalpad.
Open de pagina Pad Type voor de aangesloten cymbaalpad
([SHIFT] + [UTILITY] TRG2 TRG2-1) en controleer of een
geschikt type cimbaalpad is geselecteerd. (Zie pagina 100.)
Voer de volgende controles uit als hi-hat splashgeluiden
niet afgespeeld kunnen worden.
Controleer of de voetcontroller is aangesloten op de HI-HAT
CONTROL-aansluiting.
Open de pagina Splash Sensitivity ([UTILITY] UTIL5
UTIL5-2) en controleer of de parameter SplashSens is ingesteld
op een geschikt niveau. Let wel: er worden geen hi-hat splash-
geluiden geproduceerd als hier de instelling 'off' is geselecteerd.
(Zie pagina 89.)
Controleer het volgende als een voetschakelaar die op de
FOOT SW-aansluiting is aangesloten, niet goed werkt.
Misschien hebt u de voetschakelaar aangesloten terwijl de
DTX-MULTI 12 al aan stond. Let erop dat u de voetschakelaars
altijd aansluit voordat u het instrument aanzet.
Controleer of de paneelvergrendeling is uitgeschakeld. (Zie pagina 8.)
Controleer of de functie Cubase Remote is uitgeschakeld.
(Zie pagina 15.)
Controleer of het USB-geheugenapparaat correct is
geformatteerd. (Zie pagina 97.)
Controleer of het USB-geheugenapparaat misschien tegen
schrijven is beveiligd. (Zie pagina 12.)
Controleer of er voldoende vrije ruimte op het USB-
geheugenapparaat is om de desbetreffende gegevens op te slaan.
Open de pagina Memory Info ([UTILITY] UTIL7 UTIL7-6) als
u wilt controleren hoeveel geheugen beschikbaar is om gegevens
op te slaan. (Zie pagina 98.)
Als u USB-kabels gebruikt, controleert u of ze goed zijn
aangesloten. (Zie pagina 13.)
Open de pagina MIDI In/Out ([UTILITY] UTIL6 UTIL6-9) en
controleer de huidige instelling. Als u MIDI-gegevens via USB met
een computer wilt uitwisselen, controleert u of de parameter MIDI
IN/OUT is ingesteld op 'USB'. Als u MIDI-gegevens echter via
MIDI-kabels met externe apparaten wilt uitwisselen, controleert
u of deze parameter is ingesteld op 'MIDI'. (Zie pagina 91.)
Meerdere geluiden worden geproduceerd wanneer
één pad wordt aangeslagen.
Optionele invoegtoepassingen werken niet zoals
verwacht.
Voer de volgende handelingen uit als er niets gebeurt
wanneer u op de knoppen op het voorpaneel drukt.
Voer de volgende controles uit als u geen gegevens
op een USB-geheugenapparaat kunt opslaan.
Controleer het volgende als u geen MIDI-gegevens
kunt uitwisselen met een computer of extern MIDI-
apparaat.
108 Gebruikershandleiding
Schermberichten
Bericht Volledige betekenis
Are you sure? Als dit bericht wordt weergegeven, dient u te bevestigen of u wel of niet door wilt gaan met de
geselecteerde bewerking.
Choose user pattern.
Dit bericht wordt weergegeven als u een patroonbeheertaak probeert uit te voeren terwijl een
voorgeprogrammeerd patroon is geselecteerd. Selecteer een gebruikerspatroon om de
desbetreffende bewerking voort te zetten.
Completed. Dit bericht wordt weergegeven wanneer het laden, opslaan, opmaken of een andere soortgelijke
bewerking is voltooid.
Connecting USB device... Dit bericht wordt weergegeven wanneer het instrument bezig is met het tot stand brengen van een
verbinding met een USB-geheugenapparaat.
Copy protected. Dit bericht wordt weergegeven als bewerkingen, zoals het bewerken van waves, niet uitgevoerd
kunnen worden omdat de digitale audiobron tegen kopiëren is beveiligd.
Executing... Dit bericht wordt weergegeven wanneer het instrument bezig is met formatteren of met de uitvoering
van een soortgelijke beheertaak. Wacht tot de bewerking is voltooid.
File already exists. Dit bericht wordt weergegeven als er al een gelijknamig bestand bestaat.
File not found. Dit bericht wordt weergegeven als er geen bestand van het geselecteerde type bestaat.
Illegal file. Dit bericht wordt weergegeven als het bestand dat voor laden is geselecteerd, niet geschikt is voor
gebruik met het instrument of voor het huidige instellingengebied.
Illegal file name. Dit bericht wordt weergegeven als de opgegeven bestandsnaam niet geldig is.
Illegal format. Dit bericht wordt weergegeven als het standaard-MIDI-bestand (SMF) dat u probeert te importeren,
een Format 1-bestand is. Selecteer een SMF met Format 0 om verder te gaan.
Illegal selection. Dit bericht wordt weergegeven als een bewerking niet kan worden uitgevoerd volgens de opgegeven
instellingen.
Illegal wave data. Dit bericht wordt weergegeven als het audiobestand dat u probeert te importeren, een indeling heeft
die niet wordt ondersteund.
Incompatible USB device. Dit bericht wordt weergegeven als een niet-ondesteund USB-apparaat wordt aangesloten op de
USB TO DEVICE-poort van het instrument.
Invalid USB device.
Dit bericht wordt weergegeven als het aangesloten USB-geheugenapparaat in de huidige
omstandigheden niet kan worden gebruikt. Als het apparaat geen onvervangbare gegevens bevat,
moet u het formatteren om het bruikbaar te maken.
MIDI buffer full. Dit bericht wordt weergegeven als de hoeveelheid ontvangen MIDI-gegevens te groot is om
te verwerken.
MIDI data error. Dit bericht wordt weergegeven als een fout is opgetreden tijdens de ontvangst van MIDI-gegevens.
No data. Dit bericht wordt weergegeven als u een patroonbeheertaak probeert uit te voeren terwijl het
geselecteerde voorgeprogrammeerde patroon geen gegevens bevat.
No response from USB device. Dit bericht wordt weergegeven als het aangesloten USB-geheugenapparaat niet reageert.
No wave data. Dit bericht wordt weergegeven als u een wave-beheertaak probeert uit te voeren terwijl er geen
wave-gegevens bestaan.
No unused MIDI note. Dit bericht wordt weergegeven wanneer een pad wordt gekopieerd en er geen ongebruikte
MIDI-noten beschikbaar zijn.
Now importing... [EXIT] to cancel. Dit bericht wordt weergegeven wanneer het instrument bezig is met het importeren van
wave-gegevens.
Now loading... [EXIT] to cancel. Dit bericht wordt weergegeven wanneer het instrument bezig is met het laden van een bestand.
Now recording... Dit bericht wordt weergegeven wanneer het instrument bezig is met het opnemen van een patroon.
Now saving... [EXIT] to cancel. Dit bericht wordt weergegeven wanneer het instrument bezig is met het opslaan van een bestand.
Now working... Dit bericht wordt weergegeven terwijl het instrument bezig is opschonen nadat een wave is
geïmporteerd of nadat u op [EXIT] hebt gedrukt om een laad- of opslagbewerking te annuleren.
Overwrite? Dit bericht wordt weergegeven tijdens het opslaan van bestanden om te bevestigen of u een
gelijknamig bestand dat op het USB-geheugenapparaat aanwezig is, al dan niet wilt overschrijven.
Pattern stored. Dit bericht wordt weergegeven om te bevestigen dat het geselecteerde patroon is opgeslagen.
Schermberichten
Appendix
Gebruikershandleiding 109
Please keep power on.
Dit bericht wordt weergegeven wanneer het instrument bezig is met het schrijven van gegevens
naar de Flash-ROM. Het instrument mag in deze status nooit worden uitgeschakeld. Als deze
voorzorgsmaatregel niet in acht genomen wordt, kunnen gebruikersgegevens verloren gaan en kan
het interne systeem worden beschadigd, waardoor het instrument bij een volgend gebruik niet meer
normaal kan worden opgestart.
Please stop sequencer. Dit bericht wordt weergegeven om u eraan te herinneren het afspelen van het patroon te stoppen
alvorens de geselecteerde bewerking uit te voeren.
Read only file. Dit bericht wordt weergegeven als u een bestandsbewerking met een alleen-lezen bestand probeert
uit te voeren.
Sample is protected. Dit bericht wordt weergegeven als het geselecteerde audiobestand tegen schrijven is beveiligd en
niet kan worden overschreven.
Sample is too long. Dit bericht wordt weergegeven als het audiobestand te lang is om te worden geladen.
Sample is too short. Dit bericht wordt weergegeven als het audiobestand te kort is om te worden geladen.
Seq data is not empty. Dit bericht wordt weergegeven bij de activering van de opnamemodus als er geen lege patronen
voor opname beschikbaar zijn.
Seq memory full.
Dit bericht wordt weergegeven als het interne geheugen van het instrument voor sequensgegevens
vol is, waardoor geen nieuwe patronen opgenomen kunnen worden, de bijbehorende beheertaken
niet kunnen worden uitgevoerd, en geen gegevens van een USB-geheugenapparaat geladen
kunnen worden. Verwijder overbodige gebruikerspatronen om wat sequensgeheugen vrij te maken.
System memory crashed. Dit bericht wordt weergegeven als zich een probleem heeft voorgedaan tijdens het schrijven van
gegevens naar de interne Flash-ROM van het instrument.
USB connection terminated.
Dit bericht wordt weergegeven als de verbinding met een USB-geheugenapparaat is verbroken als
gevolg van een stroomstoring. Verbreek de verbinding met het USB-geheugenapparaat en druk op
[ENTER] om terug te keren.
USB device full.
Dit bericht wordt weergegeven als een USB-geheugenapparaat vol is en geen bestanden meer kan
opslaan. Gebruik in dat geval een nieuw USB-geheugenapparaat of maak ruimte door overbodige
data van het huidige apparaat te wissen.
USB device not ready. Dit bericht wordt weergegeven als een USB-geheugenapparaat niet correct op het instrument is
aangesloten.
USB device read/write error. Dit bericht wordt weergegeven als er een fout is opgetreden tijdens de uitwisseling van gegevens
met een USB-geheugenapparaat.
USB device write protected. Dit bericht wordt weergegeven als het USB-opslagapparaat tegen schrijven is beveiligd of als
u probeert gegevens op te slaan op een alleen-lezen apparaat, zoals een cd-station.
Excessive demand for USB power.
Dit bericht wordt weergegeven als de stroomuitvoer uit het USB-geheugenapparaat het niveau
overschrijdt dat door het instrument wordt ondersteund.
USB transmission error. Dit bericht wordt weergegeven als er een fout is opgetreden tijdens de communicatie met het
USB-geheugenapparaat.
Wave memory full. Dit bericht wordt weergegeven als het wave-geheugen van het instrument vol is, zodat bewerkingen
als het importeren en laden van gegevens niet mogelijk zijn.
Wave stored. Dit bericht wordt weergegeven om te bevestigen dat de geselecteerde wave is opgeslagen.
Utility stored. Dit bericht wordt weergegeven om te bevestigen dat hulpprogramma-instellingen zijn opgeslagen.
Bericht Volledige betekenis
110 Gebruikershandleiding
Specificaties
* Specificaties en beschrijvingen in deze gebruikersgebruikershandleiding zijn uitsluitend voor informatiedoeleinden. Yamaha Corp. behoudt zich het
recht voor om producten of hun specificaties op elk gewenst moment zonder voorafgaande kennisgeving te wijzigen of te modificeren. Aangezien
specificaties, apparatuur en opties per locatie kunnen verschillen, kunt u het best contact opnemen met uw Yamaha-leverancier.
Padsectie Ingebouwde pads 12
Externe invoer 5 (drie zones x 1; mono x 4)
Toongenerator Maximale polyfonie 64 noten
Wave-geheugen
Voices
100 MB (16-bits lineaire conversie)
Drum en percussie: 1.061
Toetsenbord: 216
Drumkits Preset: 50
Door gebruiker gedefinieerd: 200
Effecten Variation x 42 typen; Chorus x 6 typen; Reverb x 6 typen: 5-band masterequaliser
Triggersectie Padfuncties Verhogen of verlagen van een drumkit, patroon of tempo, tiktempo, in- of uitschakelen van
clicktrack, transmissie van besturingswijzigingsberichten
Golven Leesbare kwantiteit 500
Bitdiepte 16-bits
Wave-geheugen 64 MB
Maximumgrootte Mono-sample: 2 MB
Stereo-sample: 4 MB
Sample-indelingen Eigen, WAV en AIFF
Sequencer Sequencecapaciteit 152.000 noten
Nootresolutie Kwartnoot / 480
Opnamemethode Real Time overdubbing
Patronen Voorgeprogrammeerde patronen: 128 frasen (waaronder 3 demopatronen)
Gebruikerspatronen: 50 frasen
Sequence-indelingen Eigen
SMF Format 0 (alleen voor laden)
Clicktrack Tempo 30 t/m 300 BPM. Functionaliteit Tempo tikken
Tellen 1/4 – 16/4, 1/8 – 16/8, 1/16 – 16/16
Nootwaarde Accentnoten, kwartnoten, achtste noten, zestiende noten, triolen
Overig Display Verlicht LCD met 2 rijen van 16 tekens
Aansluitingen
PAD M-aansluiting (standaard stereohoofdtelefoonaansluiting; links = trigger, rechts =
rimschakelaar)
PAD N/O en PAD P/Q-aansluitingen (standaard stereohoofdtelefoonaansluiting; links =
trigger, rechts = trigger)
HI-HAT CONTROL-aansluiting (standaard stereohoofdtelefoonaansluiting)
FOOT SW-aansluiting (standaard stereohoofdtelefoonaansluiting)
OUTPUT L/MONO- en R aansluitingen (standaard stereohoofdtelefoonaansluitingen)
PHONES-aansluiting (standaard stereohoofdtelefoonaansluiting), AUX IN-aansluiting
(standaard stereohoofdtelefoonaansluitingen), MIDI IN- en OUT-aansluitingen, USB TO
HOST-poort, USB TO DEVICE-poort en DC IN.
Stroomverbruik 9W (DTXM12 and PA-5D adaptor)
6W (DTXM12 and PA-150 adaptor)
Grootte en gewicht 345 (b) x 319 (d) x 96 (h) mm; 3,3 kg
Verpakkingsinhoud Stroomadapter (PA-5D/PA-150 of een equivalent aanbevolen door Yamaha),
gebruikershandleiding (dit boekje), boekje Data List, dvd
Appendix
Gebruikershandleiding 111
Index
Symbolen
F Standby/On-schakelaar .. 9, 10, 11
F-schakelaar ...................... 9, 10, 11
[+/INC], knop .................................... 9
[-/DEC], knop ................................... 9
[B] [D] [C], knoppen ............. 8, 44
[EE
EE], knop .................................. 8, 86
A
Aanslagsnelheid .......................... 102
Aansluiting ....................................... 9
Aanzettijd ....................................... 58
Accentnootnummer (NoteAcc) ....... 85
Activeringssnelheid ........................ 64
Afspeelmodus .......................... 62, 70
Afwisselingsgroep .......................... 60
Afwisselingsgroep activeren .......... 65
Al het geluid uitschakelen ................ 8
Alle patronen wissen ...................... 79
AltGroup ......................................... 60
Apparaatnummer ........................... 92
AUX IN-aansluiting .......................... 9
AUX OUT-selectie ......................... 84
AuxOutSel ...................................... 84
B
Bandbreedte .................................. 87
Bankselectie LSB ............... 66, 67, 77
Bankselectie MSB .............. 66, 67, 77
Beperkte snelheid .......................... 64
Berichttype ..................................... 62
Bestand .................................... 43, 92
Besturingswijzigingsnummer ... 65, 68
Besturingswijzigingswaarde 65, 68, 88
Besturingswijzigings-zendkanaal ... 88
Bewerkingsbuffer ........................... 42
C
CCNo (Besturingswijzigings-
nummer) ............................... 65, 68
Ch (MIDI-kanaal) ... 66, 67, 68, 76, 77
cho (Chorus) .................................. 83
ChoPan .................................... 36, 50
ChoReturn ............................... 36, 49
Chorus ..................................... 36, 83
Chorus naar reverb ........................ 50
Chorus Send-niveau .... 48, 59, 68, 78
Choruspan ..................................... 50
Chorusretour .................................. 49
ChorusSend ............................. 36, 48
Chorustype .............................. 38, 49
ChoSend
(Chorus Send-niveau) .....59, 68, 78
ChoToRev ................................36, 50
Click, knop ..................................8, 86
Clicktrack beatvolumes ..................84
Clicktrack mastervolume ................84
Clicktrack-uitvoer ............................84
Clicktrack-voice ..............................84
ClkOutSel .......................................84
ClosePosi .......................................89
Connector .........................................9
Copy Pad ........................................53
Cubase-afstandsbediening .............15
D
DC IN-aansluiting .......................9, 10
Display ..............................................8
Draaiknop VOLUME .........................8
Drum .........................................30, 31
E
Effect ..............................................36
Effectparameter ..................48, 49, 50
[ENTER], knop ...........................8, 45
[EXIT], knop ................................8, 45
Externe MIDI-schakelaar ................66
F
F (frequentie) ..................................87
FACTORY SET ..............................98
FC-frequentie (Filter cutoff) ............58
FOOT SW .......................................29
FOOT SW-aansluiting ......................9
FootSwInsel ....................................89
Formatteren ....................................97
Frequentie ......................................87
Frequentieband ..............................87
Func (Padfunctie) ...........................88
Functie ............................................29
G
G (versterking) ................................87
GAIN, knop .......................................9
Gebieden met
parameterinstellingen ..................44
Gebruikerskit ................17, 22, 32, 42
Gebruikerspatroon ..............21, 31, 42
Gebruikerstrigger ..............30, 42, 100
Gebruikt geheugen .............73, 81, 98
Geheugen .................................42, 43
Geheugeninfo .................... 73, 81, 98
Golf .......................................... 25, 31
H
HH Func ......................................... 52
HH MIDI ch .................................... 52
HHMIDIType .................................. 52
HI-HAT CONTROL-aansluiting ........ 9
Hi-hat MIDI-kanaal ......................... 52
Hi-hat MIDI-type ............................. 52
Hi-hatcontroller verzenden ............. 89
Hi-hatfunctie ................................... 52
Hi-hatregelaar .................................. 9
Hoofdtelefoon ............................. 9, 10
Hoogste snelheid ........................... 64
I
Import ............................................... 8
Importeren ................................ 25, 72
Ingebouwde pads ........................... 28
Instrument resetten ........................ 98
Invoerniveau-indicator .................. 100
K
Kabelclip .................................... 9, 10
KIT ................................................. 46
Kit ................................................... 32
[KIT], knop ............................ 8, 44, 46
Kit initialiseren ................................ 54
Kitcategorie .................................... 47
Kitnaam .......................................... 47
Kitnummer ...................................... 47
Kits uitwisselen .............................. 54
Kitvolume ....................................... 47
Klok uit ........................................... 91
Knop ................................................. 8
Kwantificeren ................................. 78
L
Laag ............................................... 32
Laagste snelheid ............................ 64
Laden ....................................... 42, 94
Layer-schakelaar ........................... 51
LocalCtrl ......................................... 90
Lokale besturing ....................... 13, 90
Loslaattijd ....................................... 58
Lus ................................................. 75
Index
112 Gebruikershandleiding
M
M.Tune ...........................................83
Maatsoort .................................21, 75
Master EQ ......................................36
Master tune ....................................83
Master-EQ bypass ..........................87
Mastervolume .............................8, 83
Meerstemmige aftertouch ...............90
MEQBypass ...................................87
MIDI ..........................................12, 61
[MIDI], knop ..........................8, 44, 61
MIDI Ch (MIDI-kanaal) ........63, 65, 66
MIDI IN ...........................................85
MIDI IN/OUT ...................................91
MIDI IN/OUT-aansluitingen ........9, 12
MIDI OUT .......................................85
MIDI samenvoegen ........................92
MIDI Switch ....................................66
MIDI Thru-poort ..............................91
MIDI-kanaal (MIDI Ch) ........63, 65, 66
MIDISync ........................................91
MIDI-synchronisatie ........................91
Modus .............................................62
Mono/Poly ......................................60
Mono/poly activeren .......................65
Mute-schakelaar .............................51
MuteSw ..........................................51
N
Naam van triggerinstelling ............100
Netadapter ..............................6, 9, 10
Niveau ..........................................101
Noot ..........................................57, 63
Noot nummer kwartnoot (Noteq) ....85
Normaliseren ..................................73
Noteq ..............................................85
NoteAcc ..........................................85
Nummer van triggerinstelling ........100
O
Omschakeltijd .................................64
Ontvangst kanaal-10 ......................90
Ontvangst programmawijziging ......90
Ontvangst programmawijziging
kanaal 10 ....................................90
Opnemen ............................13, 21, 43
Opslaan ..............................42, 45, 93
Opstartpatroon ...............................83
Opstarttrigger .................................83
Optimaliseren .................................73
OUTPUT L/MONO- en
R-aansluitingen .............................9
Overspraak ...................................102
Overspraakbron ............................103
Overspraakniveau ................102, 103
P
Pad ............................... 100, 102, 103
Pad initialiseren .............................. 54
Pad10-12 ....................................... 89
PAD-aansluitingen ............... 9, 28, 30
Padfunctie ...................................... 88
Padindicator ..................................... 8
Padnamen ........................ 16, 28, 100
Pads uitwisselen ............................ 53
Padtype ........................................ 101
Pan ........................................... 57, 77
Pandiepte ....................................... 84
Paneelvergrendeling ........................ 8
Patronen uitwisselen ...................... 80
Patronen, afspeelmodus voor ........ 56
Patroon .......................................... 31
Patroon kopiëren ............................ 80
Patroon wissen .............................. 79
Patrooncategorie ............................ 75
Patroonnaam ........................... 75, 76
Patroonnummer ............................. 75
PATTERN ...................................... 74
PC (Programmawijziging) ... 66, 67, 77
Percentage
geheugengebruik ............ 73, 81, 98
PHONES-aansluiting .................. 9, 10
PlayMode ....................................... 70
PolyAfter ......................................... 90
Programmawijziging ........... 66, 67, 77
[PTN], knop .......................... 8, 44, 74
Punt ................................................ 71
Q
Q (bandbreedte) ............................. 87
Q (Resonantie) ............................... 59
R
Ratio ............................................... 73
Rcv10ch ......................................... 90
RcvKeyOff ...................................... 64
RcvPC ............................................ 90
RcvPC10ch .................................... 90
REC ................................................ 21
Receive key-off .............................. 64
Reject Time .................................. 102
Rename .......................................... 96
Resonantie (Q) ............................... 59
rev (Reverb) ................................... 83
Reverb ...................................... 36, 83
Reverb Send-niveau .... 48, 59, 68, 78
Reverbpan ..................................... 50
Reverbretour .................................. 50
ReverbSend ............................. 36, 48
Reverbtype ..................................... 50
RevPan .................................... 36, 50
RevReturn .................................36, 50
RevSend
(Reverb Send-niveau ......59, 68, 78
S
Samenvoegen ................................92
Samenvoegpatroon ........................79
SendHH ..........................................89
SeqCtrl ............................................91
Sequencer-besturing ......................91
[SHIFT], knop ..............................8, 44
Sluitpositie ......................................89
SMF importeren ..............................80
SMF-bestandsnaam .......................80
Snelheidscurven ...........................101
Spanningsvoorziening ....................10
Splash-gevoeligheid .......................89
SplashSens ....................................89
Standby/On-schakelaar ........9, 10, 11
StartupKit ........................................83
StartupPtn .......................................83
StartupTrg .......................................83
Stemmen ........................................57
Stemming ........................................57
[STORE], knop ............................8, 45
T
Tap tempo .........................................8
Taptempo ........................................29
Te kopiëren pad ..............................53
Te kopiëren pad(en) .....................104
Te kopiëren patroon ........................80
Te vervangen pad ...........................53
Te vervangen pad(en) ..................104
Tempo .......................................47, 75
Tempo tikken ............................86, 88
Terminal ............................................9
TGSwitch ........................................66
ThruPort ..........................................91
Toongeneratorschakelaar ...............66
Totaal geheugen .................73, 81, 98
Transponeren .................................57
TrgAltGrp
(Afwisselingsgroep activeren) .....65
TrgMonoPoly ..................................65
TrgSetupLink ..................................52
TrgVel .............................................64
TRIGGER .......................................99
Triggerinstellingencategorie ..........100
Triggerinstellingskoppeling .............52
Trimmen ..........................................71
Trimpunt ..........................................71
Index
Appendix
Gebruikershandleiding 113
U
USB TO DEVICE-poort .............. 9, 11
USB TO HOST-poort ........... 9, 12, 13
USB-geheugenapparaat .......... 11, 23
UTILITY ......................................... 82
[UTILITY], knop .................... 8, 44, 82
V
Val (Besturingswijzigings-
waarde) ................................ 65, 68
Var (Variation
send-niveau) ................... 59, 68, 77
var (Variation) ................................ 83
Variation ................................... 36, 83
Variation naar chorus ..................... 49
Variation naar reverb ..................... 49
Variation send-niveau ........ 59, 68, 77
Variation-categorie ......................... 48
Variation-pan ................................. 49
Variation-retour .............................. 49
Variation-type ................................. 48
VarPan ..................................... 36, 49
VarReturn ................................ 36, 49
VarToCho ................................ 36, 49
VarToRev ................................. 36, 49
VelCurve ...................................... 101
Versterking ............................. 87, 101
Verwijderen .............................. 73, 97
Verzenden ............................... 67, 76
Voetschakelaar .......................... 9, 29
Voetschakelaar- invoerselectie ...... 89
VOICE ............................................ 55
Voice .............................................. 31
[VOICE], knop ...................... 8, 44, 55
Voice Volume ................................. 57
Voicecategorie ............................... 56
Voicelaag ....................................... 32
Voicenaam ..................................... 56
Voicenummer ................................. 56
Volume (Clicktrack) ........................ 84
Volume (kit) .................................... 47
Volume (MIDI) ................................ 77
Volume (voice) ............................... 57
VOLUME, knop (hoofdtelefoon) ....... 9
Voorgeprogrammeerd
patroon ........................... 20, 31, 56
Voorgeprogrammeerde
kit .................................... 17, 32, 47
Voorgeprogrammeerde
voice ............................... 18, 31, 56
Vorm .............................................. 87
W
WAVE .............................................69
[WAVE], knop .......................8, 44, 69
Wavenaam ...............................70, 71
Wavenummer .................................70
Wegsterftijd ....................................58
114 Gebruikershandleiding
MEMO
For details of products, please contact your nearest Yamaha
representative or the authorized distributor listed below.
Neem voor details over producten alstublieft contact op met uw
dichtstbijzijnde Yamaha-vertegenwoordiging of de geautoriseerde
distributeur uit het onderstaande overzicht.
CANADA
Yamaha Canada Music Ltd.
135 Milner Avenue, Scarborough, Ontario,
M1S 3R1, Canada
Tel: 416-298-1311
U.S.A.
Yamaha Corporation of America
6600 Orangethorpe Ave., Buena Park, Calif. 90620,
U.S.A.
Tel: 714-522-9011
MEXICO
Yamaha de México S.A. de C.V.
Calz. Javier Rojo Gómez #1149,
Col. Guadalupe del Moral
C.P. 09300, México, D.F., México
Tel: 55-5804-0600
BRAZIL
Yamaha Musical do Brasil Ltda.
Rua Joaquim Floriano, 913 - 4' andar, Itaim Bibi,
CEP 04534-013 Sao Paulo, SP. BRAZIL
Tel: 011-3704-1377
ARGENTINA
Yamaha Music Latin America, S.A.
Sucursal de Argentina
Olga Cossettini 1553, Piso 4 Norte
Madero Este-C1107CEK
Buenos Aires, Argentina
Tel: 011-4119-7000
PANAMA AND OTHER LATIN
AMERICAN COUNTRIES/
CARIBBEAN COUNTRIES
Yamaha Music Latin America, S.A.
Torre Banco General, Piso 7, Urbanización Marbella,
Calle 47 y Aquilino de la Guardia,
Ciudad de Panamá, Panamá
Tel: +507-269-5311
THE UNITED KINGDOM/IRELAND
Yamaha Music U.K. Ltd.
Sherbourne Drive, Tilbrook, Milton Keynes,
MK7 8BL, England
Tel: 01908-366700
GERMANY
Yamaha Music Europe GmbH
Siemensstraße 22-34, 25462 Rellingen, Germany
Tel: 04101-3030
SWITZERLAND/LIECHTENSTEIN
Yamaha Music Europe GmbH
Branch Switzerland in Zürich
Seefeldstrasse 94, 8008 Zürich, Switzerland
Tel: 01-383 3990
AUSTRIA
Yamaha Music Europe GmbH Branch Austria
Schleiergasse 20, A-1100 Wien, Austria
Tel: 01-60203900
CZECH REPUBLIC/SLOVAKIA/
HUNGARY/SLOVENIA
Yamaha Music Europe GmbH Branch Austria
Schleiergasse 20, A-1100 Wien, Austria
Tel: 01-602039025
POLAND/LITHUANIA/LATVIA/ESTONIA
Yamaha Music Europe GmbH
Branch Sp.z o.o. Oddzial w Polsce
ul. 17 Stycznia 56, PL-02-146 Warszawa, Poland
Tel: 022-868-07-57
THE NETHERLANDS/
BELGIUM/LUXEMBOURG
Yamaha Music Europe Branch Benelux
Clarissenhof 5-b, 4133 AB Vianen, The Netherlands
Tel: 0347-358 040
FRANCE
Yamaha Musique France
BP 70-77312 Marne-la-Vallée Cedex 2, France
Tel: 01-64-61-4000
ITALY
Yamaha Musica Italia S.P.A.
Combo Division
Viale Italia 88, 20020 Lainate (Milano), Italy
Tel: 02-935-771
SPAIN/PORTUGAL
Yamaha Música Ibérica, S.A.
Ctra. de la Coruna km. 17, 200, 28230
Las Rozas (Madrid), Spain
Tel: 91-639-8888
GREECE
Philippos Nakas S.A. The Music House
147 Skiathou Street, 112-55 Athens, Greece
Tel: 01-228 2160
SWEDEN
Yamaha Scandinavia AB
J. A. Wettergrens Gata 1, Box 30053
S-400 43 Göteborg, Sweden
Tel: 031 89 34 00
DENMARK
YS Copenhagen Liaison Office
Generatorvej 6A, DK-2730 Herlev, Denmark
Tel: 44 92 49 00
FINLAND
F-Musiikki Oy
Kluuvikatu 6, P.O. Box 260,
SF-00101 Helsinki, Finland
Tel: 09 618511
NORWAY
Norsk filial av Yamaha Scandinavia AB
Grini Næringspark 1, N-1345 Østerås, Norway
Tel: 67 16 77 70
ICELAND
Skifan HF
Skeifan 17 P.O. Box 8120, IS-128 Reykjavik, Ice-
land
Tel: 525 5000
RUSSIA
Yamaha Music (Russia)
Office 4015, entrance 2, 21/5 Kuznetskii
Most street, Moscow, 107996, Russia
Tel: 495 626 0660
OTHER EUROPEAN COUNTRIES
Yamaha Music Europe GmbH
Siemensstraße 22-34, 25462 Rellingen, Germany
Tel: +49-4101-3030
Yamaha Corporation,
Asia-Pacific Music Marketing Group
Nakazawa-cho 10-1, Naka-ku, Hamamatsu,
Japan 430-8650
Tel: +81-53-460-2312
TURKEY/CYPRUS
Yamaha Music Europe GmbH
Siemensstraße 22-34, 25462 Rellingen, Germany
Tel: 04101-3030
OTHER COUNTRIES
Yamaha Music Gulf FZE
LOB 16-513, P.O.Box 17328, Jubel Ali,
Dubai, United Arab Emirates
Tel: +971-4-881-5868
THE PEOPLE’S REPUBLIC OF CHINA
Yamaha Music & Electronics (China) Co.,Ltd.
2F, Yunhedasha, 1818 Xinzha-lu, Jingan-qu,
Shanghai, China
Tel: 021-6247-2211
HONG KONG
Tom Lee Music Co., Ltd.
11/F., Silvercord Tower 1, 30 Canton Road,
Tsimshatsui, Kowloon, Hong Kong
Tel: 2737-7688
INDIA
Yamaha Music India Pvt. Ltd.
5F Ambience Corporate Tower Ambience Mall Complex
Ambience Island, NH-8, Gurgaon-122001, Haryana, India
Tel: 0124-466-5551
INDONESIA
PT. Yamaha Music Indonesia (Distributor)
PT. Nusantik
Gedung Yamaha Music Center, Jalan Jend. Gatot
Subroto Kav. 4, Jakarta 12930, Indonesia
Tel: 21-520-2577
KOREA
Yamaha Music Korea Ltd.
8F, 9F, Dongsung Bldg. 158-9 Samsung-Dong,
Kangnam-Gu, Seoul, Korea
Tel: 080-004-0022
MALAYSIA
Yamaha Music Malaysia, Sdn., Bhd.
Lot 8, Jalan Perbandaran, 47301 Kelana Jaya,
Petaling Jaya, Selangor, Malaysia
Tel: 3-78030900
PHILIPPINES
Yupangco Music Corporation
339 Gil J. Puyat Avenue, P.O. Box 885 MCPO,
Makati, Metro Manila, Philippines
Tel: 819-7551
SINGAPORE
Yamaha Music Asia Pte., Ltd.
#03-11 A-Z Building
140 Paya Lebor Road, Singapore 409015
Tel: 747-4374
TAIWAN
Yamaha KHS Music Co., Ltd.
3F, #6, Sec.2, Nan Jing E. Rd. Taipei.
Taiwan 104, R.O.C.
Tel: 02-2511-8688
THAILAND
Siam Music Yamaha Co., Ltd.
4, 6, 15 and 16
th
floor, Siam Motors Building,
891/1 Rama 1 Road, Wangmai,
Pathumwan, Bangkok 10330, Thailand
Tel: 02-215-2626
OTHER ASIAN COUNTRIES
Yamaha Corporation,
Asia-Pacific Music Marketing Group
Nakazawa-cho 10-1, Naka-ku, Hamamatsu,
Japan 430-8650
Tel: +81-53-460-2317
AUSTRALIA
Yamaha Music Australia Pty. Ltd.
Level 1, 99 Queensbridge Street, Southbank,
Victoria 3006, Australia
Tel: 3-9693-5111
NEW ZEALAND
Music Works LTD
P.O.BOX 6246 Wellesley, Auckland 4680,
New Zealand
Tel: 9-634-0099
COUNTRIES AND TRUST
TERRITORIES IN PACIFIC OCEAN
Yamaha Corporation,
Asia-Pacific Music Marketing Group
Nakazawa-cho 10-1, Naka-ku, Hamamatsu,
Japan 430-8650
Tel: +81-53-460-2312
NORTH AMERICA
CENTRAL & SOUTH AMERICA
EUROPE
AFRICA
MIDDLE EAST
ASIA
OCEANIA
HEAD OFFICE Yamaha Corporation, Pro Audio & Digital Musical Instrument Division
Nakazawa-cho 10-1, Naka-ku, Hamamatsu, Japan 430-8650
Tel: +81-53-460-2445
SY50
ELECTRONIC PERCUSSION PAD
Gebruikershandleiding
Gebruikershandleiding
Yamaha Electronic Drums web site:
http://dtxdrums.yamaha.com
Yamaha Manual Library
http://www.yamaha.co.jp/manual/
U.R.G., Digital Musical Instruments Division
© 2009-2010 Yamaha Corporation
WR85360 009POAP*.*-01B0
Printed in Vietnam NL

Navigation menu